|
Uitspraak
00/2511 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, appellant,
en
de maatschap [naam maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft appellant gedaagdes aanvraag om op
grond van artikel 17 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in aanmerking te worden gebracht voor een
subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget ten behoeve van [werknemer]
afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 1 maart 1999 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 27 maart 2000 het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden
besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met
inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts heeft de
rechtbank appellant veroordeeld tot vergoeding van de door gedaagde
gemaakte proceskosten tot een bedrag van f. 12,50 en bepaald dat
appellant het door gedaagde gestorte griffierecht vergoedt.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde is door mr. J.M. Dunhof, werkzaam bij Deloitte &
Touche Juridische Dienstverlening, een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 3 februari 2003 van repliek gediend en -
op verzoek van de Raad - nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 februari 2003,
waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. B. de Pijper, werkzaam
bij het Uwv. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.G.
Wever, werkzaam bij Deloitte & Touche Juridische Dienstverlening.
II. MOTIVERING
De Raad gaat in dit geding uit van de volgende, uit de gedingstukken en
het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en omstandigheden.
Aan [werknemer] (hierna aangeduid als [werknemer]) is met ingang van
begin 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65 %, toegekend. Met ingang van 1
januari 1997 is hij op basis van een nulurencontract op afroep
werkzaamheden als chauffeur voor gedaagde gaan verrichten. Op 13
februari 1998, 3 april 1998 en 19 juni 1998 heeft de
arbeidsintegratiedeskundige B. Smits (hierna: Smits) van het Uwv tijdens
zijn spreekuur met [werknemer] de voortgang van diens reïntegratie op
de arbeidsmarkt besproken. In laatstgenoemd gesprek heeft Smits bij
[werknemer] geïnformeerd naar de mogelijkheid om bij gedaagde voor een
vast aantal uren in dienst te komen, waarbij volgens Smits gedacht moest
worden aan 15 uur vanwege loonkostensubsidiemogelijkheden. Vervolgens
heeft mr. Dunhof, voornoemd, hierover op 25 en 29 juni 1998 telefonisch
contact gehad met Smits.
Dit is uitgemond in een tussen [werknemer] en gedaagde voor onbepaalde
tijd overeengekomen min/max arbeidsovereenkomst met een minimum van 20
uur per week in de functie van chauffeur. De overeenkomst is door
partijen ondertekend op 30 juni 1998 en is ingegaan per 1 juli 1998.
Op 12 augustus 1998 heeft gedaagde appellant verzocht om subsidie in de
vorm van een plaatsingsbudget in verband met de indiensttreding van
[werknemer].
Daarop heeft appellant bij het primaire besluit van 29 oktober 1998
afwijzend beslist, welke afwijzing bij het bestreden besluit is
gehandhaafd.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat, nu [werknemer] al op
afroepbasis voor gedaagde werkzaam was in de periode 1 januari 1997 tot
1 juni 1998, niet voldaan is aan de volgens appellant in artikel 17 van
de Wet Rea gestelde voorwaarde dat de dienstbetrekking van [werknemer]
(per 1 juli 1998) moet zijn 'aangegaan'. Voorts heeft appellant bij het
bestreden besluit het beroep van gedaagde op het vertrouwensbeginsel
verworpen, omdat er geen sprake is van ondubbelzinnige, schriftelijk
gedane toezeggingen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de bij het bestreden
besluit gehandhaafde weigering om in het kader van de Wet Rea aan
gedaagde een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget toe te kennen,
vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat een nulurencontract eerst
als dienstbetrekking kan worden beschouwd, indien en voor zolang de
betrokkene gehoor geeft aan de oproep om te werken. De stelling van
appellant dat een vóór 1 juli 1998 bestaande dienstbetrekking aan
toekenning van een plaatsingsbudget in de weg staat, kan naar het
oordeel van de rechtbank niet staande worden gehouden, omdat [werknemer]
direct voorafgaande aan zijn per 1 juli 1998 ingaande vaste aanstelling
niet was opgeroepen om te komen werken, zodat tussen [werknemer] en
gedaagde direct voorafgaande aan deze aanstelling geen sprake was van
een dienstbetrekking.
Appellant voert in hoger beroep - kort samengevat - aan, dat er sprake
is van een arbeidsovereenkomst die arbeidsrechtelijk beschouwd kan
worden als een voortzetting van een reeds vóór 1 juli 1998
overeengekomen arbeidsrelatie. Appellant doet daarvoor een beroep op het
bepaalde in artikel 7:668, derde en vierde lid, BW, zoals dat ten tijde
in geding luidde, en constateert dat [werknemer] in de vier weken vóór
1 juli 1998 voor gedaagde werkzaam is geweest. In de visie van appellant
is er geen sprake van de in genoemde wettelijke bepaling opgenomen
uitzonderingssituatie van 'losse, ongeregelde arbeid'. Daarmee is niet
voldaan aan het in artikel 17 van de Wet Rea opgenomen vereiste van
'aangaan' van een dienstbetrekking.
