|
Uitspraak
01/2878 REA
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 6 november 1998 heeft appellant afwijzend
beslist op de aanvraag van gedaagde om haar op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) een aangepaste bus in bruikleen te
verstrekken.
Appellant heeft bij het bestreden besluit van 4 juni 1999 het bezwaar
van gedaagde tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft het beroep tegen het
bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak van 12 april 2001 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd, appellant gelast een nieuw besluit te
nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen en hem
veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. R.P. Betsman, consulent bij de Vereniging
Spierziekten Nederland, een verweerschrift ingezonden.
Appellant heeft bij brief van 1 augustus 2001 een vraag beantwoord.
Vanwege gedaagde zijn bij brief van 8 november 2001 nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 november 2001.
Voor appellant is daar verschenen de heer S.J.M. Huisman, werkzaam bij
GAK Nederland B.V. Gedaagde is daar in persoon verschenen, bijgestaan
door mr. Betsman, voornoemd.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, door partijen
niet betwiste, feiten en omstandigheden.
Gedaagde, geboren [in] 1961 en alleenstaand, is ten gevolge van een
aangeboren aandoening rolstoelgebonden. Aan haar is met ingang van haar
achttiende verjaardag een uitkering ingevolge de AAW toegekend berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Zij ontvangt
sinds 1 april 1997 uitkeringen ingevolge de AAW en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% in verband met werkzaamheden als
administratief medewerkster gedurende 20 uur per week. Aan gedaagde is
in 1990 op grond van artikel 57 van de AAW een aangepaste bruikleenauto
verstrekt. Voor het woon/werkverkeer is laatstelijk een
werkkilometervergoeding van f 27,60 per maand (120 kilometer) verstrekt.
De aan gedaagde toegekende leefkilometervergoeding is laatstelijk vastgesteld op maximaal 3500
kilometer à f 0,25 per kilometer per jaar.
Gedaagde heeft in 1998 een aangepaste bruikleenbus aangevraagd ter
vervanging van de aan haar verstrekte aangepaste bruikleenauto aangezien
zij bij het maken van transfers naar deze auto steeds meer problemen was
gaan ondervinden.
Appellant heeft zich terzake van deze aanvraag laten adviseren door -
onder meer - zijn arbeidsdeskundige R.J.F. Klijzing. Deze is bij
onderzoek tot de conclusie is gekomen dat problemen worden ondervonden
bij het maken van transfers, dat die worden opgeheven in een aangepaste
bus, maar dat gedaagde niettemin niet in aanmerking komt voor toekenning
van zulk een bus in bruikleen omdat de exploitatiekosten daarvan, circa
f 24.000,- per jaar, veel hoger zijn dan de kosten van een
rolstoeltaxivergoeding, f 16.612,50 per jaar.
Appellant heeft de aangevraagde aangepaste bruikleenbus bij besluit van
6 november 1998 afgewezen en daaraan het standpunt van zijn
arbeidsdeskundige ten grondslag gelegd.
Appellant heeft dit standpunt in het thans bestreden besluit van 4 juni
1999 gehandhaafd, zij het dat de kosten van een rolstoeltaxivergoeding
nader zijn bepaald op f 16.507,50 per jaar. De vergoeding voor
woon/werkverkeer is begroot op f 13.200,-; die voor leefvervoer op het
normbedrag van f 3.307,50 per jaar. Verder is overwogen dat uit
rapportage van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat er medisch geen
belemmeringen zijn om gebruik te maken van de rolstoeltaxi.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard op grond van de volgende overwegingen:
"Vast staat dat eiseres in medisch opzicht voor elke verplaatsing,
zowel binnen als buitenshuis, is aangewezen op rollend vervoer. In de
winter en bij ongunstige weerstomstandigheden is zij bovendien
aangewezen op gesloten vervoer. Voor het korte afstandsvervoer kan zij
gebruik maken van de elektrische rolstoel, maar voor het middellange en
het lange afstandsvervoer is zij aangewezen op vervoer per auto waarin
ook de elektrische rolstoel vervoerd kan worden. Dit betekent in de
praktijk dat eiseres zich per busje dient te verplaatsen.
