|
Uitspraak
01/31 REA en 01/6334 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur
uitvoeringsorganisaties werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge
de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 februari 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellante
een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) toe te kennen.
Bij besluit van 18 april 2000 (hierna: besluit I) heeft gedaagde het
bezwaar van appellante tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard en
haar meegedeeld dat dit betekent dat appellante geen recht heeft op een
WW-uitkering.
Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank
Middelburg.
Bij besluit van 30 augustus 2000 (hierna: besluit II) heeft gedaagde het
bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2000 ongegrond verklaard en
haar meegedeeld dat zij geen recht heeft op uitkeringen ingevolge de WW
en de Wet Rea.
De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak 22 december 2000 het beroep
tegen besluit I gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep
tegen besluit II ongegrond verklaard.
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van 12 december 2001, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante is op 16 juli 1998 wegens ziekte uitgevallen voor haar
werkzaamheden als leerling verpleegkundige op niveau 4 bij de Stichting
[C.] Ziekenhuizen. Van 10 mei 1999 tot 10 juni 2000 heeft appellante de
opleiding verzorgende op niveau 3 bij de [C.] Thuiszorg te [D.] gevolgd.
Gedaagde heeft appellante met ingang van 26 juli 1999 een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen toegekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van
22 februari 2000 heeft gedaagde appellante voor minder dan 15%
arbeidsongeschikt geacht op grond van geschiktheid voor gangbaar werk.
Aan de weigering om appellante een uitkering ingevolge de Wet Rea toe te
kennen, heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet
aan de wekeneis die geldt voor het recht op een WW-uitkering. Appellante
heeft de op die grond gebaseerde weigering haar een WW-uitkering toe te
kennen niet aangevochten. Dit heeft tot gevolg dat appellante, naar door
appellante niet wordt betwist, niet voldoet aan de vereisten zoals
genoemd in artikel 23, eerste lid, van de Wet Rea. Omdat appellante
volgens gedaagde ook niet voldoet aan de uitzondering genoemd in artikel
23, tweede lid, van de Wet Rea, heeft gedaagde zich op het standpunt
gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een reďntegratie-uitkering.
Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen (het deel
van de aangevallen uitspraak dat betrekking heeft op) de weigering van
gedaagde om haar ingevolge het tweede lid van artikel 23 van de Wet Rea een reďntegratie-uitkering toe te kennen. Daartoe voert appellante met
name aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat die bepaling
niet op haar van toepassing is, omdat de beslissing om haar geen
werkloosheidsuitkering toe te kennen niet berust op het feit dat zij
niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, maar op het feit dat zij
niet voldoet aan de wekeneis. Appellante benadrukt dat zij op grond van
artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW niet als werkloos
kan worden aangemerkt omdat zij wegens het volgen van een opleiding niet
beschikbaar is om arbeid te verrichten zodat zij reeds om die reden geen
recht heeft op een WW-uitkering.
De Raad overweegt met betrekking tot het onderhavige geschil het
volgende.
De rechtbank heeft overwogen dat appellante op grond van artikel 23,
tweede lid, in combinatie met het eerste lid, van de Wet Rea niet in
aanmerking kan komen voor een reďntegratie-uitkering, omdat de
weigering om appellante een WW-uitkering toe te kennen niet berust op
het feit dat zij niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden maar op de
grond dat zij niet voldoet aan de wekeneis.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet Rea kan door het Lisv aan
de arbeidsgehandicapte die recht heeft op een uitkering op grond van de
WW of de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria, een reďntegratie-uitkering worden
toegekend indien hij:
a. op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden gaat
verrichten;
b. een naar het oordeel van het Lisv noodzakelijke scholing of opleiding
gaat volgen.
In artikel 23, tweede lid, van de Wet Rea is bepaald dat met de
arbeidsgehandicapte, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de
arbeidsgehandicapte die geen recht heeft op uitkering op grond van de WW
omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 16, eerste
lid, onderdeel b, van de WW, wegens het enkele feit dat hij voorafgaande
aan of aansluitend op het arbeidsurenverlies en het verlies van het
recht op doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 16, eerste lid,
onderdeel a, van de WW, deelneemt of gaat deelnemen aan een scholing of
opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
In artikel 16, eerste lid, van de WW is bepaald dat werkloos is de
werknemer die:
a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per
kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde
doorbetaling van zijn loon over die uren; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Tussen partijen staat vast - en ook de Raad gaat hiervan uit - dat
appellante geen recht heeft op uitkering ingevolge de WW, omdat zij -
onder meer - niet voldoet aan de zogenaamde wekeneis. Op grond hiervan
komt zij onbetwist niet in aanmerking voor een reďntegratie-uitkering
op grond van de in artikel 23, eerste lid, van de Wet Rea neergelegde
hoofdregel.
Aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie
waarin geen recht op WW-uitkering bestaat uitsluitend wegens het niet
voldoen aan de beschikbaarheidseis als bedoeld in artikel 16, aanhef en
eerste lid onder b, van de WW, kan appellante ook niet onder toepassing
van artikel 23, tweede lid, van de Wet Rea, zoals die bepaling, mede
gelet op de toelichting daarop, moet worden verstaan, worden
gelijkgesteld met een arbeidsgehandicapte die recht heeft op een
uitkering op grond van de WW of de WBIA als bedoeld in het eerste lid
van artikel 23 van de Wet Rea. Derhalve heeft gedaagde terecht geweigerd
appellante een reďntegratie-uitkering toe te kennen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor
zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|