|
Uitspraak
01/2019 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te
Amsterdam, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 juni 2000 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een
voorziening in de vorm van een laptop te verstrekken.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 31 oktober 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 15 februari 2001 ongegrond
verklaard.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 juni 2001, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.L. Nieuwenhuis,
werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar gedaagde is vertegenwoordigd
door zijn vader [C.].
II. MOTIVERING
In geschil is of het bestreden besluit, waarbij de weigering om aan
gedaagde een laptop en printer te verstrekken is gehandhaafd, op goede
gronden door de rechtbank is vernietigd.
De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde is een ten tijde van de aanvraag 14-jarige jongen, die lijdt
aan een progressieve spierziekte. Als gevolg van door zijn spierziekte
veroorzaakt krachtverlies in de armen en handen is hij nauwelijks in
staat om te schrijven. Voor schriftelijk werk is hij aangewezen op een
computer.
Hij volgt sinds september 1999 speciaal onderwijs aan de voortgezet
speciaal onderwijsschool [X.] te [Y.]. Hij krijgt daar onderricht in de
vakken Nederlands, Duits, Engels, rekenen en enkele vakken in de
grafische richting, waarbij het gebruik van de softwareprogramma's
Coreldraw en Fotopaint gedoceerd wordt. Doordeweeks verblijft gedaagde
op het aan [X.] verbonden internaat.
In de weekends, die gedaagde bij zijn vader verblijft, heeft hij een
computer ter beschikking. De bestanden die hij nodig heeft om thuis te
kunnen oefenen met genoemde softwareprogramma's zijn naar zijn mening te
groot om op diskette mee te nemen. Op het internaat, waar hij
doordeweeks verblijft, is een beperkt aantal naar appellant stelt
verouderde computers beschikbaar.
Bij brief van 13 december 1999 heeft I. Janssen-Huijs, ergotherapeut bij
[X.], ten behoeve van gedaagde bij appellant een aanvraag ingediend voor
een laptop voor het maken van aantekeningen in de klas en het maken van
huiswerk. Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige Uijen de Kleijn
van 24 april 2000 heeft de klassedocent van gedaagde, P. de Bont,
verzocht gedaagde de gevraagde laptop ter beschikking te stellen voor
persoonlijk gebruik in en buiten de klas, om thuis te kunnen oefenen in
de grafische software en ook voor zijn persoonlijke correspondentie.
Appellant heeft dit verzoek afgewezen, omdat er geen noodzaak is voor
het maken van schriftelijk huiswerk, appellant niet bevoegd is
voorzieningen in de leefsfeer te verstrekken en omdat voor het oefenen
van schoolse vaardigheden de school verantwoordelijk is.
Voor de beoordeling van dit geding is de volgende (beleids)regelgeving
van belang.
In de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea) is
onder meer het volgende bepaald:
"Artikel 11
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft mede tot taak te
bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene (...)
vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien
het een persoon betreft die:
a. jonger is dan 17 jaar;
(..)
Artikel 22
(...)
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan op aanvraag aan de
persoon, bedoeld in artikel 11, voorzieningen toekennen die hem in staat
stellen onderwijs te volgen.
(...)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking
tot dit artikel nadere regels gesteld."
Nadere regels als bedoeld in artikel 22, zesde lid van de Wet Rea zijn
gesteld in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea (hierna: het
Besluit). Artikel 9 van het Besluit luidt als volgt:
"Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, vierde
lid van de Wet Rea worden niet verstaan:
a. voorzieningen op het gebied van onderwijs die behoren tot de
verstrekkingen waarvoor een regeling is getroffen onder
verantwoordelijkheid van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen.
(...)."
In de toelichting op artikel 9 van het Besluit is onder meer het
volgende opgenomen:
"Artikel 22, vierde lid van de Wet, ziet op de toekenning van
voorzieningen aan jongeren met een handicap, die hun in staat moeten
stellen om evenals hun niet gehandicapte leeftijdgenoten onderwijs te
volgen, zodat zij zich kunnen ontplooien en voorbereiden op toetreding
tot de arbeidsmarkt. Uit de combinatie van artikel 11 van de Wet, en
artikel 22, vierde lid van de Wet, vloeit voort dat deze
onderwijsvoorzieningen er op zijn gericht, de belemmeringen die een
jongere vanwege zijn handicap ondervindt bij het volgen van onderwijs
weg te nemen.
(...)