Gezien de afstand tussen de woning en de werkplek dient het werkvervoer
altijd per busje plaats te vinden. Ook het leefvervoer over de
middellange en lange afstand dient per busje plaats te vinden; ditzelfde
geldt voor het korte afstandsvervoer in de winter en bij ongunstige
weersomstandigheden.
Centraal staat de vraag of dit vervoer per eigen busje dan wel per
taxibusje (rolstoeltaxi) kan plaatsvinden.
De rechtbank stelt op basis van de voorhanden gegevens vast dat op
zichzelf ten aanzien van het vervoer per rolstoeltaxi, welke is voorzien
van een ambulancevering, in medisch opzicht geen overwegende bezwaren
bestaan.
Voorts staat vast dat zodanig vervoer in beginsel beschikbaar is.
Daarmee is evenwel niet zonder meer gezegd dat ook een adequate
voorziening is getroffen. In dat verband wijst de rechtbank erop dat in
het kader van een werkvoorziening ten aanzien van de beoordeling van de
vraag of een voorziening adequaat is meer stringente maatstaven gelden dan in het kader van een
leefvoorziening. Niet mag immers uit het oog worden verloren dat het in
het eerste geval gaat om een voorziening die strekt ter ondersteuning
van de arbeidsintegratie van een betrokkene; naar zijn aard wordt met
een dergelijke voorziening beoogd zoveel mogelijk compensatie te bieden
voor de belemmeringen die een betrokkene van de handicap ondervindt
teneinde hem in staat te stellen als volwaardig werknemer aan het
arbeidsproces deel te nemen.
Eiseres is op 5 dagen per week gedurende 4 uur werkzaam als
administratief medewerkster bij Arboned. Eiseres is blijkens de door de
werkgever verstrekte informatie als gevolg van haar lichamelijke
omstandigheden regelmatig niet in staat de, in beginsel, vaste
werktijden aan te houden. De werkgever is evenwel bereid gebleken de
werktijd flexibel te laten invullen.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit een gegeven dat maakt dat
taxivervoer geen adequate oplossing biedt. Werkvervoer per taxi vindt
immers op vaste tijden plaats en wordt contractueel geregeld. Het
daarnaast in voorkomende gevallen bestellen van apart taxivervoer is
kostenverhogend en leidt tot onbepaalbare wachttijden, welk laatste
gegeven op gespannen voet staat met het compenserend karakter van een
werkvoorziening. Ditzelfde nadeel geldt voor die activiteiten die
inherent zijn aan het deelnemen aan het arbeidsproces, zoals het
verrichten van overwerk, het deelnemen aan cursussen en andere
personeelsaangelegenheden.
Met het vorenstaande heeft verweerder in haar beoordeling van het
werkvervoer geen, dan wel onvoldoende rekening gehouden, hetgeen maakt
dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is
voorbereid en genomen. Daar komt nog bij dat verweerder ook het in het
verband van het leefvervoer naar het oordeel van de rechtbank een te
beperkte benadering heeft toegepast.
Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in casu sprake is
van een complex van factoren welke factoren afzonderlijk wellicht de
conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat een taxivergoeding een
adequate oplossing biedt, maar die in combinatie tot de conclusie leiden
dat zulks niet het geval is.
De rechtbank heeft in het kader van deze benadering de volgende factoren
in beschouwing genomen:
- dat eiseres voor elke verplaatsing buitenshuis is aangewezen op
rijdend vervoer;
- dat eiseres in de winter en bij ongunstige weersomstandigheden is
aangewezen op gesloten vervoer;
- dat eiseres alleenstaand en zelfverzorgend is;
- dat eiseres incontinent is;
- dat eiseres, mede als gevolg van haar instellingsverleden beperkte
sociale contacten heeft die geografisch verspreid liggen;
- dat een wezenlijk bestanddeel van de sociale contacten van eiseres
wordt gevormd door vrijwilligerswerk en dat in redelijkheid van de
desbetreffende organisatie niet kan worden verlangd dat deze de ritprijs
van een rolstoeltaxi voor zijn rekening neemt;
- dat eiseres al vele jaren zelfbesturend is zodat sprake is van
gewenning.
