|
Uitspraak
99/3967 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A., wonende te B., gedaagde.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft eind oktober 1998 aan appellant (herhaald) verzocht om
vergoeding van studiekosten bij wijze van werkvoorziening.
Bij besluit op bezwaar van 6 mei 1999 heeft appellant dat verzoek met
toepassing van artikel 22 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) afgewezen op
de grond dat de gevraagde voorziening niet strekt tot bevordering van
gedaagdes arbeidsgeschiktheid in de zin van het eerste lid van die
bepaling.
Het door gedaagde tegen dat besluit ingesteld inleidend beroep is door
de President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij met
toepassing van artikel
8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewezen
uitspraak van 16 juli 1999 gegrond verklaard met opdracht aan appellant
tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van het in die
uitspraak overwogene.
Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
van die uitspraak in hoger beroep gekomen bij de Raad.
Namens gedaagde heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een
verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 augustus
1999. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr M.H.
Beersma, werkzaam bij Gak Nederland BV. Zijdens gedaagde is opgetreden
mr M.F. Vermaat, voornoemd en is voorts als deskundige verschenen A.H.R.
Stiekema, als projectmanager verbonden aan de Hogeschool Utrecht bij de
opleiding tot docent gebarentaal.
II. MOTIVERING
De aangevallen uitspraak bevat een uiteenzetting van de voor dit geding
van belang zijnde feiten en de door partijen in eerste aanleg ingenomen
standpunten, waarbij gedaagde is aangeduid als verzoekster en appellant
als verweerder, luidend voor zover hier van belang:
"Verzoekster is doof vanaf haar geboorte en niet in staat tot
verbale communicatie. Op zeer jonge leeftijd is zij met haar ouders
vanuit de Philipijnen in Beijing (China) terecht gekomen. Het gezin is
tien jaar geïnterneerd geweest in een 'compound', gedurende welke
periode onderwijs niet mogelijk was. Van 1978 tot 1981 heeft verzoekster
onderwijs gevolgd aan de Beijing No3 Deaf School en in 1981 is zij naar
Nederland gekomen. Zij had toen een forse onderwijsachterstand. Voor de
beroepsopleiding slaagde zij in 1992 voor het theoretisch gedeelte, maar
een praktijkplek was pas in 1997 bij het RIAGG gevonden. Van 1991 tot
1997 heeft zij in WSW-verband gewerkt als datatypiste gedurende 32 uur
per week.
In februari 1997 heeft zij de ECABO-opleiding voor bedrijfsadministratief medewerkster afgesloten met een diploma.
Bij brief van 15 december 1997 heeft zij verweerder verzocht haar met
toepassing van de (inmiddels vervallen) Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) in aanmerking te brengen voor een
tegemoetkoming in de kosten verbonden aan haar studie aan de Gallaudet
University te Washington, Vereniging Staten van Amerika, zijnde een
Universiteit voor doven. De studie is in eerste instantie gericht op het
verbeteren van het Engels en het aanleren van de Amerikaanse doventaal
en zal vervolgens zijn gericht op Computer Science and Computer Science
Information Technologie. Verzoekster is van mening dat deze studie haar
in de gelegenheid zal stellen om een volwaardige baan te vinden in het
vrije bedrijfsleven, waartoe de door haar gevolgde administratieve
opleiding haar in Nederland geen mogelijkheden biedt.
Bij beschikking van 26 mei 1998 heeft verweerder de aanvraag van
verzoekster afgewezen.
Verweerder heeft overwogen dat verzoekster zonder verdere studie in
staat is om zich een reële positie op de arbeidsmarkt te verwerven,
gelet op haar opleiding: typdiploma, administratieve opleiding op
middelbaar niveau, alsmede gelet op de omstandigheid dat verzoekster al
enkele jaren ervaring heeft in het arbeidsproces.
