|
Uitspraak
02/3662 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak
wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Gedaagde heeft appellant verzocht om in aanmerking te komen voor
vergoeding van de kosten van de studie Psychology en Social Work aan de
University of Gallaudet in Washington (VS).
Bij besluit van 20 juni 2001 heeft appellant dit verzoek met toepassing
van artikel 22, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea) afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 7 januari 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Assen heeft het door gedaagde
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij met toepassing van
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gewezen
uitspraak van 5 juni 2002 gegrond verklaard met de opdracht aan
appellant om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw
besluit op bezwaar te nemen. Bij die uitspraak is appellant veroordeeld
in de door gedaagde gemaakte proceskosten en is bepaald dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze proceskosten, alsmede
het door gedaagde betaalde griffierecht, dient te vergoeden. Bij de
aangevallen uitspraak is het verzoek van gedaagde om een voorlopige
voorziening te treffen afgewezen.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
De Raad is op verzoek van gedaagde overgegaan tot versnelde behandeling
als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb.
Appellant heeft bij brief van 12 september 2002 nog een nader stuk
toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 oktober 2002,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door F.A. Martens,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en waar
voor gedaagde zijn verschenen mr. L.J. van der Veen, advocaat te
Groningen, en zijn ouders.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is besloten het
onderzoek te schorsen teneinde appellant in de gelegenheid te stellen
nadere informatie te overleggen.
Appellant heeft vervolgens bij faxbericht van 19 november 2002 nadere
stukken aan de Raad doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 november 2002, waar appellant
en gedaagde zich door dezelfde personen hebben laten vertegenwoordigen
als ter zitting van 10 oktober 2002.
II. MOTIVERING
De aangevallen uitspraak bevat een uiteenzetting van de voor dit geding
van belang zijnde feiten en de door partijen in eerste aanleg ingenomen
standpunten, waarbij gedaagde is aangeduid als verzoeker en appellant
als verweerder.
Deze luidt voor zover hier van belang:
"Feiten en omstandigheden
Verzoeker, geboren op 16 september 1980, is sinds zijn geboorte volledig
doof.
Hij communiceert door middel van gebarentaal; liplezen lukt minimaal.
In juni 1998 heeft verzoeker zijn MAVO-diploma gehaald, waarna hij aan
het Noorderpoort College te Groningen een MBO-opleiding (SPW) is gaan
volgen.
Om dit onderwijs te kunnen volgen heeft verweerder verzoeker een
tegemoetkoming in de kosten van vergoeding van een doventolk toegekend
voor maximaal 800 uren per kalenderjaar. Verzoeker heeft deze opleiding
uiteindelijk gestaakt, omdat het volgen van deze opleiding vanwege een
tolkentekort voor hem ondoenlijk was.
Verzoeker heeft, afgezien van enig vakantiewerk en enkele bijbaantjes,
nooit regulier in loondienst gewerkt.
Per 16 september 1998 is hem een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Verweerder baseerde deze toekenning op rapportages van de
verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.
Verzoeker heeft verweerder verzocht hem op grond van artikel 22 van de
wet Rea in aanmerking te brengen voor de kosten van de opleiding aan de
University of Gallaudet te Washington, studierichting Psychology en
Social Work, waar door en voor doven wordt onderwezen. Hij heeft daarbij
aangegeven deze opleiding te willen volgen, omdat er in Nederland
behoefte bestaat aan gekwalificeerde dove psychologen en het slecht
gesteld is met de opleidingsmogelijkheden voor dove jongeren in de
zorgsector.
De gekozen studierichting leidt op tot een internationaal erkende Master
titel (doctoraal). De totale studieduur is beraamd op 6 jaar. Verzoeker
heeft gewezen op het bijkomende voordeel dat door het volgen van deze
studie de kosten van een tolk, nodig tijdens studie in Nederland, worden
vermeden. Daarnaast heeft ver-zoeker nog gewezen op een aantal andere
Nederlandse doven dat, met een tegemoetkoming in de studiekosten in het
kader van de AAW, aan de Gallaudet University studeert.
