|
Uitspraak
00/6693 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 8 december
2000 tussen partijen gewezen uitspraak.
Bij brief van 16 februari 2001 heeft appellant een reactie gegeven op
het proces-verbaal van de op 30 oktober 2000 gehouden zitting van de
rechtbank Haarlem.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 februari 2002,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn vader,
[A.], en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N.
Hoogstrate, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Appellant is in mei 1990 als inkoper bij het [werkgever] in dienst
getreden. In november 1991 heeft hij ten gevolge van een ongeval zijn
werkzaamheden moeten staken, waarna hem per 11 november 1992 een
gedeeltelijke uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend. Het [werkgever]
verstrekt sindsdien een suppletie op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Nadat appellant diverse malen kortdurend in verschillende functies had
hervat, heeft het [werkgever] medio 1995 een ontslagvergunning
aangevraagd. Deze vergunning is op 17 augustus 1995 door de Regionaal
Directeur voor de Arbeidsvoorziening geweigerd, omdat het [werkgever]
verplicht was tot een extra herplaatsingsinspanning. Hierna heeft
wederom een aantal vruchteloze werkhervattingen plaatsgevonden. Bij
vonnis van 5 december 1997 heeft de kantonrechter te Amsterdam het
[werkgever] op vordering van appellant onder meer veroordeeld tot
loondoorbetaling tot de dag waarop het dienstverband rechtsgeldig zal
zijn beëindigd en is het [werkgever] bevolen appellant toe te laten tot
onmiddellijke hervatting van werkzaamheden in een voor appellant
passende functie op niveau 5, 4 of 3. De veroordeling tot
loondoorbetaling is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28
februari 2001 bekrachtigd. Het bevel tot het toelaten tot onmiddellijke
werkhervatting is bij dat vonnis vernietigd en de rechtbank heeft de
daarop betrekking hebbende vordering van appellant afgewezen. Tegen dit
vonnis heeft appellant beroep in cassatie ingesteld.
Aangezien zijn werkgever naar de mening van appellant is tekortgeschoten
in het ondernemen van op zijn wedertewerkstelling gerichte activiteiten,
heeft hij zich bij brief van 12 oktober 1998 tot gedaagde gewend. Dit
heeft geleid tot een briefwisseling.
Bij brief van 16 november 1999 heeft appellant gedaagde onder meer het
volgende verzocht:
"Ingevolge het gestelde in het tweede lid van art. 9 van de Wet Rea
kan de Minister, op grond van het hierboven beschreven meningsverschil
tussen het [werkgever] en mij, een onder de Minister ressorterende
ambtenaar worden verzocht om toepassing te geven aan het eerste lid van
dit artikel."
Dit verzoek is vanwege gedaagde opgevat als onder meer een verzoek om
een eis te stellen in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea). Bij besluit van 8
februari 2000 heeft de gedaagde het verzoek afgewezen, primair omdat
artikel 9, tweede lid, van de Wet Rea, waar appellant een beroep op
heeft gedaan, met ingang van 1 november 1999 is vervallen, en subsidiair
omdat gedaagde niet bevoegd is om eisen te stellen betreffende de
verplichting van de werkgever om de arbeidsinschakeling van een bij hem
in dienst zijnde arbeidsgehandicapte werknemer te bevorderen.
Het daartegen ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 31
maart 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dat besluit
heeft gedaagde zijn weigering een eis te stellen als bedoeld in artikel
9, eerste lid, van de Wet Rea gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat de
in artikel 9, eerste lid, van de Wet Rea omschreven bevoegdheid van de
Minister niet geacht kan worden te zien op het aan de werkgever opleggen
van de verplichting de wedertewerkstelling van de betrokken werknemer te
bevorderen, maar betrekking heeft op de concrete maatregelen die de
werkgever treft om de betrokken werknemer in staat te stellen
(aangepaste) arbeid binnen zijn bedrijf te blijven verrichten. Tevens
heeft gedaagde geweigerd tegemoet te komen aan het - in de
bezwaarschriftprocedure nader geconcretiseerde - verzoek van appellant
om een met toezicht belaste ambtenaar aan te wijzen, omdat een
ambtenaar, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet Rea slechts
toezicht kan houden op de - in dit geval niet aan de orde zijnde -
naleving van de verplichting om concrete maatregelen binnen het bedrijf
te treffen alsmede op de naleving van een eventueel daarop toegespitste
eis.
De rechtbank Haarlem heeft het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
"Vooropgesteld wordt dat [appellant] de Minister niet heeft
verzocht om ingevolge art. 9, lid 1, Wet Rea een eis te stellen aan de
werkgever, maar dat zijn verzoek is gericht op het belasten van een
ambtenaar met het toezicht op de naleving van de in artikel 8 Wet Rea genoemde verplichting. Deze bevoegdheid van de Minister is verwoord in
het tweede lid van art. 9 Wet Rea.