Subsidiair doet appellant een beroep op het overgangsrecht van de Wet
Rea. Aangezien de arbeidsovereenkomst is gesloten op 30 juni 1998 kan op
grond van artikel 77, derde lid, van de Wet Rea geen plaatsingsbudget
worden toegekend.
Gedaagde betwist dat er geen sprake is van 'losse, ongeregelde arbeid'
en wijst daarvoor op de grote vrijblijvendheid die werkgever en
oproepkracht hebben bij het nulurencontract, dat gezien moet worden als
een voorovereenkomst, gericht op het (laten) verrichten van afroepwerk.
De uit deze voorovereenkomst tot stand gekomen (kortstondige)
arbeidsovereenkomsten eindigden ieder voor zich binnen 31 dagen.
Gedaagde beroept zich voor zijn zienswijze op de memorie van toelichting
bij artikel 7A:1639 f, vierde lid, BW (oud), waarin 'losse, ongeregelde
arbeid' wordt gedefinieerd als arbeid "waarbij het onderbreken van
de dienstbetrekking uit de aard van het werk voortvloeit". Voorts
heeft gedaagde ter ondersteuning van haar standpunt gewezen op lagere
rechtspraak met betrekking tot dit begrip.
Indien er per 1 juli 1998 wel sprake zou zijn van een voortgezette
dienstbetrekking dan staat dit volgens gedaagde niet aan toekenning van
een plaatsingsbudget in de weg, nu uit de memorie van toelichting op
artikel 17 van de Wet Rea voortvloeit dat ook bij het in dienst nemen
van een arbeidsgehandicapte werknemer die vroeger al in dienst was,
aanspraak kan worden gemaakt op subsidie ingevolge de Wet Rea.
De subsidiaire beroepsgrond acht gedaagde niet juist, omdat het
dienstverband van [werknemer] met gedaagde feitelijk en contractueel
gezien op 1 juli 1998 - de datum van onmiddellijke inwerkingtreding van
de Wet Rea - is aangevangen c.q. per die datum is aangegaan. De datum
van ondertekening van de arbeidsovereenkomst is volgens gedaagde niet
maatgevend, althans zou dit niet moeten zijn.
Gedaagde maakt voorts bezwaar tegen de geringe omvang van de
proceskostenveroordeling door de rechtbank. Gedaagde begroot die kosten
op f. 1.420,--. Zij verzoekt de door de rechtbank uitgesproken
kostenveroordeling in deze zin te corrigeren.
In dit geding is de vraag aan de orde of de weigering van appellant om
gedaagde in het kader van de Wet Rea ten behoeve van haar werknemer
[werknemer] een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget toe te
kennen, in rechte stand houdt.
Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wettelijke
bepalingen, zoals deze luidden ten tijde in geding, van belang.
Art. 17 Wet Rea
"1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen verstrekt op
aanvraag een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget aan de
werkgever die met een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, of
met een arbeidsgehandicapte anders dan bedoeld in artikel 10, 12 of 13
een dienstbetrekking aangaat voor de duur van tenminste zes maanden.
(...)
4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan volgens door hem te
stellen regels een subsidie als bedoeld in het eerste lid geheel of
gedeeltelijk weigeren, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een
arbeidsgehandicapte voor wie reeds eerder aan de werkgever subsidie op
grond van dit artikel (…) is verstrekt."
Art. 77, derde lid, Wet Rea
"(...)
2. Het verstrekken van een subsidie in de vorm van een
herplaatsingsbudget als bedoeld in artikel 16 of een pakket op maat als
bedoeld in artikel 18, vindt niet plaats indien de in artikel 16
bedoelde hervatting in een andere functie is aangevangen of
overeengekomen voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet.
3. Het verstrekken van een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget
als bedoeld in artikel 17, of een pakket op maat als bedoeld in artikel
18, vindt niet plaats indien een dienstbetrekking is aangevangen of
aangegaan voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet."
Partijen houdt primair de vraag verdeeld of er door de gewijzigde
afspraken tussen gedaagde en [werknemer] over de omvang van de door
laatstgenoemde per 1 juli 1998 te verrichten werkzaamheden sprake is van
het aangaan van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 17 van de
Wet Rea. De Raad komt echter niet de aan de beantwoording van deze vraag
toe, omdat ook in het geval er sprake is van het 'aangaan van een
dienstbetrekking' in voornoemde zin artikel 77, derde lid, van de Wet Rea
aan het verstrekken van het gevraagde plaatsingsbudget in de weg
staat. Daartoe overweegt de Raad het volgende.
