|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6957 OSV
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellant], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellant),
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: verweerder).
Datum uitspraak: 27 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant is in beroep gekomen van het besluit van het Uwv.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2006. Appellant
heeft zich daar niet doen vertegenwoordigen. Het Uwv is verschenen bij
gemachtigde R.J.L. van Wijk, werkzaam bij de Belastingdienst Haaglanden.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Organisatiewet sociale verzekeringen
(OSV) [Osv 1997, red.] en de relevante indelingsregelgeving zoals die luidde ten tijde
hier van belang.
Bij het na bezwaar genomen besluit heeft het Uwv de eerder genomen
beslissing gehandhaafd om, ondanks het andersluidend verzoek van
appellant tot indeling bij sector 35. gezondheid, geestelijke en
maatschappelijke belangen, het bedrijf van appellant per 1 oktober 2004
ongewijzigd bij sector 17. detailhandel en ambachten in te delen.
Appellant blijft in beroep van mening dat indeling als bij vergelijkbare
bedrijven dient te geschieden in de zorgsector, omdat het bedrijf zich
niet alleen manifesteert als leverancier van steunkousen en
verbandmiddelen e.a. bij spataderen e.d., maar ook als zorgverlenende
hulp bij het aanwenden daarvan op het niveau van paramedici optreedt
door voortschrijdende ontwikkelingen.
De Raad onderschrijft deze opvatting van appellant op grond van de
stukken en het verhandelde ter zitting niet. De kern van de activiteiten
van appellant bestaat in het op medisch voorschrift adviseren over en
aanleveren van orthopedische hulpmiddelen zoals steunkousen en zwachtels
met maatbepaling en aanvullend enige ondersteunende instructie voor het
gebruik ervan en ligt niet primair in het geneeskundige zorgverlenende
paramedische vlak, dat in essentie aan anderen met daartoe strekkende
genees- of verpleegkundige bevoegdheden en bekwaamheden is voorbehouden.
De vergelijking met bedoelde andere bedrijven gaat overigens niet op,
omdat het hier om gemengde bedrijfsvormen gaat, welke daadwerkelijk door
een groepsaansluiting anders van aard en samenstelling zijn in
vergelijking tot het onderhavige bedrijf.
Volledigheidshalve merkt de Raad op dat bij de indeling op goede gronden
geen rekening is gehouden met toepasselijkheid van CAO-, VUT- en
pensioenregelingen of andersoortige sectorgebonden regelingen.
Het door appellant bestreden besluit van het Uwv kan dan ook gedragen
worden door de motivering welke hieraan is gegeven en het beroep van
appellant kan derhalve niet slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van
der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 27 juli 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|