|
Uitspraak
00/2594 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 19 februari 1999 heeft gedaagde de bezwaren van
appellant tegen het primaire besluit van 3 december 1998, waarbij
gedaagde appellants aanvraag om een starterskrediet ingevolge artikel 30
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) ten
behoeve van het opstarten van een Grieks eethuis heeft afgewezen,
ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen:
"Artikel 30 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
bepaalt dat ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal van een
arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 10, die werkzaamheden als
zelfstandige gaat verrichten bij algemene maatregel van bestuur regels
kunnen worden gesteld met betrekking tot de verstrekking door het Lisv
van gelden in de vorm van een lening of het door het Lisv verlenen van
borgtocht, alsmede omtrent de aard en de omvang van de activiteiten en
de aan de subsidie te verbinden verplichtingen. Bij deze AMvB kan worden
bepaald, dat de uitvoeringsinstelling bij wie de aanvraag voor gelden of
borgtocht als bedoeld in de eerste zin wordt ingediend, alvorens over te
gaan tot toekenning namens het Lisv, advies vraagt aan derden over het
door een arbeidsgehandicapte over te leggen bedrijfsplan waaruit de
levensvatbaarheid van het bedrijf of de voorgenomen zelfstandige
uitoefening van een beroep blijkt.
Artikel 2 van het Besluit van 27 juli 1998 tot vaststelling van een AMvB
als bedoeld in artikel 30 van de Wet Rea (het Besluit starterskrediet
arbeidsgehandicapten) bepaalt dat het Lisv op aanvraag van een
arbeidsgehandicapte ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal
een lening van ten hoogste f 60.000,-- kan verlenen indien: a. de
arbeidsmarktpositie van de arbeidsgehandicapte daartoe aanleiding geeft;
b. de arbeidsgehandicapte de persoonlijke vaardigheden heeft die
noodzakelijk zijn om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken; c. de
arbeidsgehandicapte voldoende vakbekwaam is om als zelfstandig
ondernemer te kunnen werken; d. de arbeidsgehandicapte een bedrijfsplan
heeft ingediend, (...) voorzien van een winstprognose, aan de hand
waarvan de haalbaarheid en de levensvatbaarheid van de op te richten
onderneming kan worden beoordeeld.
De bezwaararbeidsdeskundige (BAD) heeft de persoonsgebonden criteria
(zoals de algemene vakbekwaamheid en de algemene vaardigheden) en de
bedrijfsgerelateerde voorwaarden getoetst.
Tot de bedrijfgerelateerde voorwaarden behoren: a. de haalbaarheid: aan
de hand van een bedrijfsplan zal de haalbaarheid van de oprichting van
een levensvatbaar bedrijf door het Lisv moeten worden getoetst; b. de
winstprognose: op basis van het haalbaarheidsonderzoek moet door de
arbeidsgehandicapte een winstprognose worden opgesteld; c. beslissing
van een particuliere bankinstelling: de beslissing van een bank om geen
krediet te verlenen dient te worden bezien op de motivering. Indien een
bank om bedrijfseconomische redenen niet tot kredietverstrekking wil
overgaan moeten er andere dringende redenen zijn voor de uvi om een
verzoek tot kredietverlening alsnog in behandeling te nemen (zie de nota
van toelichting bij het Besluit).
Ingevolge artikel 3 van het Besluit vraagt het Lisv alvorens een besluit
te nemen advies aan een door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid erkende adviesinstelling. Volgens de Nota van
Toelichting bij het Besluit dient het Lisv zich, waar het de
bedrijfseconomische aspecten van de beoordeling betreft, te laten
adviseren door (o.a.) het Instituut voor het Midden en Kleinbedrijf (IMK).
Vaststaat dat het Lisv alle bedrijfsgerelateerde voorwaarden heeft
getoetst en dat het IMK in casu negatief heeft geadviseerd over de
haalbaarheid van de oprichting van een levensvatbaar bedrijf. Vaststaat
ook dat de geadresseerde bankinstelling om bedrijfseconomische redenen
niet tot kredietverstrekking wil overgaan en er zijn voor de
uitvoeringsinstelling in feite geen dringende redenen om aan uw verzoek
te voldoen.
Naar de mening van de BAD heeft de beoordeling door de AD zeer
zorgvuldig en conform de wet en het Besluit plaatsgevonden. De AD heeft
duidelijk uitgelegd wat de inhoud van het rapport van het IMK was en hoe
de conclusies luidden.
Het officiële ondernemingsplan dateert van 15 september 1998. Het IMK
heeft dit ondernemingsplan bij zijn adviesvorming betrokken. Dit blijkt
uit de in stuk 12.16 genoemde omzet in 2000, te weten f 556.000,--, welk
bedrag ook wordt genoemd in het ondernemingsplan (stuk 5.18). Tijdens de
hoorzitting wordt door uw gemachtigde erkend dat het IMK het
ondernemingsplan van 15 september 1998 bij de adviesvorming heeft
betrokken.
Naar aanleiding van het verhandelde tijdens de hoorzitting en de
ontvangst van het diploma Sociale Vaardigheden en Hygiëne heeft
ondergetekende de heer Verhoeven van IMK benaderd of er aanleiding is
het advies van IMK te wijzigen.