Bij besluit van 11 augustus 1998 heeft verweerder het tegen die
beschikking ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Bij Besluit van 13 oktober 1998 heeft verweerder aan verzoekster met
ingang van 3 juli 1986 een uitkering toegekend ingevolge de AAW,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De
uitkering is thans gebaseerd op de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong). De arbeidsdeskundige gaf als zijn mening te
kennen dat verzoekster niet geschikt was voor werk in het gewone
bedrijfsleven. De resterende verdiencapaciteit achtte hij nihil.
Op 30 oktober 1998 is namens verzoekster in het kader van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) herhaald verzocht om
vergoeding van voornoemde kosten.
Bij besluit van 30 december 1998 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Overwogen is dat de gewenste studie niet zal bijdragen tot herstel van
de arbeidsgeschiktheid. Op basis van dossierstudie heeft de
arbeidsdeskundige onder meer overwogen dat de communicatieve
vaardigheden van verzoekster ernstig beperkt zijn en dat zelfs
routinematig werk waarbij verbaal overleg of instructiemomenten
voorkomen niet lukt. De arbeidsdeskundige stelt dat bij werk op hoger
niveau nog méér overleg en instructiemomenten voorkomen en dat dit
zeker geldt voor werk in de automatiseringssfeer. Verzoekster was
inmiddels voor eigen rekening met de opleiding in Amerika gestart.
Bij brief van 5 januari 1999 is namens verzoekster een bezwaarschrift
ingediend. Op 24 maart 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het besluit van 6 mei 1999 heeft verweerder de beschikking van 30
december 1998 gehandhaafd. Overwogen is dat verzoekster niet voldoet aan
de in artikel 22, tweede lid, juncto eerste lid van de Wet Rea gestelde
voorwaarden.
Verweerder heeft bij dat standpunt in acht genomen de rapportage van de
bezwaararbeidsdeskundige d.d. 13 april 1999, die ondermeer heeft gerapporteerd:
"Wij kunnen binnen de gekozen systematiek van functieduiding
middels het Functie Informatie Systeem onvoldoende aannemelijk maken dat
verzekerde met haar handicap zonder meer inzetbaar is in het vrije
bedrijfsleven. Immers, in iedere geselecteerde functie (die overigens
primair geen communicatieve aspecten heeft) is in een bepaalde mate
verbale communicatie vereist. Gelet op de ook door mij tijdens de
hoorzitting geconstateerde zeer matige communicatieve vaardigheden,
zelfs mét doventolk, is verzekerde hiertoe niet in staat en wordt zij
m.i. terecht niet geschikt geacht tot uitoefening van deze functies. Dit
leidt tot de conclusie dat er sprake is van een volledige
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de zin van de AAW.
Verzekerde is in het bezit van een afgeronde opleiding tot datatypiste
en heeft in dit werk ruime werkervaring opgedaan in WSW-arbeid van 1991
tot 1997. Zij heeft hiermee aangetoond dat zij in staat is tot het
duurzaam realiseren van een verdiencapaciteit. Bovendien heeft zij na
afronden van de VSO/LHNO-opleiding in het vormingsjaar 88-89 nog een
tweetal stages gelopen als administratief medewerkster bij de Stichting
Ondersteuning Welzijn voor Ouderen en het Ministerie van Financiën,
beiden te Den Haag.
Het is niet mogelijk een redelijke prognose te bepalen ten aanzien van
de arbeidsgeschiktheid ná het voltooien van een opleiding aan de
Gallaudet University. Met name óf verzekerde in staat zal zijn de
opleiding goed af te ronden en óf de arbeidsmarkt informatica over 4
jaar gunstig is, is door niemand te voorspellen. Daarbij weet verzekerde
niet aan te geven welk soort werk ná de opleiding haar voorkeur heeft.
Tijdens de hoorzitting wordt als bijkomende scholingsmotivatie
ingebracht dat haar ambitieniveau hoger ligt dan de datatypiste in
beschutte omstandigheden.
