|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6831
OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, (hierna: verweerder).
Datum uitspraak: 22 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.J.E. Verlinden, werkzaam bij ABAB Juristen
te Breda, beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Voor
appellante zijn verschenen haar directeur A.J.C.H. [B.] en mr. Verlinden, voornoemd. Voor verweerder is verscheen
mr. C.P. Wolthers, werkzaam bij de belastingdienst Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
Appellante houdt zich in hoofdzaak bezig met zogeheten natuurbouw, dat
wil zeggen het herinrichten van natuurgebieden, waaronder het
terugbrengen van rivieren en beken in hun oorspronkelijke bedding en het
aanbrengen van ecologische verbindingen tussen verschillende
natuurgebieden. Dit houdt in dat met graafwerktuigen nieuwe beddingen
dienen te worden gegraven, het verwijderen van toplagen (humusrijke
grond) om gebieden te verschralen, het opnieuw inrichten van
beplantingen in deze gebieden en/of het inrichten van ecologische
verbindingszones. Voor de werkzaamheden die appellante verricht, is
veelal een aanlegvergunning vereist. Bij appellante zijn 20 personen in
dienst (machinisten, uitvoerders, grondwerkers en chauffeurs). Er zijn
geen hoveniers in dienst. Het materieel bestaat uit graafmachines,
kranen, tractoren, een bulldozer en twee vrachtauto’s.
Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft verweerder onder verwijzing naar
een basisdocument van 4 oktober 2005 ongegrond verklaard de bezwaren van
appellante tegen het besluit van 19 april 2005, waarbij appellante met
ingang van 1 juli 2005 is ingedeeld in sector 3. Bouwbedrijf. Voorheen
was appellante ingedeeld in sector 1. Agrarisch bedrijf.
Ter beoordeling van de sectorindeling van bedrijven als dat van
appellante maakt verweerder onderscheid tussen het verrichten van
civieltechnische werkzaamheden en cultuurtechnische werkzaamheden.
Daarbij worden criteria/richtlijnen gehanteerd, zoals vervat in het zich
onder de gedingstukken bevindende schrijven van de voormalige Sociale
Verzekeringsraad van 3 december 1992.
In dit schrijven is onder meer het volgende vermeld:
“1 Uitgangspunt is de aard van de werkzaamheden (primaire
doelstelling).
In twijfelgevallen kan daarnaast gekeken worden naar de aard van de
opdrachtgever.
2 Gebruikte definities:
- civieltechnische werkzaamheden: de aanleg van verhardingen, riolering
en gebouwen e.d. waarvoor een bouw- of aanlegvergunning is vereist,
alsmede het hiermede samenhangende onderhoud;
- cultuurtechnische werkzaamheden: de aanleg van groenvoorzieningen, de
daarmee samenhangende grondwerkzaamheden (bovenste grondlaag) en
drainage, alsmede het hiermee samenhangende onderhoud;
- groen: “levend materiaal”.
3 De volgende activiteiten worden beschouwd als zijnde civieltechnische
werkzaamheden en daarmee behorende tot de bouwnijverheid: grondboringen,
bronbemalingen, kabels, buisleidingen, grondwerk (t.b.v. civieltechn.
bestemming), wegenbouw, markeringen, sloopwerken, waterbouwkundige
werken, funderingswerken en verhuur van bemand materieel voor
civieltechnische activiteiten behoudens:
A. de aanleg van buisleidingen in eigen beheer voor drainage t.b.v.
landbouw, bewerking van grond en zand t.b.v. een agrarische bestemming
en de incidentele aanleg van duikers t.b.v. de ontsluiting van een
landbouwperceel, welke als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat
moeten worden;
B. het aanleggen, verbeteren of onderhouden van sportvelden en andere
recreatieobjecten alsmede alle andere grondwerken t.b.v.
cultuurtechnische, civieltechnische, sport-, recreatie- en andere
objecten, beplantingen en groenstroken langs wegen. Hierbij is
uitgangspunt dat, indien er een bouw- of aanlegvergunning vereist is,
het civieltechnische werkzaamheden zijn, met uitzondering van de aanleg
en het onderhoud van groen alsmede drainage en de bovenste grondlaag
t.b.v. het groen, welke cultuurtechnische activiteiten zijn;
C. de te onderscheiden cultuurtechnische werkzaamheden bij inpoldering
en ruilverkaveling: de ontsluiting van gronden en ruilverkaveling dienen
als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat te worden indien er sprake
is van daarmee samenhangende grondbewerking (ploegen, eggen, zaaien,
egaliseren van de toplaag van de grond ten behoeve van de plantaardige
bestemming etc.) en als civieltechnische werkzaamheden indien er sprake
is van grondverwerking in de zin van landinrichting (de aanleg van
wegen, watergangen en gemalen).”
Gelet op het hiervoor onder 3B gestelde, in het bijzonder het
uitgangspunt dat bij een vereiste aanlegvergunning de werkzaamheden als
zijnde van civieltechnische aard dienen te worden aangemerkt, ziet de
Raad geen grond voor het oordeel dat de indeling van appellante per 1
juli 2005 voor onjuist moet worden gehouden. Met betrekking tot de
stelling van appellante dat de Sociale Verzekeringsraad in 1992 geen oog
heeft gehad voor natuurbouw overweegt de Raad dat, nog daargelaten dat
deze stelling is weersproken door verweerder, uitgangspunt is de aard
van de werkzaamheden. De werkzaamheden van appellante bestaan
hoofdzakelijk uit grondverzet en verschillen in zoverre niet wezenlijk
van de werkzaamheden die bedrijven op het terrein van de grond-, weg- en
waterbouw plegen te verrichten. Het bij haar beroepschrift gevoegde
overzicht van de door appellante uitgevoerde werken wijst in hoofdzaak
op het verrichten van grondwerk. Hier komt bij dat, zoals in voormeld
basisdocument is aangegeven en door appellante niet is bestreden,
appellante zich in de Gouden Gids onder de rubriek “grondwerken”
presenteert als aannemer grond-, weg- en wegenbouw (GWW),
natuurbouwkundige cultuurtechnische werken en sloopwerken. Het
handelsregister vermeldt: aannemersbedrijf op het gebied van grond-,
water- en wegenbouw. Ook op internet presenteert appellante zich als een
bedrijf dat gespecialiseerd is in grond-, wegen- en waterbouw, loon- en
cultuurwerken en natuurbouwwerken. Voorts is appellante een erkend
leerbedrijf SBW (Stichting Beroepsopleiding Wegenbouw) waar aankomende
machinisten voor graafmachines, bulldozers, grondverzetmachines,
draglines etc. worden opgeleid.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden
verklaard.
De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en N.J. van
Vulpen-Grootjans en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 22 februari 2007.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) D. Olthof.
|
|