|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1296 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats], (hierna: appellante),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: verweerder).
Datum uitspraak: 1 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante is in beroep gekomen van het besluit van 31 oktober 2003 van
verweerder (hierna: het besluit).
Verweerder heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006.
Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door [R.R. v. H.] en
[J.F.C.M. K.], respectievelijk directeur en groepscontroller van de B.V.,
bijgestaan door mr. P.M.T. Konings, advocaat te Tilburg. Verweerder
heeft zich - zoals aangekondigd - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de OSV [Osv 1997, red.], het Besluit indeling
uitzendbedrijven en het Besluit datumbeleid indelingen zoals die luidden
ten tijde hier van belang.
Bij het na bezwaar genomen besluit heeft verweerder de eerder genomen
beslissing gehandhaafd om naar aanleiding van het verzoek van appellante
van 16 november 2001 haar met ingang van 1 januari 2001 in te delen bij
de sector Uitzendbedrijven, met de bedrijfstaknaam uitzendbedrijven 2b,
nu - voor het grootste gedeelte - gewerkt werd met uitzendkrachten zonder
uitzendbeding of met een beλindigd uitzendbeding.
Appellante handhaaft in beroep haar standpunt dat de desbetreffende
indeling reeds per 16 februari 1999 had behoren plaats te vinden.
De Raad stelt vast dat verweerder overeenkomstig de toepasselijke
beleidsregels en het door haar gevoerde beleid bij een verzoek als het
onderhavige de wijziging van herindeling in een later jaar met geen
verdergaande terugwerkende kracht doet plaatsvinden dan per 1 januari
van dat kalenderjaar. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat
appellante niet kon weten dat de wijziging van de aard van de
arbeidsverhouding binnen een maand na peildatum moest worden doorgegeven
en eveneens dat appellante niet verwijtbaar in een verkeerde sector was
ingedeeld. Tevens is hierbij in aanmerking genomen dat de directie van
appellante nog medio 2001 schriftelijk heeft verklaard dat het
uitzendbeding wel van toepassing was. De Raad acht onder deze
omstandigheden de benadering van verweerder om de gewijzigde herindeling
niet verder terug te leggen dan op 1 januari 2001 noch onjuist noch
onzorgvuldig of onredelijk. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat de
aard van de arbeidsverhouding en de daarbij overeengekomen bedingen zich
in de praktijk anders hebben ontwikkeld dan de directie van appellante
zelf bekend was voor rekening van haar komt en niet op verweerder kan
worden afgewenteld. De Raad ziet overigens evenmin zodanige bijzondere
omstandigheden ontleend aan het Besluit datumbeleid indelingen om op een
ander vroeger tijdstip van gewijzigde sectorindeling dan 1 januari 2001
uit te komen. Dat, naar appellante stelt, metterdaad eerder aan de
criteria voor andere arbeidsverhoudingen zal zijn voldaan en dat alsdan
meerkosten van een zelfde indeling behoren te worden ontlopen, kan als
zodanig gezien ook de algemeenheid van die grief volgens de Raad niet
hieronder worden gebracht.
Gelet op het vorenstaande kan het besluit van verweerder gedragen worden
door de motivering welke hieraan is gegeven en kan het beroep van
appellante dan ook niet slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van
der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 1 juni 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|