Dit complex van factoren brengt de rechtbank tot het oordeel dat (ook)
in de leefsfeer een rolstoeltaxivergoeding in dit geval geen adequate
vervoersvoorziening is.
Gevoegd bij haar oordeel met betrekking tot het werkvervoer leidt het
vorenstaande de rechtbank (temeer) tot de slotsom dat verweerders
weigering om eiseres in aanmerking te brengen voor de gevraagde
voorziening niet in overeenstemming is met de redelijkheid."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde het
rolstoeltaxivervoer zelf met de taxiondernemer zal moeten regelen en dat
in dat verband ook afspraken kunnen worden gemaakt over de ritprijs.
Appellant acht het niet aannemelijk dat de ritprijs wordt verhoogd
wanneer de taxi niet extreem lang op gedaagde behoeft te wachten. Voor
extra werkvervoer in verband met cursussen, personeelsuitjes en
dergelijke is in de kosten/batenanalyse een post voorzien. Met
betrekking tot het adequaat zijn van een rolstoeltaxi als
leefvoorziening heeft appellant aangevoerd dat niet valt in te zien
waarom de door de rechtbank genoemde omstandigheden tot de conclusie
zouden moeten leiden dat deze voorziening inadequaat is.
Gedaagde heeft in hoger beroep aangegeven dat zij zich met het oordeel
van de rechtbank dat tegen rolstoeltaxivervoer in medisch opzicht geen
overwegende bezwaren bestaan slechts gedeeltelijk kan verenigen,
namelijk - in verband met de incontinentie van gedaagde - voor zover het
betreft korte routinematige verplaatsingen op strikt door gedaagde
aangegeven tijdstippen. Verder houdt gedaagde vast aan haar standpunt
dat de exploitatiekosten van een aangepaste bruikleenbus lager zijn dan
de kosten die appellant heeft begroot. Vanwege gedaagde is in dat
verband onder meer naar voren gebracht dat leasen duurder is dan een
andere vorm van verwerving en dat ten onrechte rekening is gehouden met
een afschrijvingstermijn van 7 jaar in plaats van 10 jaar. Verder is
naar voren gebracht dat incontinentie niet planbaar is, dat de
wachttijden in verband hiermee kunnen oplopen tot een half uur en dat
geenszins aannemelijk is gemaakt dat dit niet leidt tot kostenverhoging.
Voorts is er op gewezen dat geen rekening is gehouden met voorrijdkosten
en dat de voor taxivervoer beschikbaar gestelde vergoedingen
ontoereikend zijn. Met betrekking tot het leefvervoer is aangevoerd dat
sociaal isolement dreigt. Namens gedaagde is ten slotte naar voren
gebracht dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte
geen 2 punten heeft toegekend voor het bijwonen van de zittingen door de
gemachtigde van gedaagde.
Overwogen wordt het volgende.
De Raad stelt voorop dat hij niet zal ingaan op de grief van gedaagde
betreffende de proceskostenveroordeling door de rechtbank aangezien deze
de omvang van het geding in hoger beroep te buiten gaat. De Raad wijst
er op dat vanwege gedaagde geen hoger beroep is ingesteld tegen dit
onderdeel van de aangevallen uitspraak en dat appellant dit onderdeel
niet in het hoger beroep heeft betrokken.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit in rechte
stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, ontkennend.
Met betrekking tot het toe te passen recht is de Raad van oordeel dat
gezien het overgangsrecht van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten de eventuele aanspraken van gedaagde beoordeeld
dienen te worden op grond van het bepaalde in artikel 57 van de AAW.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de aangevraagde
aangepaste bruikleenbus weliswaar een adequate voorziening is, maar dat
gedaagde medisch gezien ook in staat moet worden geacht gebruik te maken
van de rolstoeltaxi, dat een combinatie van werk- en leefvoorzieningen
in de vorm van vergoedingen voor rolstoeltaxivervoer voor gedaagde een
adequate voorziening is, en dat een kosten/batenanalyse uitwijst dat
zulk een voorziening goedkoper is dan een aangepaste bruikleenbus.
