|
Uitspraak
01/4042 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Gedaagde heeft appellant verzocht om op grond van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea) in aanmerking te
komen voor een plaatsingsbudget ad f 24.000,-- .
Bij besluit van 19 april 2000 heeft appellant dit verzoek afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 26 oktober 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Almelo heeft het door gedaagde tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 13 juni 2001 gegrond verklaard met
de opdracht aan appellant om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Bij
die uitspraak is appellant veroordeeld in de door gedaagde gemaakte
proceskosten en is bepaald dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen deze proceskosten, alsmede het door gedaagde
betaalde griffierecht, dient te vergoeden.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 2002,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M. van Bezu,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en waar
voor gedaagde zijn verschenen mr. M. Tijken, advocaat te Oldenzaal en A.
Dekker, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De aangevallen uitspraak bevat een uiteenzetting van de voor dit geding
van belang zijnde feiten en de door partijen in eerste aanleg ingenomen
standpunten, waarbij gedaagde is aangeduid als eiseres en appellant als
verweerder. Deze uitspraak luidt voor zover hier van belang:
"[Naam monteur] is op 1 april 1995 als monteur
aardingen en bliksembeveiligingen bij [naam bedrijf]
instalatietechnieken (hierna te noemen [naam bedrijf]) in dienst
getreden. Met ingang van 17 maart 1997 is [naam monteur] uitgevallen ten
gevolge van rugklachten. Bij [naam bedrijf] was geen mogelijkheid tot
herplaatsing; deze mogelijkheid bestond wel bij eiseres (...) Voor [naam
monteur] is vervolgens bij eiseres een nieuwe functie gecreëerd, waar
[naam monteur] op detacheringsbasis is gaan werken. Per einde wachttijd
wordt [naam monteur] voor 10-25% arbeidsongeschikt verklaard. Aangezien
de feitelijke verdiensten zouden leiden tot een
arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35%, wordt voor vier jaren loonsuppletie
toegekend. Tevens wordt aan [naam bedrijf] loonkostensubsidie toegekend.
Met ingang van 1 januari 2000 is [naam monteur] een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd aangegaan met eiseres. Op grond hiervan wordt bij
beschikking van 27 maart 2000 de loonkostensubsidie aan [naam bedrijf]
met ingang van 1 januari 2000 beëindigd. Tegen deze beslissing is geen
bezwaar ingediend, omdat deze beslissing door [naam bedrijf] en eiseres
juist wordt geacht. Het door eiseres aangevraagde plaatsingsbudget wordt
bij beslissing van 19 april 2000 geweigerd.
Eiseres voert tegen de bestreden beslissing aan dat verweerder onjuist
heeft gemotiveerd op welke grondslag hij zijn primaire beslissing heeft
gebaseerd. Voorts voert eiseres aan dat artikel 17 van de Wet Rea
verweerder niet de bevoegdheid geeft om de bepaling van artikel 6, lid
5, en onderdelen van lid 1 van de Regeling vast te stellen, zodat de
aanvraag niet op grond van artikel 6 van de Regeling kan worden
afgewezen. Subsidiair is eiseres van mening dat er geen sprake is van
kennelijk onbedoeld gebruik.
Verweerder stelt dat de primaire beslissing was gebaseerd op artikel 17
van de Wet Rea; er was slechts een verkeerd artikelnummer (artikel 15
van de Wet Rea) aangehaald. Voorts stelt verweerder dat de aanvraag om
een plaatsingsbudget op grond van artikel 6, lid 1, van de Regeling is
afgewezen, omdat voor [naam monteur] al loonkostensubsidie is verstrekt
op grond van artikel 62 van de WAO. Het plaatsingsbudget wordt verder op
grond van lid 5 van artikel 6 van de Regeling geweigerd, omdat er sprake
is van oneigenlijk gebruik. Dit omdat er volgens verweerder feitelijk
geen sprake is van een nieuwe werkgever, volgens verweerder."
Gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting neemt de Raad de door de rechtbank vermelde feiten, die
door partijen niet zijn bestreden, als vaststaand aan, waarbij voor
[naam bedrijf] Installatietechnieken moet worden gelezen [naam bedrijf]
Installatietechniek Oldenzaal B.V. De Raad voegt daar nog aan toe, dat
zowel deze besloten vennootschap als gedaagde ten tijde in geding
dochterondernemingen waren van [naam hoofdonderneming]
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond
verklaard en het bestreden besluit vernietigd op de volgende grond.
Gedaagde is door het aangaan van een dienstverband met [naam monteur]
eerst per 1 januari 2000 werkgever als bedoeld in artikel 1, sub r, van
de Wet Rea
van [naam monteur] geworden. Door het aangaan van dit dienstverband voor onbepaalde tijd moet op grond van artikel 17, eerste
lid, van de Wet Rea
aan gedaagde een plaatsingsbudget worden verstrekt.
Van een weigering hiervan op grond van het vierde lid van artikel 17 van
de Wet Rea
kan slechts sprake zijn als reeds eerder aan de werkgever
subsidie is verstrekt. Nu vaststaat dat gedaagde met ingang van 1 januari 2000 voor het eerst werkgever van [naam monteur] is geworden,
is aan deze voorwaarde niet voldaan, zodat naar het oordeel van de
rechtbank ten onrechte een plaatsingsbudget is geweigerd.
Appellant handhaaft in hoger beroep zijn eerder ingenomen standpunt. Hij
erkent in hoger beroep dat, bezien naar de tekst van artikel 17, vierde
lid, van de Wet Rea
en het daarop gebaseerde artikel 6, eerste lid, van
de Regeling werkgeverssubsidies Rea
(hierna: de Regeling) aan gedaagde
de toekenning van een plaatsingsbudget niet kan worden geweigerd,
aangezien er niet aan valt voorbij te zien, dat gedaagde eerst per 1
januari 2000 formeel de werkgever van [naam monteur] is geworden.