Alles overwegende acht ik het niet voldoende aannemelijk dat de te
volgen opleiding aan de Gallaudet University leidt tot behoud, herstel
of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. De scholing is niet absoluut
noodzakelijk om op reële wijze aan het arbeidsproces te gaan deelnemen.
Het toekomstperspectief na eventuele afronding scholing is
dubieus."
Ter zitting is namens verzoekster naar voren gebracht dat de Gallaudet
University de enige universiteit is die geheel gericht is op de
opleiding van doven en dat alle studierichtingen daar worden gedoceerd.
In casu is dit voor verzoekster de enige mogelijkheid om op een hoger
niveau te geraken. Verzoekster ziet een toekomst in een visueel beroep
in de automatiseringsbrache, met name in de richting van desktop
publishing. Daarin zou zij heel goed aan de slag kunnen."
Gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting
neemt ook de Raad voormelde feiten, die door partijen niet zijn
bestreden, als vaststaand aan.
Daaraan voegt de Raad toe dat de afwijzing van de eerder door gedaagde
op 15 december 1997 in het kader van artikel 57, eerste lid, (oud) van
de AAW gedane aanvraag is gebaseerd op onderzoeksbevindingen van de bij
de behandeling van die aanvraag betrokken arbeidsdeskundige Tijmensma.
Die kwam blijkens zijn rapport van 22 mei 1998 tot de conclusie dat
gedaagde met haar in Nederland afgeronde administratieve opleiding op
middelbaar niveau en gezien de door haar (weliswaar in WSW-verband)
opgedane werkervaring in staat is zich een reële positie op de
arbeidsmarkt te verwerven waarbij zij is aangewezen op routinematig werk
met weinig aspecten van verbale communicatie.
De conclusie van deze arbeidsdeskundige is tot stand gekomen na een
onderhoud met gedaagde en met inachtneming van het destijds met
betrekking tot gedaagde opgesteld belastbaarheidspatroon en de daarop
aansluitende arbeidsmogelijkhedenlijst met bijbehorende beschrijvingen
van eenvoudige administratieve functies waarbij mondelinge communicatie
slechts in geringe mate is vereist.
In het spoor van de zojuist vermelde bevindingen van de
arbeidsdeskundige Tijmensma is namens appellant aan gedaagde bij besluit
op bezwaar van 11 augustus 1998 meegedeeld dat de eerdere afwijzing van
26 mei 1998 bleef gehandhaafd. Daarbij werd voorop gesteld dat gedaagde,
gezien haar tot dan toe gevolgde opleiding als bedrijfsadministratief
medewerkster op middelbaar niveau, in staat is te achten zich ook zonder
verdere studie een reële positie op de arbeidsmarkt te verwerven.
Eveneens onder dagtekening 11 augustus 1998 werd gedaagde door de
arbeidsdeskundige Muller bij wijze van vooraankondiging in het kader
van de schatting van haar arbeidsongeschiktheid in de zin van onder meer
de Wajong, er van in kennis gesteld dat zij door de uit haar handicap
voortvloeiende beperkingen op de vrije arbeidsmarkt niet kan
functioneren en derhalve bij gebreke van enige verdiencapaciteit
volledig arbeidsongeschikt is.
Laatstvermelde visie berust op een spreekuurcontact van 10 augustus 1998
waarbij de betrokken verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige Muller
constateerden dat gedaagde door haar handicap nauwelijks in staat is te
communiceren. In verband daarmee concludeerden zij dat nagenoeg alle
naar hun aard voor haar in beginsel in aanmerking komende eenvoudige
administratieve functies uit het FIS-systeem voor gedaagde niet
toegankelijk zijn nu daarbij vrijwel altijd wel enige verbale
communicatie is vereist, onder meer bij werkopdrachten en telefonische
contacten.
Blijkens zijn ten behoeve van haar reïntegratie uitgebracht rapport van
12 augustus 1998 acht de arbeidsdeskundige Muller gedaagde niet
inzetbaar op de vrije arbeidsmarkt en uitsluitend bemiddelbaar naar werk
in Wsw-verband. Scholing via universitaire studie op het gebied van
computers leidt naar zijn mening niet tot een betere arbeidsmarktpositie
voor gedaagde daar banen op hoger niveau vrijwel altijd meer
communicatieve vaardigheden vergen.