Bij brief van 17 februari 1999 deelt de heer Verhoeven het volgende mee:
Voor het exploiteren van een restaurant is (ook) het diploma Algemene
Ondernemersvaardigheden vereist. Indien de ondernemer of diens
echtgenoot niet zelf een AOV-diploma hebben, dient degene die wel over
het diploma beschikt tijdens openingsuren in het bedrijf aanwezig te
zijn. Door u is bij de behandeling van de aanvraag aangegeven dat het
vereiste (AOV-)diploma door een derde wordt ingebracht. Deze derde komt
dan direct op de loonlijst van het bedrijf. In de begroting moet dus
rekening worden gehouden met loonkosten. Het diploma Sociale
Vaardigheden en Hygiëne (SVH-verklaring) is niet voldoende voor het
verkrijgen van een vestigingsvergunning van de Kamer van Koophandel.
Bovendien is het niet bezitten van een AOV-diploma een reden om te
stellen dat u (nog) niet voldoende vakbekwaam bent om een onderneming te
drijven en dient om die reden uw aanvraag te worden afgewezen.
Uit de branchegegevens van het bedrijfschap Horeca blijkt dat de
gemiddelde omzet per kracht bij café-restaurants ligt op f 101.400,--
per kracht. Voor het behalen van een omzet van ca. f 300.000,-- is een
personele bezetting noodzakelijk van 3 medewerkers (inclusief de
ondernemer). Als door uw echtgenote en uw zuster in het bedrijf
meegewerkt kan worden zullen de personeelskosten afnemen. Er blijft dan
een betaalde kracht nodig om een omzet van f 300.000,-- te realiseren.
De gemiddelde personeelskosten zijn f 34.800,-- per arbeidsjaar.
Geconcludeerd wordt door de heer Verhoeven dat door de inbreng van
arbeid door uw echtgenote en uw zuster de personeelskosten zullen dalen.
Echter, ook dan zal het bedrijfsresultaat bij een omzet van f 300.000,--
nog steeds negatief zijn. De verlaging van de personeelskosten zijn
derhalve niet van invloed op de conclusie ten aanzien van de
levensvatbaarheid van het bedrijf. Er is een omzet nodig van f
437.300,-- om van levensvatbaarheid te kunnen spreken. Deze omzet zal
volgens de heer Verhoeven niet worden gehaald en dus zal de voornoemde
besparing op de personeelskosten niet leiden tot reële
levensvatbaarheid. Ook de door u aangegeven besparing op de auto en de
scooter is niet dusdanig (marginale besparingen) dat een en ander
verandert, volgens de heer Verhoeven.
Aldus is er, ook naar aanleiding van de op de hoorzitting verstrekte
informatie en het mondelinge en schriftelijke commentaar daarop van de
heer Verhoeven van het IMK, geen reden om het bezwaar gegrond te
verklaren".
Het vanwege appellant tegen dat besluit (hierna: het bestreden besluit)
ingesteld beroep is door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht bij
uitspraak van 21 maart 2000 ongegrond verklaard.
Vanwege appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad. Gedaagde
heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april
2001. Voor appellant is opgetreden mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht
terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. de Maar,
werkzaam bij Gak Nederland BV.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft, in aanmerking genomen de in de aangevallen uitspraak
neergelegde uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde
feiten, rechtsregels en de door partijen ingenomen standpunten, de bij
het bestreden besluit gehandhaafde weigering om in het kader van de Wet
Rea aan appellant een starterskrediet toe te kennen, in stand gelaten.
Daarbij is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat ten tijde in geding
onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen bestonden dat appellants
onderneming levensvatbaar zou zijn als is vereist ingevolge het bepaalde
bij en krachtens artikel 30 van de Wet Rea.
Mede gelet op de duidelijke en eenduidige bevindingen van de door de
betrokken registerarbeidsdeskundige M.H. van den Brink, de
bezwaararbeidsdeskundige J.G. van Dreumel en het - onafhankelijk -
Instituut voor het Midden en Kleinbedrijf (IMK) terzake uitgebrachte
rapporten en adviezen van 15 oktober 1998 en 4 november 1998
respectievelijk 23 november 1998, 10 februari 1999 en 17 februari 1999,
onderschrijft de Raad de in de aangevallen uitspraak neergelegde
overwegingen en slotsom. De Raad voegt daar aan toe dat een
uitvoeringsorgaan zich in het kader van de Wet Rea in de regel op in
concreto verkregen adviezen van het IMK mag verlaten.
Naar uit de zojuist vermelde rapporten van het IMK valt af te leiden is
bij de opstelling daarvan gemotiveerd ingegaan op de door appellant
gepresenteerde en nader toegelichte ondernemingsplannen. De Raad stelt
voorts vast dat die rapporten en de daarop gebaseerde conclusies niet
alleen goed gedocumenteerd maar ook volledig toegesneden zijn op de
hantering van de bij en krachtens voormelde bepaling van de Wet Rea van
toepassing zijnde - objectieve - criteria.
Bijgevolg kan het bestreden besluit, bezien zowel naar de inhoud als wat
betreft de wijze van totstandkoming daarvan, in rechte stand houden.
Zulks temeer nu appellant zelf ten tijde van het bestreden besluit nog
niet in het bezit was van het voor het drijven van een restaurant
vereiste diploma Algemene ondernemersvaardigheden en, naar zijdens
gedaagde ter zitting van de Raad onweersproken is gesteld, de
onderneming van appellant kennelijk wegens onvoldoende rendement
inmiddels is beëindigd.
Het ingestelde hoger beroep faalt derhalve.
De Raad ziet - ten slotte - geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspaak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2001.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) A.H. Huls.
|
|