|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4709
OSV
U I T S P R A A K
op het geding tussen:
Stichting Regionaal Indicatieorgaan Fryslân, gevestigd te Leeuwarden
(hierna: appellante),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: verweerder).
Datum uitspraak: 2 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant is in beroep gekomen van het besluit van verweerder van 22
juli 2004 (hierna: het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006.
Namens appellant is daar verschenen W. Brouwer, bijgestaan door mr. W.
Eenhoorn en mr. J. Panday, werkzaam bij Deloitte Belastingadviseurs B.V.
te Amsterdam. Voor verweerder is ter zitting niemand verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Organisatiewet sociale verzekeringen
(OSV) [lees: Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 (Osv 1997, red.]
en de relevante indelingsregelgeving zoals die luidden ten tijde
hier van belang.
Appellante is een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Verweerder heeft appellante
bij besluit van 16 februari 2004 met ingang van 1 januari 2004
aangesloten bij de sector 44. Zakelijke Dienstverlening II.
Appellante is van mening dat zij bij de sector 35. Gezondheid,
geestelijke en maatschappelijke belangen moet worden aangesloten en
heeft tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit
heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en de indeling van
appellante gehandhaafd.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante geen zorg verleent
en zich niet (hoofdzakelijk) daadwerkelijk beweegt op het terrein van de
lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg, behorende tot de
werkingssfeer van sector 35. De activiteiten die appellante functioneel
verricht worden volgens verweerder niet vermeld in de tekst van de
bijlage van de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in
sectoren (Stcrt. 1997, 41, hierna: Indelingsregeling), zodat de indeling
dient plaats te vinden bij de sector waarmee de meeste overeenkomst
bestaat (assimilatie). Dat is volgens verweerder sector 44.
Appellante betwist niet dat zij geen feitelijke zorgactiviteiten
verleent. Zij stelt zich op het standpunt dat dit voor indeling bij
sector 35 niet vereist is, maar dat het in hoofdzaak nastreven van een
of meer doeleinden die bij sector 35 behoren voldoende is. Daarvan is
volgens appellante sprake, gelet op de doeleinden die door haar vanwege
de wettelijke bepalingen in de AWBZ moeten worden nagestreefd. Voorts
stelt appellante dat verweerder niet alle regionale indicatieorganen
heeft ingedeeld in sector 44.
De Raad overweegt als volgt.
Uit artikel 97l, eerste lid, van de Werkloosheidswet volgt dat de
werkzaamheden die een werkgever doet verrichten bepalend zijn voor de
aansluiting van die werkgever bij een bepaalde sector. In het geval van
appellante is dat het beoordelen of een zorgvrager is aangewezen op een
van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.
Appellantes feitelijke werkzaamheden betreffen het uitvoeren van deze - wettelijk opgedragen
- taak. Haar activiteiten betreffen niet het
in hoofdzaak nastreven van behartiging van lichamelijke
gezondheidsbelangen. Voorts onderschrijft de Raad het door verweerder
verdedigde standpunt dat de feitelijke bedrijfsactiviteiten bepalend
zijn en niet de bedoelingen achter die activiteiten dan wel de daarmee
gediende belangen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt
gesteld dat aansluiting bij sector 35 niet aan de orde is omdat
appellante geen feitelijke zorg verleent.
In verband met de in artikel 3 van de Indelingsregeling neergelegde -
zogenoemde - assimilatiebepaling, die inhoudt dat werkzaamheden welke
niet in de bijlage zijn vermeld, geacht worden te behoren tot een
onderdeel respectievelijk sector van het bedrijfs- en beroepsleven,
waartoe takken van bedrijf en beroep behoren waarin werkzaamheden worden
verricht, die naar de aard het meest met eerstbedoelde werkzaamheden
overeenkomen, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat
appellante behoort te worden ingedeeld in sector 44. Verweerder stelt
dat de feitelijke activiteiten van appellanten de meeste overeenkomst
vertonen met de beroepsgroepen in sector 44 en nauw verwant zijn met de
eveneens onder die sector ressorterende expertise-/economische
adviesbureaus. De Raad acht deze vaststelling niet onjuist dan wel
onvoldoende gemotiveerd.
Voorts acht de Raad voldoende gemotiveerd dat geen aansluiting dient te
worden gezocht bij sector 45 Zakelijke dienstverlening III, omdat die
sector met name ziet op de administratieve uitvoering van regelingen en
appellantes activiteiten veeleer vergelijkbaar zijn met die van een
adviesorgaan dan die van een administratief orgaan. Overigens heeft
appellante in beroep haar stelling, dat aansluiting bij sector 45 meer
voor de hand ligt, niet nader onderbouwd.
Appellante heeft haar eerst ter zitting van de Raad betrokken stelling
dat niet alle regionale indicatieorganen zijn ingedeeld in sector 44,
niet nader en met verifieerbare bescheiden onderbouwd. Voorzover de aan
de namens appellante voorgedragen pleitnota gehechte bijlagen hierop
betrekking hebben, zijn deze ingebracht met overschrijding van de in
artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vermelde
termijn. Mede in aanmerking genomen dat verweerder niet ter zitting van
de Raad is verschenen en zich niet heeft kunnen uitlaten over de vraag
of het alsnog in beschouwing nemen van de stukken bij hem bezwaren
ontmoet, heeft de Raad aanleiding gezien om de stukken slechts bij zijn
oordeelsvorming te betrekken voorzover de gemachtigden van appellante
daarover ter zitting mededeling hebben gedaan. De Raad ziet geen grond
om het onderzoek te heropenen teneinde appellante in de gelegenheid te
stellen om deze bescheiden alsnog in het geding te brengen. Daarbij acht
de Raad van belang dat appellante blijkens het verhandelde ter zitting
niet doelt op de indeling van andere regionale indicatieorganen in
dezelfde periode, maar op de indeling per 1 januari 2005 van het per die
datum in het leven geroepen Centrum Indicatiestelling Zorg, dat vanaf 1
januari 2005 de indicatiestelling voor de AWBZ-zorg uitvoert en waarin
de voormalige regionale indicatieorganen zijn opgegaan. Gelet hierop kan
het in de stelling van appellante besloten liggende beroep op het
gelijkheidsbeginsel niet slagen.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit gedragen kan worden
door de motivering welke hieraan is gegeven, zodat het beroep van
appellante niet kan slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van
der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 2 november 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|