|
Uitspraak
02/2001 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 16 januari 2001 hebben de ouders van appellante aan
gedaagde verzocht om een voorziening ingevolge de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in de vorm van de
verstrekking van een laptop met spraaksynthesizer voor het volgen van
onderwijs.
Bij besluit van 28 maart 2001 heeft gedaagde dat verzoek op grond van
artikel 22 van de Wet Rea afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 26 juli 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage heeft het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep bij - met toepassing van artikel
8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewezen - uitspraak van 19
februari 2002 ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening
is bij die uitspraak afgewezen.
Namens appellante is mr. M.F. Vermaat, werkzaam bij de Stichting De
Ombudsman, gevestigd te Hilversum van deze uitspraak, voorzover daarbij
het beroep ongegrond is verklaard, in hoger beroep gekomen op bij het
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 januari 2003, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat
voornoemd, en waar gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen - is
verschenen bij zijn gemachtigde mr. S.M. Ponsioen, werkzaam bij het Uwv.
Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde gedaagde in de
gelegenheid te stellen om te onderzoeken of er, gelet op het verhandelde
ter zitting en mede op basis van door appellante nog te verstrekken
gegevens, aanleiding is terug te komen van het in het bestreden besluit
neergelegde standpunt. Partijen hebben vervolgens nadere stukken aan de
Raad doen toekomen.
Gedaagde heeft bij brief van 6 maart 2003 de Raad bericht dat er geen
bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen, die zouden nopen tot het
maken van een uitzondering op het door hem gehanteerde en aan het
bestreden besluit ten grondslag gelegde beleid.
Het onderzoek is hervat ter zitting van 11 maart 2003. Appellante is
daar wederom in persoon verschenen met bijstand van mr. Vermaat.
Gedaagde heeft zich weer laten vertegenwoordigen door mr. Ponsioen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Op 12 mei 2000 is door het Haags Centrum voor Onderwijsbegeleiding
verklaard dat appellante op grond van psychodiagnostisch onderzoek
conform de richtlijnen van de Gezondheidsraad dyslectisch is bevonden.
Door (de ouders van) appellante is op 16 januari 2001 in verband met
haar dyslexie een laptop met spraaksynthesizer aangevraagd om in het
schooljaar 2001/2002 regulier voortgezet onderwijs op school te kunnen
volgen en thuis het nodige huiswerk te kunnen maken. Door de gevraagde
voorziening kan geschreven tekst worden omgezet in door de PC
voorgelezen tekst. Ten tijde van de aanvraag van de voorziening zat
appellante in de laatste klas van het basisonderwijs. Aan het eind van
de basisschool was zij in staat te lezen op het zogeheten AVI niveau 5;
op het gebied van de spelling functioneerde zij toen op het niveau van
eind groep 5. Hierin is nadien geen verbetering opgetreden.Vanaf medio
2001 volgt zij regulier voortgezet onderwijs (VMBO de theoretische
leerweg). Appellante heeft deze opleiding tot nu toe door extra
inspanning en met veelvuldige hulp van derden (remedial teacher, leraren
en medeleerlingen die haar geschreven tekst voorlezen) met voldoende
resultaat gevolgd.
Ter uitvoering van de artikelen 22, zesde lid, van de Wet Rea en 9 van
het Reďntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea (zie hierna) heeft
gedaagde ter zake van de verstrekking van computervoorzieningen voor het
volgen van onderwijs beleid geformuleerd, dat is vastgelegd in de
bijlage bij de Regeling computervoorzieningen in het onderwijs 1999
(hierna: de Regeling). In deze bijlage staat, voorzover voor de
beoordeling van deze zaak van belang, het volgende.
"Artikel 1 Het landelijk instituut sociale
verzekeringen voert ter zake van verstrekking van computervoorzieningen
voor het volgen van onderwijs een beleid als weergegeven in de bijlage
bij deze regeling.
(...)
