|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3055 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: verweerder).
Datum uitspraak: 24 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 2 september 2004 heeft verweerder appellante met ingang
van 1 januari 2005 ingedeeld bij de sector 10 Metaalindustrie. Tot die
datum was appellante ingedeeld bij de sector 12 Metaal- en technische
bedrijfstakken. Bij besluit van 14 april 2005 heeft verweerder het
bezwaar van appellante tegen voormeld besluit van 2 september 2004
ongegrond verklaard.
Appellante heeft bij brief van 11 mei 2005 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2006,
waar namens appellante is verschenen haar directeur, [naam directeur],
en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door R.J.L. van
Wijk, werkzaam bij de Belastingdienst.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge de artikelen 97l en 97m van de Werkloosheidswet (voorheen
gebaseerd op de artikelen 52 en 53 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997) is verweerder verantwoordelijk voor het indelen dan
wel herindelen van werkgevers bij sectoren.
Verweerder heeft in het kader van de herindeling van appellante met
ingang van 1 januari 2005 onder meer getoetst aan het zogeheten 1200
arbeidsuren criterium.
Op grond van dit criterium vindt indeling in sector 10 Metaalindustrie
plaats indien de werkzaamheden, waarvoor de werkgever het grootste
bedrag aan loon betaalt, behoren tot de in de bijlage bij de Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren (Stcrt. 1997/41)
onder 10 vermelde werkzaamheden, mits in de betrokken onderneming,
rekening houdend met het in de bedrijfstak geldende normale aantal
arbeidsuren, in de regel gedurende ten minste 1200 uren per week door
bij die onderneming in dienst zijnde werknemers werkzaamheden worden
verricht. Verweerder heeft geconcludeerd dat bij appellante genoemd
urenaantal in elk geval vanaf 2001 wordt overschreden en dat geen
substantiële activiteiten zijn te duiden die niet onder het 1200
arbeidsuren criterium vallen. Daarbij is verweerder uitgegaan van de
beschikbare gegevens over de jaren 2001 tot en met 2004.
Appellante heeft in beroep betoogd dat een deel van de werkzaamheden kan
worden beschouwd als het bedrijfsvaardig opleveren van elektrotechnische
zwak- en sterkstroominstallaties, welke werkzaamheden behoren tot die
van sector 12 Metaal- en technische bedrijfstakken, te weten de onder punt 11 van
de tot die sector behorende opsomming van werkzaamheden. Verweerder
heeft tegengeworpen dat appellante de betreffende producten wel
vervaardigt maar niet plaatst of ter plaatse installeert.
Van bedrijfsvaardig opleveren van de elektrotechnische installaties is
daarom in de ogen van verweerder geen sprake. De Raad acht deze
benadering niet onjuist. Verweerder heeft deze werkzaamheden dan ook
terecht meegeteld bij de beoordeling of in de betreffende jaren wordt
voldaan aan het 1200 arbeidsuren criterium.
Voorzover appellante activiteiten ontplooit welke vallen onder het
installatiebedrijf, heeft verweerder aangegeven dat niet is gebleken dat
dit een substantieel deel van de werkzaamheden van appellante betreft.
Daarbij heeft verweerder appellante tot tweemaal toe gevraagd aan te
tonen dat sprake is van een substantieel deel van de werkzaamheden.
Voorts heeft verweerder gewezen op de mogelijkheid om de betreffende
activiteiten af te zonderen. Daarvan heeft appellante om haar moverende
redenen geen gebruik gemaakt. De Raad is met verweerder van oordeel dat
appellante niet als een installatiebedrijf dient te worden aangemerkt,
hetgeen appellante ter zitting ook heeft erkend. De Raad volgt
appellante niet in haar stelling dat in het onderhavige geval
indelingstechnisch sprake is van een grensgeval, waarbij middels
gebruikmaking van de interpretatieruimte in de omschrijving van de
activiteiten kan worden bewerkstelligd dat een significant deel van de
activiteiten van appellante niet onder het 1200 arbeidsuren criterium
valt. De gedetailleerdheid van de toepasselijke indelingsregeling, onder
meer tot uiting komend in het onderscheid tussen de sector 10
Metaalindustrie en de sector 12 Metaal- en technische bedrijfstakken, verzet zich tegen de door
appellante bepleite welwillende interpretatie door verweerder. Daarbij
wijst de Raad er op dat appellante, hoe begrijpelijk ook vanuit het van
haar zijde benadrukte belang van handhaving van de indeling in sector 12
en mede gelet op de door haar geschetste toekomstige ontwikkelingen,
niet kan verwachten dat verweerder in appellantes benadering van de
indelingscriteria meegaat opdat het 1200 urencriterium in bepaalde
tijdvakken niet wordt gehaald.
Voorts heeft appellante gewezen op ongewenste gevolgen van herindeling
in de sfeer van de pensioenvoorziening voor haar werknemers. De Raad
overweegt in dit verband dat volgens zijn vaste jurisprudentie bij
(her)indeling van ondernemingen eventuele consequenties in de sfeer van
aanpalende regelingen (CAO, VUT, pensioen) buiten beschouwing dienen te
worden gelaten.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van appellante niet, zodat dit
ongegrond dient te worden verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig
om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het
openbaar 24 mei 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Renden.
|
|