De afdeling Kliq-arbeidsintegratie heeft geadviseerd verzoeker voor
vergoeding van scholingskosten in aanmerking te brengen.
Arbeidsdeskundige R. van Beers heeft op 8 juni 2001 terzake van de
aanvraag gerapporteerd en verweerder geadviseerd verzoeker niet in
aanmerking te brengen voor de gevraagde scholing. De arbeidsdeskundige
geeft aan dat vanuit de Wet Rea de meerkosten voor opleidings- en
werksituaties die tengevolge van een handicap ontstaan worden vergoed,
waarbij de norm is dat de scholing maximaal 2 jaar duurt en gericht is
op een concreet vak of beroep. De door verzoeker genoemde opleiding
duurt, zo geeft de arbeidsdeskundige aan, duidelijk langer dan normaal
gebruikelijk, met deze opleiding zijn nog geen concrete ervaringen
opgedaan en het is onzeker of er in de toekomst wel een budget is om
dergelijke hulpverlening op te zetten. De arbeidsdeskundige betwijfelt
voorts af of de keuze voor het toekomstig werkveld past bij de persoon
en de handicap van de cliënt en vindt dat hiernaar meer onderzoek moet
worden gedaan. De arbeidsdeskundige geeft verder aan dat verzoeker
bemiddelbaar is naar werk en wijst er in dit verband op dat verzoekers Wajong-uitkering is toegekend in de periode dat werd aangenomen dat
doven per definitie niet kunnen werken en dat men hierop inmiddels is
teruggekomen.
Bij besluit van 20 juni 2001 heeft verweerder geweigerd de gevraagde
voorziening te verstrekken, aangezien verzoeker naar het oordeel van
verweerder goed bemiddelbaar is naar betaald werk.
Namens verzoeker is bij brief van 16 juli 2001, aangevuld bij brief van
27 augustus 2001, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Gesteld is dat
verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder
is aangegeven dat verzoeker na het volgen van de opleiding met een aan
zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zo aan de slag zou kunnen in de
psychosociale hulpverlening aan doven. Verder wordt aangegeven dat
verzoeker slechts onder bijzondere omstandigheden kan functioneren op de
arbeidsmarkt en dat de werkzaamheden die hij tot nu toe heeft verricht
tot stand zijn gekomen met behulp van zogenoemde kruiwagens.
De bezwaren zijn op 3 september 2001 tijdens een hoorzitting nader
toegelicht. Hierbij was ook de bezwaararbeidsdeskundige Stiekema
aanwezig.
Op basis van het op 13 november 1998 door de verzekeringsarts opgestelde
belastbaarheidspatroon (en actueel bevonden op 22 juni 2000) heeft de
arbeidsdeskundige Van Beers aan verweerder gerapporteerd bij zijn eerder
advies, inhoudende het niet vergoeden van de door verzoeker gewenste
opleiding, te blijven. Door de arbeidsdeskundige is aangegeven dat na
raadpleging van het FIS diverse functies passend geacht worden voor
verzoeker en dat hij hiermee in ieder geval het wettelijk minimumloon
zou kunnen verdienen. De arbeidsdeskundige geeft verder aan dat het
wensberoep van verzoeker voor hem moeilijk realiseerbaar zal zijn, dat
niet zeker is of de gewenste opleiding voor hem haalbaar is en dat er
andere mogelijkheden zijn om werkzaam te zijn, ook - na een korte
gerichte opleiding - in een omgeving, waar hij zijn intellectueel
vermogen kwijt kan.
Bezwaararbeidsdeskundige Stiekema heeft in zijn rapportage van 19
december 2001 aangegeven dat verzoeker voor minder dan 25%
arbeidsongeschikt kan worden beschouwd in het kader van de Wajong en dat
het volgen van scholing om die reden niet leidt tot een afname van de
arbeidsongeschiktheid. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is daarmee
niet voldaan aan de voorwaarden die de Wet Rea stelt om over te kunnen
gaan tot vergoeding van de gevraagde kosten.
