|
Uitspraak
00/6634 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 22
november 2000 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 juni 2003, waar
gedaagde niet is verschenen, en waar appellant zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en
omstandigheden.
Aan gedaagde zijn uitkeringen ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Toeslagenwet (TW)
toegekend.
Met ingang van 1 april 1998 is gedaagde als zelfstandig ondernemer een
tabaksspeciaalzaak gaan exploiteren.
Appellant heeft gedaagde op zijn verzoek bij besluit van 17 mei 1999 met
ingang van 1 april 1998 inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 29 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: de Wet Rea)
toegekend.
Bij besluit van 18 mei 1999 heeft appellant de hoogte van de aan
gedaagde toegekende toeslag ingevolge de TW per 1 april 1998 verlaagd,
omdat door de aan gedaagde ingevolge artikel 29 van de Wet Rea toegekende inkomenssuppletie (hierna: inkomenssuppletie) zijn inkomen
was gewijzigd.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 26 oktober 1999 ongegrond verklaard, omdat de som
van gedaagdes arbeidsongeschiktheidsuitkering en inkomenssuppletie
resulteert in een inkomen boven het sociaal minimum, terwijl de TW
strekt tot een uitkering op het voor de betrokkene geldend sociaal
minimumniveau.
In beroep heeft gedaagde aangevoerd dat de in het bestreden besluit
vervatte verlaging van de toeslag op grond van de TW de
inkomenssuppletie volledig teniet doet, hetgeen volgens gedaagde in
strijd is met de intentie van de Wet Rea om arbeidsgehandicapten die
door middel van een zelfstandig bedrijf of beroep een inkomen willen
vergaren, de eerste vijf jaar te ondersteunen.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij
de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen
dat de inkomenssuppletie niet is te beschouwen als een
loondervingsuitkering of een uitkering die daarmee naar aard en
strekking overeenkomt, welke bestanddelen op grond van artikel 7, eerste
lid, onder a van het Inkomensbesluit Toeslagenwet (hierna: het Besluit)
tot het inkomen in verband met arbeid in de zin van de TW dienen te
worden gerekend. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat
blijkens de toelichting op deze bepaling uit het Besluit onder 'inkomen
in verband met arbeid' moet worden verstaan "al het inkomen dat
wordt genoten uit die dienstbetrekking nadat de dienstbetrekking is geëindigd".
De inkomenssuppletie is een tijdelijke aanvulling op het inkomen boven
de (theoretische) verdiencapaciteit en moet daarom naar het oordeel van
de rechtbank worden beschouwd als een toeslag en niet als een
loondervingsuitkering of daarmee overeenkomende uitkering.
Appellant voert in hoger beroep aan dat de inkomenssuppletie dient te
worden aangemerkt als een loondervingsuitkering dan wel een uitkering
die naar aard en strekking daarmee overeenkomt en op die grond voor de
vaststelling van het voor de TW in aanmerking te nemen inkomen moet
worden meegerekend. De rechtbank is volgens appellant van een te
beperkte interpretatie van het begrip loondervingsuitkering uitgegaan.
Van de zijde van appellant wordt er op gewezen dat de inkomenssuppletie
ingevolge artikel 15 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea voor de premieheffing en inhouding wordt aangemerkt als een uitkering op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
en ook in het vervallen Besluit inkomenssuppletie AAW als onderdeel van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd aangemerkt. Uit artikel 16 van
het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, waarin de hoogte van de
inkomenssuppletie is bepaald, blijkt dat deze onverbrekelijk verbonden
is met de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook overigens is het karakter
van de inkomenssuppletie van dien aard dat deze als een
loondervingsuitkering beschouwd kan worden. Het betreft een regeling
zonder toets op vermogen of partnerinkomen. Bovendien is de
inkomenssuppletie bedoeld om te voorzien in een inkomensderving. Tot
slot doet appellant een beroep op analogie met het bepaalde in het
tweede lid van artikel 130b van de Werkloosheidswet (WW), waarin de
loonsuppletie als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, voor onder
meer de toepassing van andere wetten en de daarop berustende bepalingen
wordt aangemerkt als uitkering op grond van de verplichte verzekering op
grond van de WW.
In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand houdt.
Voor de beantwoording van deze vraag zijn onder meer de volgende
wettelijke bepalingen van belang:
Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f van de TW:
"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de
verplichte verzekering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, en
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen alsmede een uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering militairen."
Artikel 2, derde lid, van de TW:
"Recht op toeslag heeft de ongehuwde die recht heeft op
een loondervingsuitkering en per dag een inkomen heeft dat lager is dan
70% van het minimumloon."
