|
Uitspraak
01/3150 REA, 01/3151 REA, 01/3152 REA, 01/3154 REA, 01/3155 REA en
01/3157 REA
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
de Stichting Oosterscheldeziekenhuizen, gevestigd te Goes, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 17 mei
2001 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van appellant zijn bij brieven van 3 september 2001 en 9
januari 2002 een rapportage van 26 augustus 2001 van de
bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards respectievelijk een rapport van
10 december 2001 van de veiligheidsdeskundige J. Doornbusch ingezonden.
De gedingen, bekend onder de registratienummers 01/3150 REA, 01/3151
REA, 01/3152 REA, 01/3154 REA, 01/3155 REA en 01/3157 REA zijn gevoegd
behandeld ter zitting van de Raad van 22 april 2002, waar voor appellant
is verschenen A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Gedaagde heeft zich niet doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Bij brief van 29 september 1998 is namens gedaagde aan appellant
verzocht om een voorziening ingevolge de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in de vorm van een vergoeding van de
meerkosten van latexvrije handschoenen ten behoeve van haar werknemers
[werknemer I], [werknemer II], [werknemer III], [werknemer IV],
[werknemer V] en [werknemer VI]. Genoemde medewerkers, bij wie een
latexallergie is vastgesteld, maken bij het verrichten van hun
werkzaamheden gebruik van beschermende steriele en/of niet steriele
handschoenen. Bij genoemde brief zijn per medewerker een medisch verslag
en een opgave van de meerkosten van latexvrije handschoenen gevoegd.
Bij besluiten van 9 en 13 april 1999 heeft appellant het verzoek om
vergoeding van de meerkosten, verbonden aan de aanschaf van latexvrije
handschoenen, ten behoeve van genoemde werknemers op grond van artikel
15 van de Wet Rea afgewezen. Aan deze afwijzing heeft appellant ten
grondslag gelegd, enerzijds dat de aanschaf van latexvrije handschoenen
voor gedaagde niet behoeft te leiden tot meerkosten, en anderzijds dat
het op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving de plicht en de taak
van de werkgever is om voorzieningen te treffen, die geen gevaar voor de
werknemer kunnen vormen en/of de werknemer geen schade kunnen
berokkenen.
Gedaagde heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Ter hoorzitting is
van de zijde van gedaagde meegedeeld dat de gevraagde vergoeding nog
uitsluitend de meerkosten verbonden aan de aanschaf van steriele
latexvrije handschoenen betreft.
De tegen genoemde besluiten ingediende bezwaarschriften zijn door
appellant bij de bestreden besluiten van 13 december 1999 ongegrond
verklaard. Appellant heeft de eerdere afwijzende besluiten
overeenkomstig het advies van 16 augustus 1999 van de
bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards gehandhaafd, op de grond dat de
aangevraagde voorziening niet is aan te merken als een voorziening in
het kader van de Wet Rea en dat op gedaagde ingevolge de
Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) de verplichting rust deze
voorziening te treffen en de extra kosten hiervan te dragen. De grond
dat de aanschaf van vervangende latexvrije handschoenen niet leidt tot
meerkosten wordt niet gehandhaafd.
Gedaagde heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Aangevoerd
is, dat gedaagde haar uit de Arbowet voortvloeiende verplichtingen kent
en in dat kader het beleid voert dat voor niet-steriel gebruik vinyl
handschoenen worden ingekocht en voor steriel gebruik ongepoederde latex
handschoenen. Dit geldt voor alle werknemers die handschoenen gebruiken.
Dit beleid komt overeen met het door het Academisch Ziekenhuis te
Rotterdam gevoerde beleid, waarnaar door appellant is verwezen. Voor de
meerkosten die verband houden met de aanschaf van vinyl handschoenen en
ongepoederde latex handschoenen vraagt gedaagde ook geen vergoeding aan.
