|
Uitspraak
01/596 REA en 02/4666 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 9 december 1998 heeft gedaagde appellants aanvraag om
een starterskrediet ingevolge artikel 30 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) ten behoeve van het opstarten van een
taxibedrijf afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 26 juli 1999 (hierna: besluit I) ongegrond
verklaard.
Bij het bestreden besluit van 9 augustus 2000 (hierna: besluit II) heeft
gedaagde geweigerd appellant ten behoeve van het opstarten van een
taxibedrijf borgtocht te verlenen.
De rechtbank Haarlem heeft bij de tussen partijen gewezen uitspraak van
1 december 2000 het tegen besluit I ingestelde beroep, voorzover dit
gericht was tegen het niet beslissen op het bezwaar tegen het weigeren
van een borgtocht niet ontvankelijk, en voor het overige ongegrond
verklaard, het beroep, voorzover - met toepassing van de artikelen 6:18
en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - gericht tegen besluit
II, ongegrond verklaard, gedaagde veroordeeld in de proceskosten en
bepaald dat gedaagde het door appellant betaalde griffierecht aan hem
vergoedt.
Namens appellant is H. van Emden, sociaal en juridisch adviseur bij
Consultatiebureau 'C.S.J.' voor sociaaljuridische hulpverlening te
Purmerend, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden. Het hoger beroep is gericht tegen de
ongegrondverklaring van het beroep tegen de besluiten I en II.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 juli 2002 heeft gedaagde op verzoek van de Raad nadere
informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 september 2002,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door H. van Emden,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
E.G. van Roest, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de in de bestreden besluiten neergelegde
weigering van gedaagde om appellant op grond van artikel 30 Wet Rea een
starterskrediet in de vorm van een geldlening of borgtocht te
verstrekken ten behoeve van het opstarten van een taxibedrijf in rechte
stand kan houden.
Bij de beantwoording van deze vraag gaat de Raad uit van de feiten en
omstandigheden, zoals die zijn weergegeven in de aangevallen uitspraak,
waarbij voor "eiser" moet worden gelezen appellant en voor
"verweerder" gedaagde:
"Eiser is op 16 december 1991 wegens psychische klachten
uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig taxichauffeur. Met ingang van
16 december 1992 is aan eiser een uitkering op grond van de voormalige,
tot 1 januari 1998 geldende, Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%. Per 4 januari 1993 is deze uitkering op grond van artikel 33 van
de AAW uitbetaald naar een percentage van 45 tot 55 en vervolgens per 1
april 1993 herzien naar dit percentage. Met ingang van 13 april 1995 is
de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser wederom vastgesteld op 80
tot 100%. Tot aan het moment dat eiser arbeidsongeschikt werd, beschikte
hij over een taxivergunning, waarvan hij in 1996 het laatste deel heeft
verkocht. In 1998 wenste eiser weer een taxivergunning te kopen, ten
einde opnieuw als zelfstandig taxichauffeur te gaan werken. Medio 1998
heeft eiser bij verweerder zowel telefonisch als schriftelijk een
verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een starterskrediet
ingevolge de Wet Rea. Bij brief van 5 november 1998 heeft eiser alsnog
zijn verzoek schriftelijk aan verweerder doen toekomen. Bij deze
aanvraag heeft eiser een krediet ten bedrage van f 92.000,-- toegekend.
Tevens heeft eiser bij zijn aanvraag een ondernemingsplan gevoegd. Eiser
heeft aan verweerder een krediet van f 100.000,-- gevraagd."
Vervolgens heeft gedaagde de in rubriek I genoemde besluiten genomen.
Aan de bestreden besluiten - zoals door gedaagde nader toegelicht ter
terechtzitting van de Raad - ligt onder meer ten grondslag dat uit de
beschikbare gegevens is gebleken dat in de financieringsbehoefte van
appellant is voorzien door kredietverlening door een particuliere
bankinstelling, dat appellant zich voor een eventueel aanvullend krediet
eerst dient te wenden tot een dergelijke bankinstelling en dat niet is
gebleken dat voor kredietverlening door een bank een borgstelling is
verlangd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de bij besluit I
gehandhaafde weigering om in het kader van de Wet Rea aan appellant een
starterskrediet in de vorm van een geldlening toe te kennen, in stand
gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan appellant door een
particuliere bankinstelling een krediet van f 92.000,-- is verleend en
dat het op de weg van appellant lag om zich, indien hij een hoger
krediet wenste, eerst wederom tot deze of een andere particuliere
bankinstelling te wenden. Nu hiervan niet is gebleken heeft gedaagde
naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geweigerd appellant
een starterskrediet in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het
beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel is door de rechtbank
afgewezen, omdat de stukken die appellant ter onderbouwing daarvan in
geding had gebracht betrekking hadden op het jaar 1996 en derhalve voor
de inwerkingtreding van de Wet Rea zijn afgegeven, zodat niet gesproken
kan worden van gelijke gevallen. De rechtbank heeft het beroep tegen
besluit II op dezelfde gronden als het beroep tegen besluit I ongegrond
verklaard.