Bijlage
Op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en het Reďntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea is het Lisv bevoegd om voorzieningen te verstrekken voor het
volgen van onderwijs. Deze voorzieningen kunnen bestaan in verschillende
vormen, waaronder voorzieningen in de vorm van (vergoedingen voor)
hulpmiddelen nodig voor het verblijf op school, voor het volgen van
onderwijs of voor het voorbereiden en uitwerken van lessen of
werkstukken de dergelijke buiten de school, in het algemeen bij de
betrokkene thuis. Een veel voorkomend hulpmiddel voor gehandicapten is
een computer al dan niet met randapparatuur en aanpassingen. De computer
wordt verstrekt als voorziening voor het schrijven c.q. om pen en papier
te vervangen. Voor het volgen van onderwijs zijn onderwijsleermiddelen
nodig die dienen om leerstof aan te bieden en kennis en vaardigheden te
oefenen. Het is aan de school om het onderwijsleerproces met passende
methodieken en middelen vorm te geven. De school dient de leerboeken en
overige onderwijsleermiddelen die op school gebruikt worden ook
beschikbaar te stellen om thuis mee te oefenen. De computer wordt in het
reguliere basis- en vervolgonderwijs steeds meer gebruikt als een
onderwijsleermiddel. Als gevolg daarvan heeft zich een wijziging
voorgedaan in de aanvragen van de cliënt. De vraag naar laptops voor
het maken van huiswerk nam toe, de voorzieningen in het speciale
onderwijs worden in een vroeger stadium aangevraagd en ook de vraag in
het beroeps-, HBO en universitair onderwijs is gewijzigd. Het Lisv heeft
gemeend met dit besluit tegemoet te komen aan de maatschappelijke
ontwikkelingen in deze. Het beleid zal er als volgt uitzien.
Blinden
(...)
1. De leerling volgt regulier voortgezet onderwijs.
Voorziening: draagbare computer met brailleleesregel en een scanner als
accessoire bij de verstrekte computer zodra de noodzaak van regelmatig
gebruik kan worden aangetoond.
(...)
Slechtzienden
(...)
1. De leerling volgt regulier voortgezet onderwijs.
Voorziening: draagbare computer met tekstvergroting en een scanner als
accessoire bij de verstrekte computer zodra de noodzaak van regelmatig
gebruik kan worden aangetoond.
(...)
Motorisch gehandicapten
(...)
Cognitief gehandicapten
(...)
Overige gehandicapten
1. Voorziening niet van toepassing. De computer biedt geen oplossing of
maakt onderdeel uit van een behandeling of therapie."
Bij brief van 15 juni 2001 heeft P.J. Albersen, vader van twee
dyslectische kinderen, gedaagde verzocht dit beleid te heroverwegen ten
aanzien van dyslectici, omdat naar zijn mening een computer een
belangrijk hulpmiddel kan zijn voor een dyslectische leerling of student
bij het volgen van een opleiding of studie.
Bij schrijven van 21 december 2001 heeft de adjunct-directeur van het
voormalige Lisv, mr. M.J.P.M. Kieviet, namens gedaagde aan Albersen
onder meer het volgende geantwoord:
"Duidelijk is dat het hier gaat om een toepassing van de computer
in het onderwijs die ons niet voor ogen stond ten tijde van de
totstandkoming van het beleid. Dit maakt een heroverweging op dit
onderdeel noodzakelijk.
Ter voorbereiding hierop hebben wij ons via mevrouw Kleijnen begin
november gewend tot de Stichting Dyslexie Nederland (SDN); een landelijk
platform waarin alle deskundigheid op het terrein van dyslexie is
samengebracht. Onze notitie aan de SDN uitmondend in een vijftal vragen
heeft u via de mail van ons ontvangen.
Van mevrouw Kleijnen kregen wij op 14 november 2001 het bericht dat de
SDN wegens een overvolle agenda onze notitie slechts globaal heeft
kunnen bespreken. Men onderschrijft de noodzaak van een laptop voor een
aantal dyslectici en heeft ons een goed onderbouwde reactie in het
vooruitzicht gesteld. Deze reactie, die volgens mevrouw Kleijnen wel
enige weken in beslag zou nemen, hebben wij nog niet ontvangen.