De aanvraag betreft uitsluitend nog de aanschaf van steriele latexvrije
handschoenen, waarop de werknemers met een door een dermatoloog
vastgestelde latexallergie zijn aangewezen. Bij deze werknemers is
sprake van een arbeidshandicap. Dit betreft bijzondere gevallen,
aangezien slechts 10% van de werknemers die latexhandschoenen gebruiken
een allergie voor latex opbouwt en de overige 90% wel met de in het
kader van het door gedaagde gevoerde arbeidsomstandighedenbeleid
verstrekte handschoenen kan functioneren.
De rechtbank Middelburg heeft de tegen de bestreden besluiten ingestelde
beroepen bij uitspraak van 17 mei 2001 gegrond verklaard, die besluiten
vernietigd, bepaald dat appellant nieuwe besluiten dient te nemen met
inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, het voormalige
Landelijk instituut sociale verzekeringen aangewezen om aan gedaagde het
griffierecht te vergoeden, en appellant veroordeeld in de proceskosten.
De rechtbank heeft hiertoe - appellant als verweerder aanduidend en
gedaagde als eiseres - het volgende overwogen:
"Vaststaat dat de werknemers voor wie eiseres de voorziening in het
kader van de Wet Rea heeft aangevraagd, allen een door een medisch
deskundige vastgestelde allergie voor latexproducten hebben. Ter zitting
van de rechtbank is door de gemachtigde van eiseres uiteengezet dat bij
eiseres in totaal 1300 mensen werkzaam zijn, van wie er ongeveer 500 met
handschoenen werken. Eiseres heeft indertijd een commissie ingesteld om
te bezien in hoeverre allergieën konden worden voorkomen. De
bevindingen van de commissie hebben ertoe geleid dat eiseres sedert twee
jaar voor iedereen poedervrije handschoenen heeft aangeschaft, teneinde
te voorkomen dat een latexallergie wordt opgebouwd. Deze wijziging leidt
weliswaar ook tot meerkosten, aangezien de voorheen gebruikte vinyl
handschoenen goedkoper zijn, doch de betreffende voorziening is gevraagd
voor de meerkosten ten aanzien van de aanschaf van latexvrije steriele
handschoenen, aldus eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres met haar uiteenzetting erin is
geslaagd aan te tonen dat de gevraagde voorziening valt binnen het kader
van artikel 15 van de Wet Rea en dat verweerders standpunt dat eiseres
op grond van de Arbowet die kosten als werkgever dient te dragen niet
kan standhouden.
Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven. Aangezien de
gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan de daadwerkelijke meerkosten de hoogte van de subsidie te berekenen, daarbij
rekening houdend met het bepaalde in artikel 4 van het Reďntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, waarin onder meer is bepaald dat geen subsidie voor kosten van
een voorziening als bedoeld in artikel 15, lid 1, van de Wet Rea wordt
verstrekt indien de waarde van die voorziening minder bedraagt dan 1,85
maal het minimum per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, ligt het op de weg van
verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze
uitspraak."
In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd, dat de
rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij zich niet kan vinden in het
gestelde in de rapportages van 16 augustus 1999 en 15 maart 2000 van de
bezwaararbeidsdeskundige. In laatstgenoemde rapportage wordt ingegaan op
de Arbowet en is informatie opgenomen die verkregen is van een
inspecteur en van een arts van de arbeidsinspectie Rotterdam. Deze
zouden het standpunt van appellant met betrekking tot de verplichtingen
op grond van die wet delen.
Volgens appellant is gedaagde op grond van de Arbowet gehouden te
voorkomen dat zijn werknemers een latexallergie opbouwen door het
gebruik van latex handschoenen. Appellant heeft in dat kader gewezen op
de in het rapport van de veiligheidsdeskundige Doornbusch opgenomen
verplichtingen van de werkgever. De reden waarom men niet is overgegaan
op de aanschaf van deze handschoenen is uitsluitend een economische.
Daarnaast betrekt appellant de stelling dat de met de Wet Rea
beoogde reďntegratie
van arbeidsgehandicapten blijkens de memorie van toelichting te maken
heeft met het negatieve beeld dat uitgaat van het hebben van een
arbeidshandicap of een arbeidsongeschiktheidsverleden, waardoor het
vinden van betaalde arbeid bemoeilijkt wordt.
