|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/5632
OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: verweerder).
Datum uitspraak: 2 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft verweerder bij faxbericht van 18 januari 2005 verzocht
om de indeling met ingang van 2004 te wijzigen van sector 44. Zakelijke
Dienstverlening II in sector 45. Zakelijke Dienstverlening III.
Bij besluit van 5 september 2005 heeft verweerder het bezwaar van
appellante tegen de indelingsbeslissing van 20 juni 2005, waarbij de
indeling ingaande 1 juli 2005 is gewijzigd, gegrond verklaard en
appellante per 1 januari 2005 ingedeeld bij de sector 45. Zakelijke
Dienstverlening III.
Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de Raad.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 31 augustus 2006, waar voor
appellante is verschenen haar directeur [directeur] en verweerder zich
met voorafgaand bericht niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij het bestreden besluit van 5 september 2005 heeft verweerder onder
herroeping in zoverre van het besluit van 20 juni 2005 appellante alsnog
per 1 januari 2005 ingedeeld in de sector 45. Zakelijke Dienstverlening
III. Zoals blijkt uit het aan dit besluit ten grondslag liggende
Basisdocument indelingen van 9 augustus 2005 stelt verweerder zich op
het standpunt dat indeling van appellante per 1 maart 1997 in sector 44.
gelet op haar activiteiten achteraf bezien onjuist is. Verweerder is van
mening dat het foutief indelen op zichzelf geen nalatigheid vormt als
bedoeld in beleidsregel d. van het in het Besluit datumbeleid indelingen
(Stcrt. 1998, nr. 51) neergelegde datumbeleid, welke zonder meer dient
te leiden tot herindeling met terugwerkende kracht. Uitgangspunt van het
datumbeleid is volgens verweerder een gedeelde verantwoordelijkheid van
werkgever en verweerder voor een (juiste) indeling, waarbij verweerder
verantwoordelijk is voor het (her)indelen maar ook van de werkgever een
actieve rol wordt verwacht met betrekking tot het signaleren van een
mogelijk onjuiste indeling. In dit verband heeft verweerder
geconstateerd dat appellante niet formeel in kennis is gesteld van de
indeling per 1 maart 1997. Daarnaast moet het volgens verweerder als een
nalatigheid als bedoeld in beleidsregel d. worden beschouwd dat bij een
bij appellante in juli 2004 uitgevoerde looncontrole de bestaande
niet-rechtmatig inschrijving bij sector 44. niet is gesignaleerd. Indien
toen tot een andere sectorindeling was geconcludeerd, was de aangewezen
herindeling al per 1 januari 2005 doorgevoerd. Een en ander heeft
verweerder geleid tot het toekennen van een beperkte terugwerkende
kracht aan de herindeling en vaststelling van de wijzigingsdatum op 1
januari 2005.
In beroep stelt appellante zich op het standpunt dat de gewijzigde
indeling op 1 januari 2004 behoort in te gaan.
Ingevolge de artikelen 97l en 97m van de WW is verweerder
verantwoordelijk voor het indelen dan wel herindelen van werkgevers bij
sectoren.
De in het Besluit datumbeleid indelingen neergelegde beleidsregels
luiden, voor zover van belang, als volgt:
“a. Wanneer overgang van een werkgever naar een andere sector dan de
sector waarbij die werkgever is aangesloten is aangewezen, vindt deze
overgang zo spoedig mogelijk plaats per 1 januari of 1 juli van enig
jaar, mits vóór de betreffende datum een schriftelijke
indelingsbeslissing aan de betrokken werkgever is gezonden.
b. Wanneer een werkgever zelf verzoekt om de juistheid van de op dat
moment voor hem geldende indeling te bezien dan wel gericht verzoekt om
herindeling naar een andere sector, gelden eveneens de data 1 januari of
1 juli volgens op de datum waarop de werkgever zijn verzoek heeft
gedaan.
(...)
d. Indelen van een werkgever met terugwerkende kracht tot een datum
gelegen vóór de onder a en b en de daarna onder c gekoppelde data kan
plaatsvinden zowel ten voor- als ten nadele van de betrokken werkgever.
Ten voordele: dit kan zich voordoen bijvoorbeeld als in het verleden is
nagelaten na een daartoe strekkend verzoek van een werkgever of na
melding van een wijziging in de bedrijfsvoering een indelingsverzoek in
te stellen en achteraf komt vast te staan dat reeds toen herindeling
aangewezen zou zijn geweest.
(...)
g. Het bepaalde onder a t/m d en onder f laat onverlet de mogelijkheid
om op grond van bijzondere omstandigheden (met name overwegingen van
redelijkheid en zorgvuldigheid) daarvan af te wijken. (...)”.
Zoals hiervoor is uiteengezet heeft verweerder in het besluit op bezwaar
reeds aanleiding gevonden om aan de herindeling van appellante met
toepassing van de onder d. vermelde beleidsregel terugwerkende kracht te
verlenen. De Raad kan zich verenigen met het in het besluit op bezwaar
door verweerder ingenomen standpunt en de gronden waarop dit berust. In
hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd en de overige
gedingstukken ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden welke
herindeling met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot 1 januari
2005 rechtvaardigen. In dit verband merkt de Raad nog op dat
onderkenning van de onjuiste indeling door verweerder bij de in juli
2004 uitgevoerde looncontrole eveneens tot herindeling per 1 januari
2005 zou hebben geleid.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep niet kan slagen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 2 november 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|