Tot zover de stand van zaken. Zoals u wellicht weet, houdt het Lisv
volgend jaar op te bestaan. Wij zullen er op toezien dat dit onderwerp
door de nieuwe uitvoeringsorganisatie, UWV (Uitvoering
Werknemersverzekeringen), op een juist wijze wordt overgenomen. Zonder
tegenbericht blijft de heer Lanen hiervoor uw contactpersoon."
Gedaagde heeft bij schrijven van 9 november 2001 aan de Landelijke
Stichting Dyslexie een aantal vragen voorgelegd over
computervoorzieningen in het onderwijs bij dyslexie. In genoemde
vraagstelling is onder het kopje 'Beleidskader' het volgende verwoord:
"De computervoorziening wordt beschouwd als hulpmiddel voor het
schrijven en (terug)lezen van geschreven tekst; Ter vervanging van pen
en papier. Vandaar dat primair gedacht wordt aan mensen met een
zintuigelijke of motorisch handicap. Dat cognitief gehandicapten op de
basisschool een computer krijgen dateert uit de tijd dat de computer nog
niet zo wijd verspreid was in het onderwijs. Eigenlijk is dat nu niet
meer nodig. De doelgroep dyslectici was t.t.v. de totstandkoming van het
beleid niet in beeld. Indelen van deze doelgroep in de categorieën
cognitief of overige gehandicapten lijkt geforceerd en zou leiden tot
een afwijzing op grond van voor deze doelgroep onbedoelde argumenten.
Daarom gaan we uit van de aanname dat kinderen met dyslexie die alleen
met gebruik van de computer het lees- en schijfniveau kunnen bereiken om
(voortgezet) onderwijs te volgen, als een aparte doelgroep voor het
computervoorzieningenbeleid gezien moeten worden. Nader beleid is
derhalve geboden. Nadenkend en discussiërend over dit te vormen beleid
kwamen er bij ons een aantal vragen op die moeten worden beantwoord
voordat sprake kan zijn van verruiming van het beleid tot deze nieuwe
doelgroep."
Onder de vraagpunten is onder meer de volgende vraag opgenomen:
"Kennelijk is een groep kinderen met dyslexie 'resistent' voor de
bestaande vormen van begeleiding c.q. behandeling. Deze leerlingen
zouden aangewezen zijn op de computer.
Vraag:
Hoe kunnen we deze 'resistente groep' onderscheiden van de groep
kinderen met dyslexie die wel behandelbaar is?"
Deze vraag is door de Landelijke Stichting Dyslexie bij brief van 4
februari 2002 als volgt beantwoord:
"Twee groepen:
Groep 1:
Alle leerlingen in het voortgezet onderwijs met ernstige dyslexie die
functioneel ongeletterd zijn op het moment dat ze geen computer
aanpassingen gebruiken: het betreft die dyslectische leerlingen van wie
op grond van psychodiagnostisch onderzoek aangetoond is, dat ze aan het
eind van de basisschool voor lezen AVI 9 (instructie niveau) niet
gehaald hebben en/of het niveau van groep 5 niet gehaald hebben voor
spelling.
Groep 2:
Daarenboven leerlingen met dusdanige capaciteiten (VMBO (TL), HAVO, VWO,
HBO, universiteit) die weliswaar het hiervoor genoemde lees-/spellingniveau
bereikt hebben, maar door hun dyslexie het onderwijs op dit niveau niet
kunnen volgen. Denk hier aan dyslectische leerlingen van wie op grond
van psychodiagnostisch onderzoek aangetoond is, dat ze aanzienlijk meer
tijd nodig hebben (dan niet-dyslectici uit een relevante
vergelijkingsgroep) om teksten (stil) te lezen en/of ernstige spellings-,
formulerings- en organisatieproblemen hebben ten gevolge van de
dyslexie. Het betreft ook leerlingen die op grond van hun dyslexie veel
moeite hebben met het leren van moderne vreemde talen (m.n. Engels, een
maatschappelijke vereiste voor het functioneren op dit niveau ) en ook
daar vergelijkbare computeraanpassingen (tekst naar spraak, spraak naar
tekst en een simpel vertaalprogramma) nodig hebben.".