De algemene definitie van arbeidsgehandicapte in deze wet houdt rekening
met dit aspect. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van deze wet en de in
de toelichting op deze wet aangegeven aspecten zijn de instrumenten die
in deze wet worden aangedragen volgens appellant ontegenzeglijk niet
bedoeld voor de situatie zoals die zich in casu voordoet.
Ter zitting is van de zijde van appellant aangegeven dat er bovendien
sprake is van een onvoldoende op de individu gerichte voorziening, omdat
niet vaststaat wie de gebruikers zijn en de subsidie feitelijk bedoeld
is voor een groeiende groep werknemers die last hebben van
latexallergie. Voorts stelt appellant dat de gevraagde voorziening
algemeen gebruikelijk is, omdat gebruikers van latex handschoenen,
waaronder (alle) andere (grote) ziekenhuizen en zorginstellingen, op
grote schaal zijn overgestapt op het gebruik van latexvrije
handschoenen.
Voorts ontbreekt een ingevolge artikel 15 van de Wet Rea
vereist reďntegratieplan
en moet aan de hand van het Arbeidsgehandicaptebesluit (20 juli 1998,
Stb. 488) nog getoetst worden of de betrokken medewerkers als
arbeidsgehandicapt kunnen worden beschouwd.
Gedaagde heeft haar eerder in de procedure ingenomen standpunt onder
verwijzing naar eerdere stukken gehandhaafd.
De Raad overweegt het volgende.
In dit geding is de vraag aan de orde of de bestreden besluiten, waarbij
de eerdere weigeringen om de meerkosten van de aanschaf van latexvrije
handschoenen te vergoeden is gehandhaafd, in rechte stand kunnen houden.
Gelet op de beperking die van de zijde van gedaagde tijdens de
bezwaarschriftprocedure op de aanvraag is aangebracht is thans nog
uitsluitend de vergoeding van meerkosten verbonden aan de aanschaf van
steriele latexvrije handschoenen in geding.
Aangezien de aanvraag is beperkt tot de aanschaf van handschoenen ten
behoeve van de werknemers [werknemer I], [werknemer II], [werknemer
III], [werknemer IV], [werknemer V] en [werknemer VI] en ook de bij de
bestreden besluiten gehandhaafde weigeringen beperkt zijn tot deze zes
werknemers, houdt de Raad het ervoor dat het geding is beperkt tot de
gevraagde voorziening ten behoeve van uitsluitend deze zes personen en
niet tevens ook betrekking heeft op andere werknemers van gedaagde die
volgens haar als arbeidsgehandicapt zouden moeten worden aangemerkt.
Voorts stelt de Raad uitdrukkelijk vast dat in geding is de periode van
29 september 1998 (datum aanvraag) tot 13 december 1999 (datum bestreden
besluiten).
In artikel 15 van de Wet Rea
is, voorzover hier van belang, het volgende
bepaald:
1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan aan de werkgever,
bedoeld in artikel 8, op aanvraag subsidie verstrekken voor kosten van
voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid van zijn arbeidsgehandicapte werknemer voor de eigen
arbeid.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts in
behandeling genomen, indien de werkgever gelijktijdig met de aanvraag
een reďntegratieplan als bedoeld in artikel 71a, van de WAO overlegt.
(...)
3. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder
geval verstaan:
a. (...)
b. noodzakelijke aanpassingen van de samenstelling en toewijzing van
arbeid, de inrichting van arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden
en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, alsmede aanpassing van de
inrichting van het bedrijf, voorzover de behoefte daaraan wordt
opgeroepen door de deelneming aan de werkzaamheden of het daarmee
samenhangende verblijf in het bedrijf van de werknemer, bedoeld in het
eerste lid.
(...)
Artikel 8 van de Wet Rea
luidt als volgt:
1. De werkgever bevordert de inschakeling in de arbeid van de tot hem in
dienstbetrekking staande arbeidsgehandicapte werknemer, tenzij vaststaat
dat binnen zijn bedrijf geen andere passende arbeid voor betrokkene
voorhanden is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de hand van het door
de werkgever over te leggen reďntegratieplan, bedoeld in artikel 71a,
van de WAO.
2. Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste
lid, treft de werkgever, in samenwerking met zijn Arbo-dienst en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, maatregelen gericht op het
behoud, het herstel of de bevordering van de arbeidsgeschiktheid van
zijn in het eerste lid bedoelde werknemer. Hij is uit dien hoofde
verplicht de samenstelling en toewijzing van de arbeid, de inrichting
van de arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden en de bij arbeid
te gebruiken hulpmiddelen aan die werknemer aan te passen, alsmede de
inrichting van het bedrijf aan te passen, voor zover de behoefte daaraan
wordt opgeroepen door de deelneming van die werknemer aan die
werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf.
De artikelen 3 en 4 Arbowet 1998 luidden ten tijde van het bestreden
besluit, voorzover in dit geding van belang, als volgt:
"Artikel 3 Arbobeleid
1. De werkgever voert een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid
en neemt daarbij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele
dienstverlening, het volgende in acht:
a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd moet de werkgever
de arbeid zodanig organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat
op de veiligheid en de gezondheid van de weknemer;
b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd moeten de gevaren
en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel
mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan worden voorkomen of
beperkt; naar de mate waarin dergelijke gevaren en risico's niet bij de
bron kunnen worden voorkomen of beperkt, moeten daartoe andere
doeltreffende maatregelen worden getroffen waarbij maatregelen gericht
op collectieve bescherming de voorrang dienen te hebben boven
maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts indien
redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen worden getroffen
die zijn gericht op individuele bescherming, dienen doeltreffende en
passende persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter
beschikking te worden gesteld;
c. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de bij de
arbeidsmiddelen alsmede de arbeidsinhoud moeten zoveel als
redelijkerwijs kan worden gevergd aan de persoonlijke eigenschappen van
werknemers zijn aangepast; (...)"
"Artikel 4 Aspecten van arbobeleid.
1. De werkgever voert, binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid,
een beleid met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemers.
Onderdeel van dit beleid is in ieder geval:
a. het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van ziekte van werknemers;
(...)"
Het bestreden besluit is gebaseerd op de grond, dat de aangevraagde
voorziening niet is aan te merken als een voorziening in het kader van
de Wet Rea
en dat op gedaagde op grond van de Arbowet de verplichting
rust deze voorziening te treffen en de extra kosten hiervan te dragen,
een en ander zoals in eerste aanleg en met name in hoger beroep nader
toegelicht.
De Raad begrijpt uit de ter zitting van 22 april 2002 van de kant van
appellant gegeven nadere toelichting dat met het algemene beroep op de
doelstelling van de Wet Rea
in het hoger beroepschrift met name beoogd
is aan te geven dat de instrumenten van de Wet Rea
slechts bedoeld zijn
voor die personen die ten gevolge van ziekte of gebreken verminderde
kansen op de arbeidsmarkt hebben. Dit algemene beroep op de Wet Rea
acht
de Raad op zich zelf genomen te vaag om de onderhavige aangevraagde
voorziening te kunnen weigeren. Artikel 15, eerste lid, van de Wet Rea
stelt de eis dat het moet gaan om een arbeidsgehandicapte werknemer. Nu
uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is
gebleken dat appellant bij de voorbereiding van zijn besluiten op
concrete en verifieerbare wijze is nagegaan of de zes betrokken
werknemers (individueel) aangemerkt kunnen worden als arbeidsgehandicapte
werknemers als bedoeld in genoemde bepaling, moet worden geconcludeerd
dat de bestreden besluiten op dit punt onvoldoende zorgvuldig zijn
voorbereid en gemotiveerd.
Gelet op de inhoud van de gedingstukken acht de Raad voorts onvoldoende
aangetoond dat ten aanzien van de betrokken zes werknemers op grond van
(de artikelen 3 en 4 van ) de Arbowet 1998 de zorg voor de gevraagde
voorziening op de werkgever rust, waarbij tevens dient te worden bezien
welke maatregelen in dat kader redelijkerwijs van de werkgever kunnen
worden gevergd. Weliswaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige contact
gehad met de Arbeidsinspectie, maar dit heeft bijvoorbeeld niet geleid
tot een toegespitste verklaring van deze instantie met betrekking tot de
gehoudenheid van de werkgever in het onderhavige geval. Bovendien - en
met name - laat de Raad wegen dat, zo er in casu sprake zou zijn van een
verplichting uit hoofde van de Arbowet, appellant niet heeft gemotiveerd
waarom dat gegeven in de weg zou staan aan gehele of gedeeltelijke
verstrekking van de in het kader van de Wet Rea
gevraagde voorziening.