Bij brief van 2 januari 2002 is namens verzoeker gereageerd op de
rapportage van de arbeidsdeskundige van 10 december 2001.
Bij het thans bestreden besluit van 7 januari 2002 is het bezwaar
ongegrond verklaard. Verweerder geeft daarbij aan dat aan verzoeker ten
onrechte een uitkering op grond van de Wajong is toegekend, aangezien er
blijkens de rapportages van de (bezwaar) arbeidsdeskundige voldoende
passende functies te duiden zijn die verzoeker zonder aanvullende
scholing zou kunnen verrichten en verzoeker, gelet op het inkomen wat
hij met die functies zou kunnen verrichten, minder dan 15%
arbeidsongeschikt zou zijn. Hiervan uitgaande leidt scholing niet tot
afname van de arbeidsongeschiktheid en wordt er, aldus verweerder, niet
voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 22, eerste en tweede lid,
van de Wet Rea. Verweerder geeft verder aan dat een beroep op het
gelijkheidsbeginsel niet opgaat en dat de aanvraag ook niet kan worden
beschouwd als een aanvraag op grond van artikel 22, vierde lid, van de
Wet Rea, aangezien het daar niet gaat om het vergoeden van de kosten van
de opleiding, maar slechts om vergoeding van voorzieningen die
belemmeringen wegnemen.
Standpunten partijen
Verzoeker stelt dat het reguliere onderwijs in Nederland voor hem, door
een tekort aan doventolken, feitelijk is uitgesloten en de door hem
geambieerde opleiding voor hem bij uitstek geschikt is nu het een
speciale opleiding voor doven betreft. Verzoeker stelt voorts dat hij
tot op heden nog steeds als volledig arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong
wordt beschouwd en dat het verweerder niet vrijstaat van deze
beoordeling af te wijken. Verder wijst verzoeker er op dat hij steeds
zonder problemen een in geld uitgedrukte hogere voorziening voor
tolkuren voor het tot nog toe gevolgde onderwijs ontving. Verzoeker
onderbouwt zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel met een aantal
beslissingen van (rechtsvoorgangers van) verweerder en verwijst voorts
nog naar een uitspraak van de CRvB van 8 oktober 1999 (RSV 1999,292).
Subsidiair stelt vetzoeker dat de thans geduide functies voor hem niet
geschikt zijn, nu deze nagenoeg allemaal een zekere vorm van
communicatie vereisen en dat de vakantiebaantjes die hij tot nog toe
heeft verricht niet vergelijkbaar zijn met een normale functie in het
productieproces.
Verzoeker geeft voorts aan bezwaar te hebben tegen de inschatting van de
arbeidsdeskundige van zijn capaciteiten en het arbeidsmarktperspectief
die in hoge mate speculatief is en geen recht doet aan de achterliggende
gedachte van de Wet Rea dat integratie op de arbeidsmarkt zoveel
mogelijk dient te worden gestimuleerd.
Ten aanzien van het spoedeisend belang stelt verzoeker dat de
inschrijftermijn voor het studiejaar 2002/2003 inmiddels is gesloten,
maar dat hem is toegestaan zich nog op zo kort mogelijke termijn, onder
overlegging van een bewijs dat de studiekosten worden betaald, in te
schrijven.
Verweerder merkt op dat de strekking van de Wet Rea is het alle
arbeidsgehandicapten makkelijker te maken betaalde werkzaamheden te
verrichten door kosten van belemmeringen weg te nemen. Verweerder wijst
er in dit verband op dat uitgebreid onderzoek is verricht naar de
mogelijkheden die verzoeker met zijn medische beperkingen en zijn
huidige opleiding heeft en dat uit dit onderzoek naar voren komt dat er
voor verzoeker voldoende passend werk aanwezig is. Verweerder verwijst
hierbij nog naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en deze
rechtbank. Verweerder merkt voorts op dat het feitelijk arbeidsverleden
van verzoeker niet kan afdoen aan zijn theoretische verdiencapaciteit.