Appellant neemt echter het standpunt in dat toekenning van een
plaatsingssubsidie in strijd is met de strekking van de wet, in die zin
dat er geen aanspraak bestaat op een (her)plaatsingsbudget of pakket op
maat indien de arbeidsgehandicapte ten behoeve van wie het budget wordt
aangevraagd, reeds is geplaatst. Hij beroept zich daartoe op het vierde
lid van de artikelen 15, 16 en 17. Daarnaast doet appellant zijn
weigering steunen op het bepaalde in het vijfde lid van artikel 6 van de
Regeling.
Gedaagde handhaaft eveneens zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt.
Zij voegt daar aan toe dat nimmer een subsidie op grond van de artikelen
15 tot en met 18 van de Wet Rea
ten behoeve van [naam monteur] is
verstrekt, zodat ook reeds op deze grond niet voldaan is aan het in het
vierde lid van artikel 17 van de Wet Rea
opgenomen vereiste.
De Raad overweegt het volgende.
In geding is de vraag of de bij het bestreden besluit gehandhaafde
weigering om gedaagde een plaatsingssubsidie te verstrekken, in rechte
stand houdt.
Voor de beoordeling van deze vraag is de volgende wet- en regelgeving
van belang.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet Rea
verstrekt appellant op
aanvraag een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget aan de
werkgever die met een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, of
met een arbeidsgehandicapte anders dan bedoeld in artikel 10, 12 of 13,
een dienstbetrekking aangaat voor de duur van tenminste zes maanden.
Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat appellant volgens door hem te
stellen regels een subsidie als bedoeld in het eerste lid geheel of
gedeeltelijk kan weigeren, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een
arbeidsgehandicapte voor wie reeds eerder aan de werkgever subsidie op
grond van dit artikel of op grond van artikel 15, 16 of 18 van deze wet,
artikel 13b van de Wiw of artikel 81a van de Arbeidsvoorzieningswet is
verstrekt.
Aan artikel 17, vierde lid, van de Wet Rea
is uitwerking gegeven in de
Regeling. In artikel 6, vijfde lid, van de Regeling is bepaald dat er
geen (her)plaatsingsbudget wordt verstrekt indien er sprake is van
kennelijk onbedoeld gebruik.
Ingevolge artikel 1, sub r, van de Wet Rea
wordt als werkgever
aangemerkt de persoon tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat.
Ten aanzien van het beroep op de strekking van de wet overweegt de Raad
dat uit artikel 17, eerste lid, van de Wet Rea
blijkt dat voor
toekenning van een plaatsingsbudget aan de werkgever van doorslaggevend
belang is of deze met de arbeidsgehandicapte een dienstbetrekking voor
de duur van tenminste zes maanden aangaat. Nu de tekst van deze bepaling
helder is en daartoe ook overigens geen doorslaggevend te achten
aanknopingspunten bestaan ziet de Raad in het onderhavige geval geen
aanleiding voor de door appellant voorgestane engere uitleg van deze
bepaling.
Vaststaat dat [naam monteur] tot 1 januari 2000 in dienst was van [naam
bedrijf] Installatietechniek [naam vestigingsplaats] B.V. en dat hij met
ingang van genoemde datum in dienst is getreden bij gedaagde.
Op grond van artikel 1, sub r, van de Wet Rea
dient gedaagde per 1
januari 2000 als werkgever van [naam monteur] te worden aangemerkt. Niet
gebleken is van zodanig bijzondere omstandigheden dat [naam bedrijf]
Installatietechniek [naam vestigingsplaats] B.V. en gedaagde voor de
toepassing van artikel 17 van de Wet Rea
vereenzelvigd moeten worden.
Naar ook uit het verhandelde in eerste aanleg en ter zitting in hoger
beroep naar voren komt zijn beide vennootschappen niet alleen juridisch,
maar ook feitelijk zelfstandige bedrijven. Het enkele feit dat ze alle
twee dochterondernemingen van [naam hoofdonderneming] zijn, is in de
gegeven situatie onvoldoende om beide bedrijven te vereenzelvigen.
Ingevolge de in het eerste lid van artikel 17 van de Wet Rea
neergelegde
hoofdregel bestaat er op grond van de aangegane dienstbetrekking voor
gedaagde een aanspraak op een plaatsingsbudget.
Het vierde lid van artikel 17 van de Wet Rea
bevat een uitzondering op
deze hoofdregel.
Nu aan gedaagde ten behoeve van [naam monteur] niet reeds eerder
subsidies als bedoeld in het vierde lid van voormeld artikel 17 zijn
verstrekt, is niet voldaan aan de vereisten voor deze uitzondering.
Appellant is derhalve uit hoofde van deze bepaling niet bevoegd gedaagde
een plaatsingssubsidie (geheel of gedeeltelijk) te weigeren. Evenmin kan
een weigeringsgrondslag worden gevonden in een of meer bepalingen van de
Regeling, omdat deze eerst van toepassing kunnen zijn, indien er een
weigeringsbevoegdheid op grond van het vierde lid van artikel 17 van de
Wet Rea
aanwezig is en dat is in casu niet het geval. Het beroep op een
kennelijk onbedoeld gebruik, als neergelegd in artikel 6, vijfde lid,
van de Regeling kan dan ook geen doel treffen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het
bestreden besluit is vernietigd, voor bevestiging in aanmerking komt.
Appellant dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen. In dat besluit
dient tevens een beslissing te worden genomen over de door gedaagde
verzochte schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van € 327,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant op
het bezwaar van gedaagde dient te beslissen met inachtneming van hetgeen
in deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid
van mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
31 december 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|