De Raad wijst in dit verband op de ruime taakstelling voor de werkgever
op het vlak van de reďntegratie, zoals verwoord in artikel 8, gelezen
in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Wet Rea, en de eveneens
ruim geformuleerde definitie van voorzieningen in artikel 15, derde lid
onder b, van de Wet Rea.
Naar aanleiding van hetgeen ter zitting door de gemachtigde van
appellant naar voren is gebracht overweegt de Raad nog het volgende.
De stelling dat de steriele latexvrije handschoenen algemeen
gebruikelijk zijn acht de Raad onvoldoende feitelijk onderbouwd.
Weliswaar heeft appellant aangevoerd dat (alle) andere (grote)
ziekenhuizen en zorginstellingen op grote schaal zijn overgestapt op het
gebruik van latexvrije handschoenen, maar aan dit argument kan geen
gewicht worden toegekend, nu dit niet gebaseerd is op feitelijk
onderzoek naar de situatie bij deze ziekenhuizen en zorginstellingen,
maar slechts ontleend is aan het gegeven dat er geen andere op de Wet Rea
gebaseerde verzoeken om deze voorziening te verstrekken bij
appellant zijn ingediend. Uit de vele door beide partijen overgelegde
informatie over (het voorkomen van) latexallergie blijkt dat met name
eerst de laatste jaren informatie over deze problematiek beschikbaar is
gekomen. Uit een persbericht van het Academisch Ziekenhuis te Rotterdam
van 21 maart 1998 blijkt dat dit ziekenhuis in 1998 is overgestapt op de
niet-steriele ongepoederde latex handschoenen, hetgeen in dat
persbericht als uniek in Nederland werd genoemd, en dat het gebruik van
steriele gepoederde latexhandschoenen in dat ziekenhuis gehandhaafd
bleef.
Ook het argument dat de gevraagde voorziening onvoldoende op het
individu is gericht treft geen doel, aangezien de aanvraag is ingediend
voor zes met name genoemde personen, onder overlegging van een medisch
rapport met betrekking tot elk van deze werknemers. De in de loop van de
procedure door gedaagde gedane mededeling dat er inmiddels één persoon
met een latexallergie is bijgekomen rechtvaardigt niet de conclusie dat
deze werknemer ook gebruik zou hebben gemaakt van de ten behoeve van de
groep van zes werknemers aangevraagde latexvrije handschoenen, noch dat
dit voor de rechtmatigheid van de bestreden besluiten van belang zou
kunnen zijn. Niet uitgesloten is dat een positieve beslissing ten
aanzien van de thans betrokken werknemers voor gedaagde aanleiding zou
hebben gevormd om ook ten behoeve van deze werknemer een aanvraag om een
voorziening in te dienen.
Tot slot merkt de Raad nog op dat uit de gedingstukken en het
verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat appellant bij de
voorbereiding van zijn besluiten onder ogen heeft gezien dat (volledige)
reďntegratieplannen bij de aanvraag ontbraken en dat er geen
gelegenheid tot herstel van dit verzuim is geboden.
Al het voorgaande in ogenschouw nemend komt de Raad tot de conclusie dat
de bestreden besluiten een draagkrachtige motivering ontberen en
onzorgvuldig zijn voorbereid. Deze besluiten kunnen wegens strijd met
het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) niet in stand blijven. De rechtbank heeft deze
besluiten dan ook, weliswaar op een andere grond, terecht vernietigd.
Appellant dient nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.
De Raad acht geen termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, nu van het
bestaan daarvan niet is gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van appellant
een recht van € 327,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant
nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen
in 's Raads uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat van appellant een recht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
30 mei 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|