Appellant voert in hoger beroep - kort samengevat - aan, dat een
particuliere bank bereid was hem een krediet te verstrekken voor een
bedrag van f 92.000,--, maar dat dit bedrag niet voldoende was.
Aangezien de investering veel hoger was dan genoemd bedrag heeft hij een
aanvraag om een starterskrediet ingediend. In de Wet Rea is volgens
appellant niet bepaald dat een starterskrediet niet mogelijk is indien
een particuliere bankinstelling slechts tot een gedeeltelijke
financiering overgaat. Appellant betwist dat de omvang van een te
verstrekken starterskrediet, zoals gedaagde aanvankelijk heeft
aangenomen, is beperkt tot f 60.000,-- en beroept zich ook in hoger
beroep op een eerder door het GAK-kantoor Amsterdam aan een andere
arbeidsgehandicapte werknemer verstrekte borgstelling voor een bedrag
van f 225.000,--. Voorts acht hij het niet juist dat hij zich diep in de
schulden heeft moet steken, waarbij hij door de door hem verstrekte
zekerheid het risico loopt dat zijn woning, bij financiλle tegenwind,
door de bank zal worden verkocht. Appellant wenst toewijzing van een
starterskrediet in de vorm van een geldlening van f 100.000,-- of een
borgstelling die hem zekerheid in zijn bestaan biedt.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 30 van de Wet Rea kunnen, ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal van een arbeidsgehandicapte die
werkzaamheden als zelfstandige gaat verrichten, bij algemene maatregel
van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de verstrekking
door het Lisv van gelden in de vorm van een lening of het door het Lisv
verlenen van borgtocht, alsmede omtrent de aard en de omvang van de
activiteiten en de aan de subsidie te verbinden verplichtingen. Aan deze
bepaling is uitvoering gegeven door vaststelling van het Besluit
starterskrediet arbeidsgehandicapten van 27 juli 1998, Stb. 489 (hierna:
het Besluit).
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit, zoals dat ten tijde in
geding luidde, kan gedaagde op aanvraag van een arbeidsgehandicapte ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal een lening van ten
hoogste f. 60.000,-- verstrekken of borgtocht voor ten hoogste genoemd
bedrag verlenen. In de toelichting op het Besluit staat onder meer het
volgende vermeld:
"De uvi beoordeelt of de arbeidsgehandicapte die zich aanmeldt als
aspirant-starter, zich daarvoor allereerst tot een particuliere
bankinstelling moet wenden. Indien op voorhand de kans van
kredietverstrekking door de particuliere sector als miniem wordt
ingeschat, neemt de betrokken uvi zelf de aanvraag voor een
starterskrediet in behandeling."
Nu uit deze toelichting blijkt dat het starterskrediet er toe strekt om
startende ondernemers die wegens hun arbeidshandicap bij de banken geen
of moeilijk krediet kunnen krijgen, te helpen door hetzij een krediet,
hetzij en borgtocht te verstrekken, heeft gedaagde zich op goede gronden
op het standpunt kunnen stellen dat men zich in het algemeen eerst tot
en particuliere bankinstelling dient te wenden.
Uit het bij de aanvraag ingediende, door S.F. Tinkelenberg opgestelde
ondernemersplan is een kredietbehoefte aangegeven van f 92.000,--. Bij
de aanvraag is tevens gevoegd een brief van 7 augustus 1998 van
assurantie- en financieringskantoor Merkelbag & Co., waaruit blijkt
dat een door appellant gevraagd krediet ter grootte van f 92.000,-- door
een bank is gefiatteerd. Uit de in de bezwaarprocedure aan gedaagde
verstrekte jaarrekening over 1998 blijkt dat appellant bij particuliere
bankinstellingen een tweetal leningen heeft afgesloten tot een bedrag
van f 126.333,--. Nu de Raad noch uit deze stukken noch uit de overige
gedingstukken is gebleken van een onderbouwing van een verdergaande
behoefte aan uit een krediet te verkrijgen bedrijfskapitaal, en evenmin
is gebleken dat appellant zich voor een in zijn ogen noodzakelijke
verdere kredietbehoefte heeft gewend tot een particuliere
bankinstelling, moet worden geconcludeerd dat gedaagde terecht geweigerd
heeft om appellant een starterskrediet te verlenen in de vorm van een
lening of een borgstelling. Evenals de rechtbank en op dezelfde grond
wijst de Raad het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel af.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is en de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht - ten slotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A. de
Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. de Gooijer.
|
|