Het vergoeden van de door verzoeker geambieerde opleiding is, aldus
verweerder, dan ook niet nodig om de arbeidsgeschiktheid van verzoeker
in de zin van de Wet Rea te bevorderen.
Verweerder geeft nog aan dat de voorziening die verzoeker tot op heden
ontving, een voorziening was op grond van artikel 22, vierde lid, van de
Wet Rea en dus duidelijk een andere voorziening is dan de voorziening
waarom nu wordt gevraagd. Verweerder blijft van oordeel dat het beroep
op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat nu bij verzoeker geen sprake is
van arbeidsongeschiktheid en dus, in tegenstelling tot de genoemde gevallen, geen sprake kan zijn bevordering van de
arbeidsgeschiktheid."
Gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting neemt de Raad de door de voorzieningenrechter vermelde
feiten, die door partijen niet zijn bestreden, als vaststaand aan.
De voorzieningenrechter heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep
gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op de grond dat
appellant, nu gedaagde een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geniet, bij
de toepassing van artikel 22 van de Wet Rea ten onrechte is uitgegaan
van arbeidsgeschiktheid van gedaagde.
Het hoger beroep is hiertegen gericht. Appellant handhaaft in hoger
beroep zijn eerder ingenomen standpunt. Daaraan wordt - kort samengevat
- het volgende toegevoegd. Voor appellant vormt uitgangspunt dat het
(dreigend) verlies aan verdiencapaciteit door de aangevraagde scholing
adequaat moet kunnen worden gecompenseerd. Daarbij gaat het om de vraag
of de verzekerde door het treffen van de voorziening in staat is of in
de toekomst in staat zal zijn om met arbeid inkomsten te verdienen die
leiden tot beëindiging van de uitkering of indeling in een lagere
arbeidsongeschiktheidsklasse. Indien de voorziening hieraan geen
wezenlijke bijdrage levert, is aan de voorwaarde dat het vermogen tot
het verrichten van inkomensvormende arbeid juist door die voorziening
daadwerkelijk wordt gerealiseerd, niet voldaan. Dat is volgens appellant
ook het geval als het vermogen tot het verrichten van inkomensvormende
arbeid, ondanks het genieten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in
feite reeds aanwezig is, zoals in casu. Naar de mening van appellant
staat het hem vrij in het kader van artikel 22 Wet Rea
om de huidige
mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Het enkele feit dat
appellant om hem moverende redenen aan de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling nog geen consequenties heeft verbonden
voor het recht op Wajong-uitkering, maakt dit volgens appellant niet
anders. Voorts geeft appellant aan dat in het verleden aan een flink
aantal auditief gehandicapten ten onrechte een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, omdat in 1999 door een
bezwaararbeidsdeskundige, in dienst van de voormalige GAK Nederland BV,
in ruime interne kring een notitie is verspreid, waarin is vermeld dat
verzekerden met een prelinguale doofheid voor de communicatie zijn
aangewezen op communicatie met hun handen, als gevolg waarvan geen
arbeid zou kunnen worden geduid die met de handen moet worden verricht.
Op 10 augustus 1999 heeft appellant zijn managers bezwaar en beroep,
stafverzekeringsartsen en stafarbeidsdeskundigen geïnformeerd dat
genoemde notitie niet zijn standpunt weergeeft. Met de uit de beperking
in het gehoor samenhangende beperkingen zijn volgens appellant tal van
functies te duiden.
De Raad overweegt het volgende.
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van genoemde wet
heeft appellant tot taak de inschakeling van een arbeidsgehandicapte die
recht heeft op Wajong-uitkering in het arbeidsproces te bevorderen.
Daartoe verstrekt gedaagde ingevolge het derde lid van dit wetsartikel
aan de arbeidsgehandicapte instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 4 van
de Wet Rea, waartoe de in artikel 22, eerste en tweede lid, aanhef en
onder a, van die wet genoemde scholingsvoorziening behoort.
Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Wet Rea, zoals die ten tijde in
geding luidde, dient door gedaagde ten aanzien van de
arbeidsgehandicapte, jonger dan 23 jaar en die recht heeft op een
uitkering op grond van de Wajong, samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een traject te worden vastgesteld gericht
op inschakeling in het arbeidsproces.
Vast staat dat gedaagde per 16 september 1998 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong is toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eveneens
staat vast dat deze uitkering ten tijde in geding (en ook thans) niet
was (is) ingetrokken of gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat gedaagde ten
tijde in geding ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van
de Wet Rea, arbeidsgehandicapte was in de zin van deze wet en behoort
tot de doelgroep, waarop artikel 22, eerste lid, van de Wet Rea
betrekking heeft.
Gedaagde heeft het bestreden besluit gebaseerd op een zelfstandige - los
van het besluit van 16 september 1998 staande - beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid van gedaagde naar de maatstaven van de Wajong en
is daarbij tot de conclusie gekomen dat gedaagde niet arbeidsongeschikt
is in de zin van de Wajong. Hij heeft deze conclusie niet doen uitmonden
in een Wajong-besluit met betrekking tot (herziening of beëindiging
van) het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De Raad is van oordeel dat het systeem van de Wet Rea, zoals blijkt uit
de artikelen 2, 10 en 22 uitgaat van het al dan niet recht hebben op
onder andere een Wajong-uitkering, waarbij de formele situatie, zoals
deze blijkt uit door het uitvoeringsorgaan genomen besluiten in de zin
van de Awb met betrekking tot de Wajong-uitkering, uitgangspunt dient te
zijn. Door op de wijze als hier geschied een feitelijke Wajong-schatting
in het kader van artikel 22 van de Wet Rea
te verrichten, miskent
appellant de formele rechtskracht van het besluit van 16 september 1998.
Nu gedaagde ten tijde in geding recht had op een Wajong-uitkering, heeft
appellant ten onrechte de door hem gestelde volledige
arbeidsgeschiktheid van gedaagde aan het bestreden besluit ten grondslag
gelegd, zodat dit besluit wegens strijd met de wet geen stand kan
houden. De rechtbank heeft derhalve op juiste grond dit besluit
vernietigd.
De Raad overweegt voorts het volgende.
Uitgaande van een bij gedaagde ten tijde hier in de geding bestaande arbeidsongeschiktheid, dient de vraag te worden beantwoord of voldaan is
aan de in artikel 22, eerste lid, van de Wet Rea
genoemde vereisten.
Indien dat het geval is, is het, gelet op de aan appellant in het eerste
lid van dat artikel gegeven bevoegdheid, aan appellant om te beoordelen
of een voorziening als waarom is verzocht, verstrekt moet worden.
Gedaagde heeft zich zowel in de bezwaarprocedure als in de procedures in
eerste aanleg en in hoger beroep consistent beroepen op een aantal, met
name genoemde, gevallen waarin appellant wel tot vergoeding van kosten,
verbonden aan het volgen van een studie aan de University of Gallaudet
(hierna: de Gallaudet-voorziening), aan dove jongeren is overgegaan.
Aangegeven is dat alle verzoeken om vergoeding van opleidingskosten aan
die universiteit zijn toegekend. De Raad heeft ter zitting van 10
oktober 2002 appellant verzocht aan te geven in hoeveel gevallen de
Gallaudet-voorziening verstrekt respectievelijk afgewezen is. De Raad
heeft de zitting vervolgens mede op verzoek van partijen geschorst om
appellant de gelegenheid te geven zijn standpunt, onder meer inhoudend
dat er wel afwijzingen hebben plaatsgevonden, met gegevens te
onderbouwen.