Laatstgenoemde arbeidsdeskundige is vervolgens eveneens in het kader van
de thans in geding zijnde (herhaalde) aanvraag van 30 oktober 1998
betrokken. Zijn rapport van 8 december 1998 alsmede het daarop gebaseerd
primair besluit van 30 december 1998 behelzen zijn hiervoor vermelde
visie met betrekking tot gedaagdes handicap als beletsel voor haar
inzetbaarheid anders dan in Wsw-verband.
Namens gedaagde is in bezwaar, onder andere met verwijzing naar de
eerder aan de arbeidsdeskundige Tijmensma verstrekte informatie over de
door gedaagde beoogde vervolgstudie aan de Gallaudet Universiteit,
uiteengezet dat bij de specifiek op doven toegesneden opleiding aan dat
instituut bevordering van communicatieve vaardigheden en de
inzetbaarheid op de vrije arbeidsmarkt centraal staan en dat met
betrekking tot die vaardigheden hier te lande geen adequaat alternatief
bestaat. Tevens is aangevoerd dat de door gedaagde geambieerde
automatiseringsbranche steeds vaker ook voor doven hanteerbare
communicatiemethoden kent waardoor juist die branche, mede gezien de
daar aanwezige werkgelegenheidsvooruitzichten, ook voor in die richting
goed opgeleide doven toegankelijk wordt.
Het thans bestreden besluit van 6 mei 1999 berust op de hierboven eerder
weergegeven overwegingen uit de rapportage d.d. 13 april 1999 van de
bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst.
Bij de aangevallen uitspraak is het tegen die beslissing ingestelde
beroep gegrond verklaard. Daartoe is onder meer geoordeeld dat voormelde
arbeidsdeskundige, en in diens voetspoor appellant, te lichtvaardig tot
zijn conclusies inzake de kansen van gedaagde op een arbeidsplaats is
gekomen. Tevens is bij die uitspraak overwogen dat gezien de
omstandigheid dat volgens appellant geen gangbare arbeid aan gedaagde
kan worden geduid en voorts gezien de onzekerheid omtrent het
voortbestaan van functies als datatypiste, de onderhavige opleiding
leidt tot bevordering van gedaagdes arbeidsgeschiktheid.
In hoger beroep hebben partijen hun in eerste aanleg ingenomen
standpunten goeddeels herhaald.
Zijdens appellant is er ter toelichting van het bestreden besluit op
gewezen dat de in artikel 57 en 57a (oud) van de AAW opgenomen
(werk)voorzieningen al dan niet onder dezelfde naam zijn opgenomen in de
Wet Rea en dat met die wet is beoogd de bestaande reïntegratie-instrumenten,
waaronder de werkvoorzieningen, te bundelen met toevoeging van enkele
nieuwe instrumenten in de vorm van een budget. Omdat de Wet Rea onder
meer voortzetting van de AAW-werkvoorzieningen ten doel heeft gaat
appellant er van uit dat de onder de vigeur van artikel 57, eerste lid,
(oud) van de AAW gehanteerde (beleids)criteria kunnen worden voortgezet
zoals bij het thans bestreden besluit is geschied.
Namens gedaagde is het in de aanhef van de Wet Rea vermelde oogmerk van
de wetgever om de (re)integratie van arbeidsgehandicapten te stimuleren
benadrukt en is de gestelde zich doorzettende werkgelegenheid in de
informaticabranche nader geadstrueerd.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge het eerste lid in samenhang met het tweede lid, aanhef en
onder a van artikel 22 van de Wet Rea is appellant bevoegd om - kort gezegd
-
aan een arbeidsgehandicapte voorzieningen met betrekking tot scholing
toe te kennen, onder meer ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
Appellant is bij de beantwoording van de in verband met gedaagdes
aanvraag van 30 oktober 1998 aan de orde zijnde vraag, te weten of met
een redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat met de door
gedaagde beoogde studie een adequate compensatie kan worden verkregen
van het door haar handicap veroorzaakte verlies aan verdienvermogen, in
hoofdzaak afgegaan op het hiervoor vermeld categorisch oordeel met
betrekking tot gedaagdes arbeidsongeschiktheid en het daarop aansluitend
reïntegratietraject richting Wsw-arbeid.