Artikel 9 van dit besluit heeft tot doel de toekenning van
onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 22, vierde lid van de Wet
nader af te grenzen. Met dit artikel wordt zoveel mogelijk beoogd
voortzetting te geven aan het op artikel 9 van het Besluit
AAW-voorzieningenverstrekking gebaseerde uitvoeringsbeleid.
Bepaald is dat niet tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 22, vierde
lid van de Wet worden gerekend, voorzieningen die behoren tot de
verstrekkingen waarvoor een regeling is getroffen onder de
verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen (OC&W). Het speciale onderwijs is als een dergelijke
regeling te beschouwen. Om precies te zijn gaat het om onderwijs aan
scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal
onderwijs dan wel scholen voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs. De bekostigingsregelingen van het Ministerie van OC&W van
dit onderwijs, zijn uitsluitend gericht op voorzieningen binnen de
school. Daarom kunnen aan kinderen die dit onderwijs volgen op grond van
artikel 22, vierde lid van de Wet wel voorzieningen worden verstrekt die
in de thuissituatie nodig zijn om huiswerk ten behoeve van bedoeld
onderwijs te kunnen maken.
Voorts vloeit uit deze bepaling voort dat indien een voorziening naar
aard en strekking onder een regeling valt die is getroffen door de
Minister van OC&W, die voorziening op grond van deze Wet niet kan
worden verstrekt, ook al voorziet de desbetreffende regeling niet in de
verstrekking van die voorziening ten behoeve van het onderwijs waarop de
regeling betrekking heeft."
Het Lisv heeft ter zake van de verstrekking van computervoorzieningen
voor het volgen van onderwijs beleid geformuleerd, dat is vastgelegd in
de bijlage bij de Regeling computervoorzieningen in het onderwijs 1999
(hierna: de Regeling).
In deze bijlage staat, voorzover voor de beoordeling van deze zaak van
belang, het volgende:
"Op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en
het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea is het Lisv bevoegd om
voorzieningen te verstrekken voor het volgen van onderwijs. Deze
voorzieningen kunnen bestaan in verschillende vormen, waaronder
voorzieningen in de vorm van (vergoedingen voor) hulpmiddelen nodig voor
het verblijf op school, voor het volgen van onderwijs of voor het
voorbereiden en uitwerken van lessen of werkstukken en dergelijke buiten
de school, in het algemeen bij de betrokkene thuis. Een veel voorkomend
hulpmiddel voor gehandicapten is een computer al dan niet met
randapparatuur en aanpassingen. De computer wordt verstrekt als
voorziening voor het schrijven c.q. om pen en papier te vervangen. Voor
het volgen van onderwijs zijn onderwijsleermiddelen nodig die dienen om
leerstof aan te bieden en kennis en vaardigheden te oefenen. Het is aan
de school om het onderwijsleerproces met passende methodieken en
middelen vorm te geven. De school dient de leerboeken en overige
onderwijsleermiddelen die op school gebruikt worden ook beschikbaar te
stellen om thuis mee te oefenen. De computer wordt in het reguliere
basis- en vervolgonderwijs steeds meer gebruikt als een
onderwijsleermiddel. Als gevolg daarvan heeft zich een wijziging
voorgedaan in de aanvragen van de cliënt. De vraag naar laptops voor
het maken van huiswerk nam toe, de voorzieningen in het speciale
onderwijs worden in een vroeger stadium aangevraagd en ook de vraag in
het beroeps-, HBO- en universitair onderwijs is gewijzigd. Het Lisv heeft
gemeend met dit besluit tegemoet te komen aan de maatschappelijke
ontwikkelingen in deze. Het beleid zal er als volgt uitzien.
Op grond van de Wet Rea en het bijbehorende 'Reïntegratie-instrumentenbesluit'
is het mogelijk om voorzieningen te verstrekken voor het volgen van
onderwijs. De computervoorzieningen vormen daar een onderdeel van. De
maatschappelijke ontwikkelingen in deze en de daarmee veranderde vraag
van leerlingen naar computervoorzieningen waren voor het Lisv-bestuur
aanleiding dit beleid opnieuw te bezien en een aantal onderdelen te
verruimen. Het beleid met betrekking tot computervoorzieningen in het
onderwijs is gewijzigd ten aanzien van de volgende onderdelen.
- De huiswerkcomputer voor het speciale onderwijs kan worden verstrekt
vanaf groep 3 in plaats vanaf groep 7, onder voorwaarde dat de leerling
op school heeft leren omgaan met de aangepaste computer.
- In plaats van verstrekking van een stationaire computer voor het maken
van huiswerk in het speciale onderwijs, is het nu ook mogelijk om een
draagbare computer te verstrekken.