Gedaagde heeft bij het bestreden besluit zijn weigering om een laptop te
verstrekken gehandhaafd, primair op de grond dat er een voorliggende
voorziening op het gebied van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is,
namelijk de Regeling dyslexie voortgezet onderwijs, schooljaar
2001-2002, en subsidiair op grond van de Regeling. Het beroep van
appellante op het gelijkheidsbeginsel is bij het bestreden besluit
afgewezen, omdat in het geval waar zij zich op heeft beroepen, ten
onrechte een laptop is toegekend dan wel dit geval niet gelijk is te
stellen aan de situatie van appellante.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage heeft het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, omdat naar
zijn oordeel de door gedaagde subsidiair aangevoerde afwijzingsgrond in
rechte stand houdt.
In hoger beroep is van de zijde van appellante aangevoerd, dat gedaagde
de aanvraag niet met een verwijzing naar de Regeling had mogen afwijzen,
maar op zijn eigen merites had moeten beoordelen, omdat bij de
totstandkoming van de Regeling de situatie van dyslectici niet is
betrokken. De gevraagde voorziening moet volgens appellante worden
aangemerkt als een compenserende voorziening, die de gehandicapte in
staat stelt het reguliere onderwijs te volgen zodat deze verstrekt had
moeten worden. Voor zover de Regeling wel aan het besluit ten grondslag
mag worden gelegd, had het feit dat de onderhavige situatie niet bij de
beleidsvorming onder ogen is gezien, in de visie van appellante
aanleiding moeten zijn om met toepassing van art. 4:84 van de Awb af te
wijken van dat beleid en aansluiting te zoeken bij het beleid dat is
geformuleerd voor blinden.
Gedaagde heeft zijn weigering om de gevraagde voorziening te verstrekken
gehandhaafd, zij het dat gedaagdes gemachtigde ter zitting van 7 januari
2003 heeft meegedeeld dat de primair aan het bestreden besluit ten
grondslag gelegde weigeringsgrond niet langer wordt gehandhaafd. Aan
hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd heeft gedaagde toegevoegd,
dat het niet zo kan zijn dat door zijn voornemen tot heroverweging van
het beleid met betrekking tot de verstrekking van computervoorzieningen
voor het volgen van onderwijs het beleid ten tijde in geding terzijde
geschoven moet worden en alle aanvragen om laptops gehonoreerd moeten
worden. Dit klemt volgens gedaagde temeer, nu er allerlei verschillende
groepen dyslectici kunnen worden onderscheiden en deze niet allemaal
compenserende computerfaciliteiten nodig hebben. Onduidelijk is of en in
welke zin het beleid gewijzigd gaat worden en of appellante tot de groep
dyslectici behoort die eventueel voor verstrekking van een laptop in
aanmerking zouden moeten komen. Volgens gedaagde zijn er blijkens zijn
brief van 6 maart 2003 geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen, die
zouden nopen tot het maken van een uitzondering op het door hem
gehanteerde en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde beleid,
nu gebleken is dat zij, weliswaar met de nodige begeleiding tijdens en
na schooltijd en ondanks een spelniveau op eind groep 5 en een
leesniveau op AVI 5, voldoende tot goede bij haar capaciteiten passende
schoolprestaties levert.
In geding is de vraag of het bestreden besluit, waarbij in het kader van
de Wet Rea de eerdere weigering om een laptop met spraaksynthesizer te
verstrekken op grond van het in de bijlage bij de Regeling neergelegde
beleid is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende wettelijke
bepalingen van belang.
Ingevolge artikel 11 van de Wet Rea heeft gedaagde mede tot taak te
bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene vanwege
ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien het een
persoon betreft die jonger is dan 17 jaar.
In artikel 22 van de Wet Rea is, voor zover in dit geding van belang,
het volgende bepaald:
"(...)
4. Het Lisv kan op aanvraag aan de persoon, bedoeld in artikel 11,
voorzieningen toekennen die hem in staat stellen onderwijs te volgen.