De term 'aangaan' (van een dienstbetrekking) als bedoeld in artikel 77,
derde lid, van de Wet Rea ziet, voorzover hier van belang, op de
wilsovereenstemming tussen partijen en heeft een gelijke strekking als
het begrip 'overeenkomen' (arbeid te verrichten). De Raad vindt hiervoor
steun in de terminologie die in het - gelijksoortige - tweede lid van
dit artikel is gebruikt en in de memorie van toelichting op het in de
artikelen 71 tot en met 78 van de Wet Rea geregelde overgangsrecht,
waarin is vermeld: "Ook zal geen plaatsingsbudget of een
herplaatsingsbudget worden toegekend indien de dienstbetrekking
respectievelijk de werkhervatting in andere arbeid is overeengekomen of
aangevangen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze
wet." (Tweede Kamer, 1996-197, 25 478, nr. 3, blz. 105). Vaststaat
dat gedaagde en [werknemer] de wijziging van de frequentie en omvang van
de door hem te verrichten werkzaamheden zijn overeengekomen vóór 1
juli 1998, de datum van inwerkingtreding van de Wet Rea. Zo dit al moet
worden aangemerkt als een nieuwe dienstbetrekking, dan is deze aangegaan
- in de zin van artikel 77, derde lid, van de Wet Rea - vóór 1 juli
1998. Nu de wetgever een duidelijke keuze voor een overgangsmoment heeft
gemaakt ziet de Raad geen vrijheid om daarvan ten gunste van gedaagde af
te wijken.
Gedaagde stelt zich voorts op het standpunt dat door appellant het
vertrouwen is gewekt dat zij een plaatsingsbudget zou ontvangen. Daartoe
is van de zijde van gedaagde het volgende gesteld. De
arbeidsintegratiedeskundige Smits heeft telefonisch aan de gemachtigde
van gedaagde, mr. Dunhof, meegedeeld dat gedaagde wel voor subsidie in
aanmerking zou komen, indien aan [werknemer] een arbeidsovereenkomst
voor tenminste 15 uur zou worden aangeboden. In samenspraak met Smits
heeft gedaagde vervolgens [werknemer] een arbeidsovereenkomst voor 20
uur per week aangeboden. Smits heeft deze arbeidsovereenkomst ter
kennisname van gedaagde ontvangen en in een telefoongesprek bevestigd,
dat op basis van deze arbeidsovereenkomst de Wet Rea van toepassing zou
zijn. Gedaagde heeft de inhoud van dit telefoongesprek schriftelijk aan
Smits bevestigd. Noch in het telefoongesprek noch op de schriftelijke
bevestiging is een ontkennende reactie gevolgd.
De Raad overweegt daarover het volgende. Voor een te honoreren beroep op
het vertrouwensbeginsel is vereist dat van de zijde van appellant een
uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan
die bij gedaagde de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat zij
voor het verzochte plaatsingsbudget in aanmerking zou komen. De Raad
acht weliswaar aannemelijk dat de mogelijkheid van een plaatsingsbudget
of loonkostensubsidie aan de orde is geweest in het telefoongesprek
tussen Dunhof en de arbeidsintegratiedeskundige Smits, maar uit de
beschikbare gegevens is niet gebleken dat er van de zijde van appellant
een ondubbelzinnige toezegging, dat een plaatsingsbudget zal worden
verstrekt, is gedaan. Uit de gedingstukken, met name het op 30 juni 1998
geprinte voortgangsverslag van de arbeidsintegratiedeskundige Smits
blijkt immers dat deze Dunhof voor de beoordeling van eventueel te
verstrekken integratiemiddelen op grond van de Wet Rea heeft verwezen
naar de arbeidsdeskundige Braamburg. Dit strookt met de door Dunhof ter
hoorzitting gedane mededeling dat in het overleg met Smits nog niet
bekend was voor welke subsidie gedaagde in aanmerking zou komen en met
zijn aan Smits gerichte brief van 8 juli 1998, waarin Dunhof Smits
verzoekt om de met [werknemer] gesloten arbeidsovereenkomst van minimaal
20 uur per week onder de aandacht van Braamburg te brengen, opdat met
haar een afspraak kan worden gemaakt teneinde nader te bezien welke
voorzieningen voortvloeiend uit de Wet Rea het meest geïndiceerd worden
geacht. Bovendien had Dunhof uit de verwijzing naar Braamburg voor een
beoordeling van de subsidiemogelijkheden redelijkerwijs moeten begrijpen
dat Smits niet bevoegd was om daar een besluit over te nemen en daarover
ook geen bindende toezeggingen kon doen. Op grond van het vorenstaande
faalt gedaagdes beroep op het vertrouwensbeginsel.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift nog bezwaar gemaakt tegen de
(geringe) hoogte van de door de rechtbank uitgesproken
proceskostenveroordeling. Nu noch appellant noch gedaagde hoger beroep
heeft ingesteld tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak, valt
de proceskostenveroordeling buiten de omvang van dit geding, zodat de
Raad deze niet in zijn beoordeling van het geschil kan betrekken.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt
en dat de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, voor
vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26
maart 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|