Deze verruiming van het beleid betekent niet dat alle uitstaande
stationaire computers ineens vervangen kunnen worden voor draagbare
uitvoeringen. In de regel zal pas vervangen kunnen worden als deze
configuraties functioneel en economisch aan vervanging toe zijn."
Appellant acht zich primair niet bevoegd in het kader van de Wet Rea de
gevraagde voorziening te verstrekken. Alleen in de situatie dat een
leerling thuis huiswerk dient te maken en dit zonder computer niet kan
als gevolg van zijn handicap, welk huiswerk andere kinderen zonder die
specifieke handicap wel kunnen maken, bestaat er in de visie van
appellant in het kader van de Wet Rea de mogelijkheid een computer te
verstrekken. In het onderhavige geval is er volgens appellant geen
sprake van de (noodzaak tot) het maken van huiswerk, maar van het
oefenen met "zware" software in het kader van een
automatiseringsopleiding, waarbij de school er vanuit dient te gaan dat
óf de leerling over een adequate computer beschikt óf door de school
een computer als leermiddel ter beschikking wordt gesteld indien
speciale eisen aan de orde zijn. Appellant neemt subsidiair het
standpunt in, dat, ook al zou hij terzake wel bevoegd zijn, dan niet is
voldaan aan de voorwaarden van de Regeling, aangezien er geen sprake is
van de (noodzaak tot) het maken van huiswerk.
Namens gedaagde is aangevoerd dat hij zich wil bekwamen in de grafische/automatiseringsbranche
en daarvoor op school voorbereidende vakken volgt. De paar uren die hij
daarvoor op school beschikbaar heeft zijn onvoldoende om zich in de
programma's te bekwamen. Volgens gedaagdes gemachtigde heeft appellant
nagelaten om te onderzoeken hoe het hedendaags speciaal onderwijs is
vorm gegeven. Het onderwijs vindt op [X.], anders dan in het reguliere
onderwijs niet klassikaal maar individueel plaats, waarbij er geen
sprake is van klassikaal opgegeven huiswerk, maar van - niet strikt
verplicht - huiswerk, dat per leerling en afhankelijk van de
mogelijkheden wordt opgegeven. Ter zitting heeft gedaagdes gemachtigde
onder meer aangevoerd dat gedaagde voor Engels en Duits wel eens
huiswerk moest maken. Dit lag meer in de sfeer van aanmoedigen dan van
moeten. Naar de mening van gedaagdes gemachtigde is de school niet
verder verantwoordelijk voor de ontwikkeling van schoolse vaardigheden
dan tot de deur van het klaslokaal.
De Raad overweegt als volgt.
Vaststaat dat gedaagde is aan te merken als een persoon als bedoeld in
artikel 11 van de Wet Rea.
Ten aanzien van de in artikel 22, vierde lid van de Wet Rea aan het Lisv
gegeven bevoegdheid om onderwijsvoorzieningen te verstrekken gelden twee
beperkingen. Allereerst vloeit uit de samenhang met artikel 11 van de
Wet Rea voort dat het Lisv slechts bevoegd is onderwijsvoorzieningen toe
te kennen die erop gericht zijn de belemmeringen die een jongere vanwege
zijn handicap ondervindt bij het volgen van onderwijs weg te nemen. Voor
het bestaan van de bevoegdheid van het Lisv is derhalve vereist dat er
een rechtstreeks verband bestaat tussen de ondervonden belemmeringen en
de ziekte of het gebrek van betrokkene.
Op de tweede plaats volgt uit artikel 9 van het Besluit en de daarbij
behorende toelichting dat de gevraagde onderwijsvoorziening niet mag
behoren tot de verstrekkingen waarvoor een regeling is getroffen onder
verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen of die naar aard en strekking onder een zodanige regeling
vallen. Het speciaal onderwijs is als een dergelijke regeling te
beschouwen. Concreet betekent dit dat het Lisv bevoegd is aan
gehandicapte kinderen die speciaal onderwijs volgen voorzieningen te
verstrekken die in de thuissituatie nodig zijn om de belemmeringen op te
heffen die zij als gevolg van hun handicap bij het maken van huiswerk
ten behoeve van dat onderwijs ondervinden.