Artikel 6, 1e lid, aanhef en onder b, van de TW:
"Als inkomen wordt aangemerkt voor een ongehuwde: zijn
inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven."
Artikel 6, derde lid, van de TW:
"Bij AMvB worden nadere regels en zonodig afwijkende
regels gesteld m.b.t. het inkomen. (...)"
Hieraan is uitwerking gegeven in het Besluit.
Art. 7, eerste lid, aanhef en onder a Besluit:
"Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de
TW wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven verstaan een loondervingsuitkering in de zin van de wet
alsmede een uitkering die naar aard en strekking daarmede
overeenkomt."
Artikel 29 van de Wet Rea:
"Bij algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot de toekenning door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen van inkomenssuppletie aan een arbeidsgehandicapte
die de uitoefening van zijn bedrijf of beroep voortzet of die
werkzaamheden als zelfstandige gaat verrichten en wiens inkomen uit dat
bedrijf of beroep lager is dan het bij of krachtens artikel 2 van de
WAZ, artikel 2 van de Wajong of artikel 18 van de WAO vastgestelde
inkomen of loon dat hij nog zou kunnen verdienen."
Artikel 15 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit:
"1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan
aan een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van
de Wet, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten op
aanvraag inkomenssuppletie toekennen, indien zijn inkomen uit het bedrijf
of beroep lager is dan zijn theoretische verdiencapaciteit.
2. De inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf
of beroep wordt uitgeoefend, doch ten hoogst over een periode van vier
jaar te rekenen vanaf de datum met ingang waarvan de inkomenssuppletie
voor het eerst is toegekend.
3. de inkomenssuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke
bepalingen inzake premieheffing en inhouding aangemerkt als een
uitkering op grond van de WAZ."
Artikel 16, eerste lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit:
"1. De hoogte van de inkomenssuppletie bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%,
b. gedurende het tweede jaar 75%,
c. gedurende het derde jaar 50%, en
d. gedurende het vierde jaar 25%,
van het verschil tussen het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de
theoretische verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot
het feitelijk door betrokkene per uur verdiende inkomen en het bedrag
van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of, indien geen recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van de
theoretische verdiencapaciteit, met dien verstande dat de
inkomenssuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn theoretische
verdiencapaciteit."
De Raad overweegt het volgende.
Vast staat dat de inkomenssuppletie geen loondervingsuitkering is als
genoemd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van de TW.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inkomenssuppletie -
waaronder hier wordt verstaan, zoals gezegd, de inkomenssuppletie als
bedoeld in artikel 29 van de Wet Rea - moet worden aangemerkt als een
uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een
loondervingsuitkering, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en
onder a van het Besluit.
Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Daartoe
overweegt de Raad het volgende.
De inkomenssuppletie in het kader van de Wet Rea is - in de lijn met de
in de considerans van die wet benadrukte doelstelling - een voorziening
ter stimulering van de arbeidsreïntegratie van arbeidsgehandicapten.
Beoogd is om de financiële drempel die een arbeidsgehandicapte voor
daadwerkelijke reïntegratie ondervindt, indien de werkelijke
verdiensten bij het voortzetten of opstarten van een eigen bedrijf in
belangrijke mate minder zijn dan zijn theoretische verdiencapaciteit,
weg te nemen of te verminderen. De hoogte van de inkomenssuppletie wordt
weliswaar bepaald aan de hand van dezelfde systematiek als die welke ten
grondslag ligt aan de berekening van publiekrechtelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar voor het verkrijgen van
inkomenssuppletie is het genieten of genoten hebben van een dergelijke
uitkering niet vereist. Ook de duur van de inkomenssuppletie is
onafhankelijk van een verkregen loondervingsuitkering. De Raad vindt in
het voorgaande aanknopingspunten voor het oordeel dat aard en strekking
van de inkomenssuppletie niet duiden op een loondervingsuitkering.
De Raad ziet voor zijn oordeel steun in de totstandkomingsgeschiedenis
van het Besluit. Loondervingsuitkeringen en daarmee naar aard en
strekking overeenkomende uitkeringen worden ingevolge artikel 7 van het
Besluit aangemerkt als inkomen in verband met arbeid. Zoals ook door de
rechtbank is overwogen, is in de nota van toelichting op het Besluit het
begrip 'inkomen in verband met arbeid' nader toegelicht, in die zin dat
daaruit blijkt dat aan de uitwerking van het begrip "inkomen in
verband met arbeid" de gedachte ten grondslag ligt, dat al het
inkomen dat wordt genoten uit de dienstbetrekking nadat de
dienstbetrekking is geëindigd, als inkomen in verband met arbeid moet
worden aangemerkt (Stb. 1986, 659, blz. 6).
