|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/285 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: verweerder).
Datum uitspraak: 26 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 24 mei 2006, waar voor
appellante zijn verschenen C.H. Bakker en S.P.F. Bakker, directeur
respectievelijk administratief medewerker van appellante, en verweerder
zich heeft laten vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij de
belastingdienst.
II. OVERWEGINGEN
Appellante houdt zich ten behoeve van vier hotelbedrijven in
onderaanneming bezig met het verrichten van huishoudelijke diensten. Bij
faxbericht van 15 juli 2005 heeft appellante verweerder verzocht om de
indeling te wijzigen van sector 18. Reiniging in sector 33. Horeca
algemeen. Dit verzoek is bij besluit van 28 september 2005 afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 6 december 2005 heeft verweerder het
bezwaar van appellante gegrond verklaard en, onder herroeping in zoverre
van het besluit van 28 september 2005, appellante alsnog per 1 januari
2006 ingedeeld in de sector 17. Detailhandel en Ambachten. Aan dit
besluit ligt het standpunt ten grondslag dat een werkgever, waarvan de
werkzaamheden kunnen worden omschreven als het verlenen van diensten in
de huishoudelijke sfeer ten behoeve van horecabedrijven, niet als een
onder sector 33. Horeca algemeen ressorterend horecabedrijf wordt
aangemerkt, maar als een werkgever die in het maatschappelijk leven
optreedt als een dienstverlenend bedrijf, welke van rechtswege is
aangesloten bij sector 17. Detailhandel en Ambachten. Met inachtneming
van beleidsregel b van het datumbeleid heeft verweerder de datum van
herindeling vastgesteld op 1 januari 2006. Er zijn volgens verweerder
geen bijzondere omstandigheden om aan de wijziging van de indeling
terugwerkende kracht te verlenen.
In beroep heeft appellante de juistheid van het besluit van 6 december
2005 bestreden. Zij heeft gesteld dat indeling bij sector 33. Horeca
algemeen haar voorkeur heeft en dat de herindeling dient in te gaan in
2003.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge de artikelen 97l en 97m van de Werkloosheidswet is verweerder
verantwoordelijk voor het indelen dan wel herindelen van werkgevers bij
sectoren.
Mede gelet op de aan de gewijzigde indeling ten grondslag gelegde
motivering heeft de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen
aanknopingspunten gevonden om de indeling van appellante in sector 17.
Detailhandel en Ambachten voor onjuist te houden.
Met betrekking tot de datum van herindeling heeft verweerders
rechtsvoorganger beleidsregels geformuleerd, die zijn neergelegd in het
Besluit datumbeleid indelingen (Besluit van het Lisv van 14 maart 1998,
Stcrt. 1998, 51).
Deze beleidsregel luiden, voorzover van belang, als volgt:
“a. Wanneer overgang van een werkgever naar een andere sector dan de
sector waarbij die werkgever is aangesloten is aangewezen, vindt deze
overgang zo spoedig mogelijk plaats per 1 januari of 1 juli van enig
jaar, mits vóór de betreffende datum een schriftelijke
indelingsbeslissing aan de betrokken werkgever is gezonden.
b. Wanneer een werkgever zelf verzoekt om de juistheid van de op dat
moment voor hem geldende indeling te bezien dan wel gericht verzoekt om
herindeling naar een andere sector gelden eveneens de data 1 januari of
1 juli volgend op de datum, waarop de werkgever zijn verzoek heeft
gedaan.
(...)
d. Indelen van een werkgever met terugwerkende kracht tot een datum
gelegen vóór de onder a en b en de daaraan onder c gekoppelde data kan
plaatsvinden zowel ten voor- als ten nadele van de betrokken werkgever.
Ten voordele: dit kan zich voordoen, bijv. als in het verleden is
nagelaten na een daartoe strekkend verzoek van een werkgever of na
melding van een wijziging in de bedrijfsuitoefening een
indelingsonderzoek in te stellen en achteraf komt vast te staan dat
reeds toen herindeling aangewezen zou zijn geweest.”
Hoewel de Raad het niet uitgesloten acht dat appellante vóór 15 juli
2005 telefonisch contact heeft opgenomen met medewerkers van verweerder,
waarbij gesproken is over haar indeling, is naar zijn oordeel niet komen
vast te staan dat appellante reeds vóór 1 juli 2005 bij verweerder een
verzoek heeft ingediend om herindeling. Dit brengt mee dat overgang naar
een andere sector in beginsel per 1 januari 2006 dient plaats te vinden.
De Raad is met verweerder van oordeel dat zich in het geval van
appellante geen bijzondere omstandigheden voordoen welke indeling met
ingang van een vóór 1 januari 2006 gelegen datum rechtvaardigen. Met
name is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan met toepassing
van het bepaalde onder d van voornoemde beleidsregels indeling met
terugwerkende kracht mogelijk is.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep niet kan slagen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 26 juli 2006.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) C.M.T. Kruls.
|
|