Hieruit volgt dat appellant, voorzover het verzoek betrekking heeft op
het voorgenomen gebruik van de laptop voor het volgen van onderwijs in
school, zich terecht onbevoegd heeft geacht om de voorziening te
verstrekken. Dit geldt evenzeer, voorzover het verzoek betrekking heeft
op gebruik in de sfeer van de communicatie, aangezien ten aanzien van
een dergelijke verstrekking de zorgverzekeraar op grond van de Regeling
hulpmiddelen 1996 het bevoegde bestuursorgaan is.
Uit de bijlage bij de Regeling blijkt dat appellant ter zake van het
verstrekken van een (draagbare) computer het beleid voert dat deze wordt
verstrekt als een voorziening voor het schrijven c.q. om pen en papier
te vervangen, noodzakelijk in verband met het maken van huiswerk. Ter
zitting is van de zijde van appellant meegedeeld dat dit laatste zo
wordt uitgelegd, dat er sprake moet zijn van een noodzaak tot het maken
van huiswerk vanuit het schoolprogramma, waarbij de betrokken leerling
verplicht is voor een bepaalde datum het werk af te hebben, en waarbij
ook controle daarop plaatsvindt.
Naar het oordeel van de Raad kan niet gezegd worden dat appellant
redelijkerwijze niet tot de vaststelling van dit beleid heeft kunnen
komen. Het namens gedaagde aangevoerde argument dat er bij speciaal
onderwijs, zoals dat op [X.] wordt geboden, geen sprake is van
klassikaal, maar van individueel onderwijs, waarbij het opgeven van
onverplicht huiswerk per leerling en afhankelijk van de mogelijkheden
plaatsvindt, brengt de Raad, gelet op de wettelijke taakafbakening
tussen het terrein van onderwijs en het door de Wet Rea bestreken
terrein, niet tot een ander oordeel.
De feitelijke situatie in het geval van gedaagde beoordeelt de Raad als
volgt.
Gedaagde volgde ten tijde van belang zogeheten AVO-vakken als
Nederlands, Duits, Engels en rekenen, en grafische vakken. Blijkens het
rapport van de arbeidsdeskundige G.W. Uijen de Kleijn van 25 april 2000
heeft de klassedocent van gedaagde, P. de Bont, hem meegedeeld, dat
gedaagde geen schriftelijk huiswerk hoefde te maken voor de AVO-vakken.
Wel zou men volgens deze docent thuis oefenen in gebruik van software
als huiswerk willen opgeven. Ter zitting heeft gedaagdes vader
aangegeven dat hij wel eens huiswerk heeft moeten maken voor Engels en
Duits, maar dat dit meer in de sfeer van aanmoedigen ligt dan van
"moeten maken". Uit de schoolverklaring van W. Burgers,
clustermanager bij VSO-school [X.], leidt de Raad af dat er tot op dat
moment in de onderwijsrelatie met gedaagde geen sprake was van regulier
verplicht huiswerk. Ten aanzien van de grafische/automatiseringsvakken
blijkt uit genoemde schoolverklaring dat als voordeel van de laptop
wordt gezien dat het hiermee mogelijk is thuis meer ervaring op te doen.
Door gedaagdes vader is voorts ter zitting bevestigd, dat ook leerlingen
in het gewone beroepsonderwijs die een grafische opleiding volgen, thuis
met softwareprogramma's moeten oefenen. Hij vindt het handig als zijn
zoon ook thuis kan oefenen, aangezien hij slechts een paar uur per week
les krijgt in de grafische vakken en hij heeft ervaren dat de
vaardigheden van zijn zoon, die hij hem zelf deels heeft aangeleerd,
teruglopen.
De Raad concludeert uit het vorenstaande dat er in het onderhavige geval
bij het aan gedaagde aangeboden onderwijs geen sprake is van aan het
schoolprogramma inherent te achten regelmatig opgeven van huiswerk met
een verplichtend karakter, als bedoeld in het beleid van appellant.
Voorts stelt de Raad vast dat de noodzaak tot het thuis oefenen met
softwarepakketten moet worden beschouwd als het aanleren van schoolse
vaardigheden, welke noodzaak zich ook voordoet bij niet gehandicapte
leerlingen die een soortgelijke grafische/automatiseringsopleiding
volgen, zodat appellant in dat geval op grond van artikel 22, vierde lid
van de Wet Rea, bezien in samenhang met artikel 11 van die wet, niet
bevoegd is tot het verstrekken van de gevraagde voorziening.
Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het besluit op
bezwaar van appellant, waarbij deze zijn eerdere weigering een laptop te
verstrekken heeft gehandhaafd, de rechterlijke toets kan doorstaan. De
aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking en
het inleidend beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.
De Raad acht - ten slotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8
augustus 2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|