De eerste vraag die door de rechtbank dient te worden beantwoord, is de
vraag of laatstgenoemde bevoegdheid zich uitstrekt tot de in het eerste
lid van art. 8 Wet Rea geformuleerde algemene verplichting van de werknemer
om de inschakeling in de arbeid van de tot hem in dienstbetrekking
staande arbeidsgehandicapte werknemer te bevorderen. Art 9, lid 2, Wet Rea
spreekt specifiek over het toezicht op de naleving van de in artikel 8,
tweede lid, tweede zin, bedoelde verplichting. De toelichting op art. 9
Wet Rea omschrijft die verplichting, als de verplichting van de werkgever
tot het aanbrengen van zodanige aanpassingen dat een arbeidsgehandicapte
werknemer de arbeid kan blijven verrichten.
De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat art. 9, lid 2, Wet Rea aldus moet worden uitgelegd, dat de Minister op grond van deze bepaling
slechts bevoegd is ambtenaren met toezicht te belasten op de naleving
van de in de tweede zin, van het tweede lid, van art. 8 Wet Rea geformuleerde verplichting om concrete maatregelen te treffen zodat een
arbeidsgehandicapte werknemer de arbeid kan blijven verrichten. Nu, ten
aanzien van [appellant] tot heden niet duidelijk is in wat voor functie
hij zijn werkzaamheden zou kunnen hervatten, is het treffen van concrete
maatregelen met betrekking tot een dergelijke functie nog niet aan de
orde en bestaat er nog geen bevoegdheid voor de Minister ex art 9, lid
2, Wet Rea.
[Appellant] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, voor zover
de bevoegdheid van de Minister niet blijkt uit artikel 9, lid 2, Wet Rea, de
Minister ambtshalve toezicht moet houden op de naleving van de in de Wet
Rea opgenomen verplichtingen. Ook dit standpunt zal de rechtbank niet
volgen.
De rechtbank is van oordeel dat de wetgever in de Wet Rea de
verantwoordelijkheid voor de reďntegratie expliciet legt bij de
werkgever en voorts bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Daarbij is voor de minister geen andere taak weggelegd dan zoals die is
verwoord in artikel 9 Wet Rea."
Partijen twisten in hoger beroep over het antwoord op de vraag of
gedaagde op grond van de artikelen 8 en 9 van de Wet Rea bevoegd is een
onder hem ressorterende ambtenaar opdracht te geven toe te zien op de
naleving door het [werkgever] in zijn hoedanigheid als werkgever van de
ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van deze wet op de
werkgever rustende verplichting te bevorderen dat zijn werknemer,
appellant, bij het [werkgever] in passende arbeid kan hervatten en
zonodig op dat punt een eis te stellen.
Genoemde artikelen luidden ten tijde in geding als volgt:
Artikel 8
1. De werkgever bevordert de inschakeling in de arbeid van de tot hem in
dienstbetrekking staande arbeidsgehandicapte werknemer, tenzij vaststaat
dat binnen zijn bedrijf geen andere passende arbeid voor betrokkene
voorhanden is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de hand van het door
de werkgever over te leggen reďntegratieplan, bedoeld in artikel 71a,
van de WAO.
2. Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste
lid, treft de werkgever, in samenwerking met zijn arbodienst en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, maatregelen gericht op het
behoud, het herstel of de bevordering van de arbeidsgeschiktheid van
zijn in het eerste lid bedoelde werknemer. Hij is uit dien hoofde
verplicht de samenstelling en toewijzing van de arbeid, de inrichting
van de arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden en de bij arbeid
te gebruiken hulpmiddelen aan die werknemer aan te passen, alsmede de
inrichting van het bedrijf aan te passen, voorzover de behoefte daaraan
wordt opgeroepen door de deelneming van die werknemer aan die
werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf.
Artikel 9
1. Onze Minister kan, na overleg met het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aan een werkgever een eis stellen betreffende de wijze
waarop de verplichting, bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede zin,
dient te worden nageleefd. Artikel 27, tweede, derde en zevende lid, van
de Arbeidsomstandigheden is van overeenkomstige toepassing.
2. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 8, tweede lid,
tweede zin, bedoelde verplichting en van een aan een werkgever gestelde
eis als bedoeld in het eerste lid, zijn belast de bij besluit van Onze
Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren. Van dat besluit
wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Het over dit geschilpunt in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen
standpunt van appellant komt erop neer, dat de artikelen 8 en 9 van de
Wet Rea zo moeten worden uitgelegd, dat de Minister bevoegd is een eis
te stellen met betrekking tot zijn wedertewerkstelling bij het
[werkgever]. De maatregelen, bedoeld in de tweede volzin van artikel 8,
tweede lid, Wet Rea zijn volgens appellant een uitwerking van het
bepaalde in de eerste volzin van die bepaling, waarin gesproken wordt
van maatregelen gericht op het behoud, het herstel of de bevordering van
de arbeidsgeschiktheid van de in het eerste lid van artikel 8 bedoelde
werknemer. Deze maatregelen vloeien weer voort uit de in artikel 8,
eerste lid, neergelegde verplichting voor de werkgever om de
inschakeling in de arbeid van de tot hem in dienst staande
arbeidsgehandicapte werknemer te bevorderen. Op het [werkgever] rust -
aldus appellant - deze verplichting, nu geen reďntegratieplan is
opgesteld en dus ook niet is vastgesteld dat er geen passende arbeid
binnen het [werkgever] voorhanden is.