(...)".
De Raad constateert op grond van de in de bijlage van de Regeling
gegeven toelichting op het beleid, het verhandelde ter terechtzittingen
en de gedingstukken, waaronder met name de van gedaagde afkomstige brief
van 21 december 2001 aan P.J. Albersen en gedaagdes vraagstelling van 9
november 2001 aan de Landelijke Stichting Dyslexie, dat bij de
vaststelling van het beleid, zoals neergelegd in de bijlage bij de
Regeling, niet is onderkend dat een computer in de onderwijssituatie
naast de functie van schrijfhulp ook andere toepassingen kan hebben. Dit
heeft ertoe geleid dat bij de totstandkoming van de Regeling de
doelgroep dyslectici niet 'in beeld' was en dat de Regeling blijkens de
bijlage slechts betrekking heeft op gebruik van de computer als
voorziening voor het schrijven c.q. om pen en papier te vervangen. Nu de
aanvraag van de laptop met spraaksynthesizer geen betrekking heeft op
een schrijfvoorziening ter vervanging van pen en papier en de Regeling
niet geacht kan worden betrekking te hebben op andere
computertoepassingen dan de hiervoor genoemde, had gedaagde de Regeling
niet ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. Dit heeft tot
gevolg dat dit besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en wegens strijd met
artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.
Gedaagde heeft hangende hoger beroep bezien of er sprake is van zodanig
bijzondere omstandigheden dat de weigering van de gevraagde voorziening
onevenredige gevolgen zou hebben in verhouding tot het met het beleid te
dienen doel en is tot de conclusie gekomen dat daarvan geen sprake is.
De Raad ziet hierin geen aanleiding de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand te laten, omdat gedaagde daarbij voor de
beoordeling van de aanvraag een verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Het
gaat, zoals in het voorgaande is overwogen, niet om een in de Regeling
verdisconteerde voorziening, waarbij ingevolge artikel 4:84 van de Awb
onder omstandigheden afwijking van het beleid is aangewezen, maar om een
voorziening die niet geacht kan worden in de Regeling te zijn begrepen.
Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, waarbij de
aanvraag op zijn eigen merites wordt beoordeeld aan de hand van de
artikelen 11 en 22, vierde lid, van de Wet Rea. In dat kader is van
belang of appellante ten gevolge van ziekte of gebrek belemmeringen
ondervindt bij het volgen van onderwijs - ter zitting waren partijen het
erover eens dat hiervan bij appellante sprake was -, en of de gevraagde
voorziening een adequate oplossing is om die belemmeringen op te heffen.
Als daarvan sprake is, dient voorts te worden bezien of in het licht van
de ingevolge artikel 11 van genoemde wet op gedaagde rustende taak in
het onderhavige geval tot gehele of gedeeltelijke verstrekking van de
gevraagde voorziening dient te worden overgegaan. De enkele
omstandigheid dat appellante hangende de beroepsprocedure in de praktijk
er blijk van heeft gegeven met veel extra inspanningen van haarzelf,
haar medeleerlingen en van professionele begeleiding op school op
voldoende niveau te kunnen presteren behoeft op zichzelf bezien niet -
per definitie - een beletsel te vormen voor toepassing van artikel 22,
vierde lid, van de Wet Rea. De Raad merkt in dit verband op dat uit het
verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat gedaagde deze maatstaf
niet hanteert bij aanvragen van blinden om een computer ter beschikking
te stellen voor het volgen van onderwijs. Gedaagde zal zich bij het
nieuw te nemen besluit moeten beraden over de vraag in welke mate ter
compensatie van de door appellante als gevolg van dyslexie ondervonden
belemmeringen bij het volgen van onderwijs redelijkerwijs extra
inspanningen van appellante zelf en hulp van derden mag worden gevergd.
Het vorenstaande houdt in dat het bestreden besluit wordt vernietigd
evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is
gelaten. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor kosten van
verleende rechtsbijstand in beroep en op € 966,-- voor kosten voor
verleende rechtsbijstand en € 29,40 aan reiskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 995,40, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 138,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10
april 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|