Voor het in aanmerking komen voor inkomenssuppletie is, zo blijkt uit
artikel 29 van de Wet Rea, essentieel dat er werkzaamheden als
zelfstandige worden verricht; niet is vereist dat in het verleden
werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige zijn verricht dan wel
een loondervingsuitkering is genoten. De Raad leidt hieruit af dat de
inkomenssuppletie derhalve meer relatie heeft met tegenwoordige arbeid,
dan met in het verleden verrichte arbeid, zodat deze in het licht van
het hiervoor genoemde uitgangspunt ook om deze reden niet als inkomen in
verband met arbeid dient te worden beschouwd.
Voorts acht de Raad nog het volgende van belang.
Indien de inkomenssuppletie zou worden aangemerkt als een met een
loondervingsuitkering overeenkomende uitkering, zou het effect van de
inkomenssuppletie gedeeltelijk of, zoals in het onderhavige geval,
volledig teniet gedaan worden door de korting op de toeslag op grond van
de TW. Tegen deze achtergrond ziet de Raad in de strekking van de TW -
het aan personen, die een uitkering genieten op grond van een aantal
sociale verzekeringswetten, bieden van een inkomen op het voor hen
geldend sociaal minimumniveau - onvoldoende reden om tot een ander
oordeel te komen. De Raad acht daarbij mede van belang dat voor enkele
in het Besluit expliciet als inkomen in verband met arbeid gedefinieerde
inkomensbestanddelen in de TW en het Besluit, juist vanuit een oogpunt
van arbeidsreïntegratie ten gunste van de betrokkene uitzonderingen
zijn gemaakt op het uitgangspunt van aanvulling van het inkomen tot
(niet meer dan) het minimumniveau. De Raad wijst in dit verband op de
artikelen 7 van de TW en 3, derde lid, van het Inkomensbesluit.
Appellant heeft in hoger beroep een aantal argumenten aangevoerd, op
grond waarvan in de visie van appellant geconcludeerd zou moeten worden
dat er sprake is van een naar aard en strekking met een
loondervingsuitkering overeenkomende uitkering.
Van de zijde van appellant is allereerst gewezen op artikel 15, derde
lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit, waarin is bepaald dat
de inkomenssuppletie voor de toepassing van de wettelijke bepalingen
inzake premieheffing en inhouding wordt aangemerkt als uitkering op
grond van de WAZ.
Dit beroep faalt, omdat in genoemd artikel niets is bepaald over (aard
en strekking van) de inkomenssuppletie voor de toepassing van andere
wetten, zoals de Toeslagenwet.
Het beroep op het ontbreken van een toets op vermogen of partnerinkomen
bij de beoordeling van het verzoek om inkomenssuppletie kan evenmin
slagen. Weliswaar is het ontbreken van genoemde toets een algemeen
kenmerk van loondervingsuitkeringen, maar het is niet zo dat elke
uitkering waarbij deze toets ontbreekt daardoor als een
loondervingsuitkering moet worden beschouwd.
Tot slot wijst de Raad ook het beroep van appellant op artikel 130b,
tweede lid, - waarin is bepaald dat, kort gezegd, de WW-loonsuppletie
wordt aangemeld als uitkering op grond van de Werkloosheidswet - van de
Werkloosheidswet af. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet experimenten WW
(TK, 26 394, nr. 3 blz. 12 en 13, en nr. 6 blz. 25), waarbij artikel
130b in de Werkloosheidswet is ingevoerd, blijkt dat met deze bepaling
is beoogd het experimentele, tijdelijke reïntegratie-instrument van de
WW-loonsuppletie te voorzien van een eenvoudige regeling omtrent het
geldend maken en de betaling alsmede te bewerkstelligen dat de
loonsuppletie loon is in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering. De Raad is niet gebleken dat aan deze bepaling een bewuste
keuze van de wetgever ten grondslag ligt om meer in het algemeen aan de
inkomenssuppletie voor de toepassing van de TW het karakter van een
loondervingsuitkering te geven, nog daargelaten dat in dat geval het
opnemen van een expliciete bepaling in de Wet Rea in de rede zou hebben
gelegen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak inhoudelijk voor
bevestiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft echter het bestreden
besluit ten onrechte in stand gelaten. In zoverre zal de Raad de
uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen,
het bestreden besluit alsnog vernietigen.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover is nagelaten het
bestreden besluit te vernietigen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 322,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat van het Uwv een recht van € 348,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|