Gedaagde betwist de juistheid van deze uitleg. Hij onderschrijft de door
de rechtbank gegeven interpretatie van het bepaalde in artikel 9, tweede
lid, Wet Rea.
Volgens gedaagde geldt zowel voor het stellen van een eis, als bedoeld
in artikel 9, eerste lid, Wet Rea, als voor het toezicht door een door
hem aan te wijzen ambtenaar op de naleving van een dergelijke eis en
andere verplichtingen op grond van de Wet Rea, bedoeld in artikel 9,
tweede lid, van die wet, dat deze slechts betrekking kunnen hebben op
concrete maatregelen. Dit blijkt uit de verwijzing naar de
Arbeidsomstandighedenwet 1998.
De door appellant voorgestane interpretatie van genoemde wettelijke
bepalingen zou impliceren dat gedaagde de werkgever zou kunnen
verplichten de reďntegratie van een werknemer te bevorderen en dat door
de Minister aangewezen ambtenaren toezicht zouden kunnen houden op de
naleving van die eis. Zulks strookt volgens gedaagde niet met hetgeen in
artikel 8, eerste lid, Wet Rea is bepaald. Daarin is de
verantwoordelijkheid voor de reďntegratie van de werknemer expliciet
gelegd bij de werkgever en het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv; thans: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen). Uit de
toelichting op artikel 9 Wet Rea blijkt dat het hier gaat om toezicht op
de verplichting van de werkgever tot het aanbrengen van aanpassingen die
de werknemer in staat stellen de arbeid te blijven verrichten.
De Raad onderschrijft de door de rechtbank gegeven en door gedaagde
onderschreven uitleg van de artikelen 8 en 9 van de Wet Rea. In deze
bepalingen is neergelegd dat in eerste instantie de werkgever
verantwoordelijk is voor het reďntegreren van een arbeidsongeschikte
werknemer, en dat het Lisv daarbij een toetsende en stimulerende taak
heeft. Uit het stelsel van genoemde bepalingen en de daarin besloten
liggende verdeling van verantwoordelijkheden volgt, mede gelet op de ter
zake door de wetgever gegeven toelichting, dat de bevoegdheid tot het
stellen van een eis (artikel 9, eerste lid) en het houden van toezicht
(artikel 9, tweede lid) uitsluitend betrekking heeft op, na vaststelling
van een reďntegratieplan te treffen, concrete maatregelen. Nu hiervan
ten tijde in geding (nog) geen sprake was, heeft gedaagde terecht
aangenomen dat hij in het onderhavige geval niet bevoegd was een eis als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, Wet Rea te stellen.
Ter zitting is van de zijde van gedaagde meegedeeld, dat de Minister bij
besluit onder hem ressorterende ambtenaren (van de Arbeidsinspectie)
heeft aangewezen, die belast zijn met het toezicht op de naleving van de
in artikel 8, tweede lid, bedoelde verplichting en van een aan een
werkgever gestelde eis als bedoeld in het eerste lid van artikel 9 Wet
Rea.
Voorzover het beroep in eerste aanleg gericht is tegen de in de brief
van 8 februari 2000 besloten liggende weigering van gedaagde om een van
deze ambtenaren specifiek opdracht te geven toe te zien op de gang van
zaken rond de reďntegratie van appellant bij zijn werkgever, is de Raad
van oordeel dat deze weigering een feitelijk handelen van gedaagde
betreft, waartegen, gelet op de artikelen 1:3 en 8:1 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), geen beroep voor appellant openstaat. In zoverre
had gedaagde het bezwaar, gelet op artikel 7:1 van de Awb,
niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Raad zal te dien aanzien doen wat
de rechtbank had behoren te zien.
In hetgeen overigens in hoger beroep door appellant is aangevoerd ziet
de Raad geen aanknopingspunten om tot een andersluidend oordeel te
komen.
Op grond van het voorgaande beslist de Raad als onder III aangegeven.
De Raad acht - ten slotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover het beroep, gericht tegen
de in de brief van 8 februari 2000 besloten liggende weigering van
gedaagde om een van de op grond van artikel 9, tweede lid, Wet Rea
aangewezen ambtenaren specifiek opdracht te geven toe te zien op de gang
van zaken rond de reďntegratie van appellant bij zijn werkgever,
ongegrond is verklaard;
Vernietigt het bestreden besluit in zoverre daarbij het bezwaar tegen
voormelde weigering ongegrond is verklaard;
Verklaart het bezwaar in zoverre alsnog niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van € 77,14
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van J.C.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 april 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) J.C. Meijer.
|
|