Vastgesteld moet worden dat tussen partijen niet in geschil is dat het
gebruik van de rolstoeltaxi - althans voor de korte afstand en onder
normale omstandigheden - niet op medische belemmeringen stuit. Het in
hoger beroep namens appellante naar voren gebrachte standpunt dat dit
anders zou zijn bij vervoer over langere afstanden en in niet
routinematige situaties, acht de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Medische stukken waaruit dit moet worden afgeleid zijn niet overgelegd.
Met betrekking tot het gestelde schokken van de rolstoeltaxi merkt de
Raad op dat de bezwaarverzekeringsarts dit in zijn overwegingen heeft
betrokken en in aanmerking heeft genomen dat de belasting van de nek die
gedaagde ondervindt in haar eigen auto zeker niet geringer is dan die
welke wordt ondervonden in een goed afgeveerde rolstoeltaxi.
Met betrekking tot de vraag of een combinatie van vergoedingen voor het
gebruik van de rolstoeltaxi voor woon/werkverkeer en leefvervoer in het
onderhavige geval de goedkoopste adequate voorziening is, stelt de Raad
vast dat appellant de kosten van zulk een voorziening nader heeft
begroot op f 21.753,- per jaar ( f 1.812,75 per maand). Dit bedrag
bestaat uit een vergoeding voor woon/werkverkeer van f 15.400,- (220
dagen x 2 ritten à f 35,- per rit), f 3.150,- per jaar voor aanvullend
werkvervoer en f 3.203,- per jaar voor leefvervoer. De kosten van een
aangepaste bruikleenbus plus kilometervergoedingen zijn door appellant
nader begroot op minimaal f 34.091,40 per jaar (f 2.840,95 per maand).
De Raad stelt op grond van de gedingstukken verder vast dat met de als
leefvoorziening door appellant in de kosten/batenanalyse betrokken
standaardvergoeding voor het gebruik van een rolstoeltaxi van f 3.203,-
per jaar tussen de 600 en 800 kilometer kan worden gereisd, afhankelijk
van de voorrijdkosten. De aan gedaagde laatstelijk toegekende standaard
leefkilometervergoeding voor het gebruik van de bruikleenauto is bepaald
op maximaal 3500 kilometer per jaar. De Raad is niet gebleken dat
appellant zich bij de voorbereiding van het bestreden besluit heeft
beraden over de vraag bij welk aantal leefkilometers in het geval van
gedaagde nog kan worden gezegd dat zij in aanvaardbare mate in staat
wordt gesteld deel te nemen aan het leven van alledag, een en ander in
de zin van 's Raads jurisprudentie ter zake. Hieraan wordt nog
toegevoegd dat appellant niet inhoudelijk is ingegaan op het standpunt
van gedaagde dat gezien de technische levensduur van een aangepaste
bruikleenbus kan worden uitgegaan van een langere afschrijvingstermijn
dan zeven jaar en dat leasen niet de goedkoopste wijze van verwerving
is.
Het vorenstaande betekent dat thans niet kan worden vastgesteld of
appellant bij het voltrekken van de kosten/batenanalyse is uitgegaan van
de juiste gegevens. Het bestreden besluit kan mitsdien wegens strijd met
de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) niet in stand blijven.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden,
dient te worden bevestigd, met dien verstande dat appellant binnen 6
weken na verzending van 's Raads uitspraak een nieuw besluit op bezwaar
zal moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
De Raad voegt hieraan - in dit geding ten overvloede en ter voorlichting
van partijen - toe dat in het vorenstaande niet besloten ligt dat aan
gedaagde een aangepaste bruikleenbus dient te worden verstrekt, maar dat
dit afhankelijk van de opnieuw te maken afweging op voorhand ook niet
kan worden uitgesloten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleend
rechtsbijstand.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 675,- dient te worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak
een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen
in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,-;
Verstaat dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december
2001.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|