Van de zijde van appellant is vervolgens een interne memo van 15
november 2002 in geding gebracht, waarin vermeld staat:
"Begin dit jaar is door Staf IR (mede op verzoek van
SZW) bij de UWV-Gak-kantoren een inventarisatie gehouden van het aantal
gevallen waarin om een vergoeding van de kosten van een opleiding aan de
Gallaudet University is gevraagd. Voor zover door de kantoren kon worden
achterhaald bleek het in totaal te gaan om 12 gevallen, waarvan 11
toekenningen (niet allemaal meer lopend) en één aanvraag waarbij door
het betrokken kantoor niet is aangegeven of daarop een toekenning of een
afwijzing is gevolgd. (...)"
Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van appellant bevestigd dat alle
aanvragen om toekenning van de Gallaudet-voorziening in behandeling zijn
of zijn geweest bij de voormalige GAK-kantoren van het Uwv, zodat de
Raad er in dit geding van uit gaat dat de in de memo genoemde
inventarisatie een nagenoeg compleet beeld geeft van de besluitvorming
met betrekking tot de Gallaudet-voorziening.
Uit de memo van 15 november 2002 blijkt dat vier Gallaudet-voorzieningen
op grond van de AAW (oud) zijn verstrekt en dat de resterende acht zijn
gebaseerd op artikel 22, eerste en tweede lid, van de Wet Rea. Ter
zitting is door de gemachtigde van appellant toegelicht dat de Gallaudet-voorziening in al deze gevallen is toegekend op diverse gronden
(o.a. geen arbeidsgeschiktheid aangenomen, arbeidsmarkttoets vergeten
toe te passen, conversie van doventolkvoorziening naar
opleidingsvoorziening, met toepassing van de arbeidsmarkttoets), maar
dat al deze gronden naar zijn mening onjuist zijn.
De Raad leidt uit de gedingstukken, waaronder de interne memo's van
appellant van 8 augustus 2002 en 15 november 2002 en de overgelegde
toekenningsbesluiten, en het verhandelde op beide zittingen van de Raad
af dat - in elk geval ten tijde in geding - appellant geen (geschreven)
beleid had ontwikkeld ten aanzien van de Gallaudet-voorziening en dat in
de uitvoeringspraktijk sprake was van een, afhankelijk van welke
arbeidsdeskundige en welk kantoor zich met de aanvraag bezig hield,
willekeurige beoordeling van de diverse verzoeken om zulk een
voorziening. Die beoordeling heeft op diverse gronden - die ook op
gedaagde van toepassing kunnen zijn (in dit verband merkt de Raad op dat
de aanvraag na uitgebreid onderzoek is gedaan op voorstel van Kliq
Drenthe, onderdeel van de voormalige GAK Nederland BV, uit hoofde van de
ingevolge artikel 10 van de Wet Rea
op gedaagde rustende verplichting) -
in alle zeven gevallen tot resultaat gehad dat de gevraagde voorziening
werd verstrekt, ook in gevallen waar het een vier- of vijfjarige
opleiding betrof. De Raad acht niet aannemelijk dat deze
beoordelingswijze na 10 augustus 1999 is gewijzigd. Appellant heeft niet
kunnen verklaren waarom ook nog bij besluit van 26 april 2002 wederom
aan een aanvrager een Gallaudet-voorziening is toegekend en heeft evenmin
aangetoond dat er na 10 augustus 1999 verzoeken om een dergelijke
voorziening zijn afgewezen. Voorts wordt in de door appellant ter
zitting overgelegde interne notities van 1 juli 2002 van het Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van 15 november 2002 gesproken
van wijziging van beleid per komend schooljaar, respectievelijk per 1
augustus 2002.
De Raad concludeert dan ook gezien het vorenstaande dat de onderhavige
weigering is genomen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb,
in welke wetsbepaling geacht moet worden mede het verbod van willekeur
besloten te liggen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het
bestreden besluit is vernietigd, voor bevestiging in aanmerking komt.
Appellant dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger
beroep. Deze kosten zijn begroot op € 805,-- voor verleende
rechtsbijstand.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van appellant
een recht van € 327,-- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met dien
verstande dat appellant op het bezwaar van gedaagde dient te beslissen
met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag van € 805,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december
2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|