Bij die laatste beoordeling stond de zienswijze centraal dat gedaagde
als gevolg van haar niet voor verbetering vatbaar geacht gebrekkig
communicatievermogen op de vrije arbeidsmarkt geen reëel aanbod is,
ook voor functies die overigens, gezien de door haar reeds afgeronde
administratieve opleiding respectievelijk beoogde studie in de
informatica, voor haar in beginsel geschikt zijn of kunnen worden.
Uitgaande van die zienswijze heeft appellant bij het thans bestreden
besluit aan zijn afwijzend standpunt met betrekking tot gedaagdes
verzoek vastgehouden zonder gericht onderzoek naar de inhoud en de opzet
van de door haar beoogde studie en de daarvan gelet op haar inzet,
aanleg en ervaring mogelijk te verwachten toename van haar
communicatievermogen tot een niveau dat nodig is om op de vrije
arbeidsmarkt in administratieve functies of in de informaticabranche aan
de slag te raken. Appellant heeft zich er ook verder niet of nauwelijks
van vergewist of en in hoeverre de door gedaagde beoogde studie voor
haar tot een reële verhoging zal leiden van haar kansen op verwerving
van een duurzaam verdienvermogen in de automatiseringsbranche. Zo is het
inwinnen van informatie van een deskundige met betrekking tot de
scholing van doven achterwege gebleven.
Mede bezien tegen de achtergrond van de met de invoering van de Wet Rea beoogde stimulering van de integratie van arbeidsgehandicapten in de
vrije arbeidsmarkt kan niet gezegd worden dat appellant in voldoende
mate de voor het nemen van het thans bestreden besluit nodige kennis
omtrent de relevante feiten en omstandigheden heeft vergaard. Daarnaast
komt uit de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering
van de bezwaararbeidsdeskundige niet goed uit de verf welke maatstaf is
aangelegd en welk element daarbij beslissend is geacht voor de
onderhavige afwijzing. Voorts is die motivering niet consistent in
zoverre gedaagde enerzijds wordt aangemerkt als volledig ongeschikt voor
het verrichten van functies op de arbeidsmarkt en anderzijds wel in
staat wordt geacht tot het duurzaam realiseren van verdiencapaciteit.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit dient te worden
vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel respectievelijk
het beginsel dat een besluit moet berusten op een deugdelijke
motivering, welk beginselen zijn verankerd in artikel 3:2
respectievelijk artikel 3:46 van de Awb. De thans voorhanden gegevens,
daaronder begrepen hetgeen door partijen in eerste aanleg en in hoger
beroep is aangevoerd, geven de Raad geen aanleiding voor een ander dan
het zojuist vermeld oordeel. Het is derhalve aangewezen dat gedaagde
zich nader beraadt omtrent de vraag of, en zo ja, in hoeverre, aan het
verzoek van gedaagde tegemoet dient te worden gekomen.
Mede gelet op het vorenoverwogene acht de Raad voorts termen aanwezig om
op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze worden begroot op f
1.420,-- als kosten voor rechtsbijstand. Andere voor vergoeding op grond
van die bepaling vatbare kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de
Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 675,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende;
Vernietigt het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak
voorzover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande
dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het
in deze uitspraak van de Raad overwogene;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
f 1.420,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Verstaat dat van het Lisv een recht van f 675,-- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. D.J. van der Vos
en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van 't
Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 1999.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) M. van 't Klooster.
|
|