|
Uitspraak
01/2750 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekering (Lisv). In dit geding wordt onder gedaagde tevens
verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij een zijnerzijds op 2 december 1999 ondertekende
aanvraag aan gedaagde verzocht om in aanmerking te komen voor een
vervoersvoorziening ingevolge artikel 31 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in de vorm van - voorzover hier van
belang - een vergoeding van de kosten van aanpassingen aan de eigen auto
te weten: automatische transmissie, elektrisch bedienbare ramen en
stuurbekrachtiging.
Bij primair besluit van 17 april 2000 heeft gedaagde deze voorziening
geweigerd.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 27 juli 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij
uitspraak van 6 april 2001 ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift - met bijlagen - aangevoerde gronden
van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 juli 2003.
Appellant is daar - zoals tevoren aangekondigd - niet verschenen. Voor
gedaagde is daar verschenen B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
Het bestreden besluit berust - kort gezegd - op het standpunt dat een
vergoeding voor de kosten van de in geding zijnde aanpassingen niet
wordt toegekend, op de grond dat deze aanpassingen als faciliteiten
voorkomen in een auto met een lagere aanschafprijs dan die van de
zogeheten referentie auto, in welk verband de Suzuki Swift Hatchback, is
genoemd. Naar het oordeel van gedaagde zijn er voor appellant geen
belemmeringen om in de bedoelde Suzuki een rolstoel mee te nemen.
Appellant heeft hiertegen in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat
gedaagde onvoldoende informatie heeft verstrekt en dat een van gedaagdes
medewerkers telefonisch toezeggingen heeft gedaan. Voorts heeft
appellant benadrukt dat hij zijn rolstoel moet kunnen meenemen,
aangezien hij rolstoelgebruiker is, hetgeen volgens hem in de bedoelde
Suzuki niet mogelijk is.
De rechtbank heeft ter zake hiervan in de aangevallen uitspraak -
appellant aanduidende als eiser en gedaagde als verweerder - het
volgende overwogen:
"Op grond van artikel 31 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea), welke wet op 1 juli 1998 inwerking is
getreden, kan verweerder aan de arbeidsgehandicapte die arbeid in
dienstbetrekking verricht op aanvraag voorzieningen toekennen die
strekken tot behoud of herstel van arbeidsgeschiktheid of die
arbeidsgeschiktheid bevorderen. Onder voorzieningen in dit artikel
worden onder meer verstaan vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat
de arbeidsgehandicapte werknemer zijn werkplek kan bereiken. Ingevolge
artikel 8, eerste lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea
(Stb. 1998, 293) worden vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 31
van de Wet Rea niet toegekend, indien het inkomen van de persoon die de
voorziening aanvraagt in het kalenderjaar waarin de voorziening is
aangevraagd meer bedraagt 261 maal 70% van het maximum dagloon, bedoeld
in artikel 9, eerste lid, en 9a van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering. Ingevolge artikel 10 onder b, van de Regeling inkomenstoets
vervoersvoorziening Wet Rea (Stcrt. 1998, 161) is genoemd artikel 8,
eerste lid, niet van toepassing bij de toekenning van een
vervoersvoorziening die betreft een vergoeding van de kosten van
aanpassing van een vervoermiddel of een vergoeding van een in een
vervoermiddel aangebrachte faciliteit, voor zover de aanpassing of de
faciliteit noodzakelijk is in verband met ziekte of gebrek.
Gelet op de toelichting bij artikel 10 van de Regeling inkomenstoets
vervoersvoorzieningen zijn faciliteiten zaken die reeds bij de fabricage
van de auto zijn aangebracht of die door een autodealer aan een auto
worden of zijn aangebracht. Faciliteiten vergemakkelijken het gebruik
van de auto voor niet-gehandicapten en verhogen het comfort. Deze
faciliteiten kunnen voor gehandicapten onmisbaar zijn om de auto te
kunnen gebruiken. Indien een bepaalde faciliteit voor een persoon met
een handicap noodzakelijk is, worden alleen de kosten vergoed, indien
een auto met de betreffende faciliteit niet verkrijgbaar is beneden de
prijs van de referentieauto. De referentieauto bestaat uit een
beschrijving van alle personenauto's inclusief de daarin aanwezige
faciliteiten, die verkrijgbaar zijn voor een bepaald bedrag. Dit bedrag
is gelijk aan dat van nieuwe, door particulieren gekochte
personenauto's. Door de snelle technische ontwikkelingen in de
auto-industrie zijn de vergoedingsmogelijkheden van faciliteiten aan
voortdurende verandering onderhevig.
Voor de inwerkingtreding van de Wet Rea werden voorzieningen, zoals door
eiser aangevraagd, beoordeeld op grond van artikel 57 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet. Verweerder hanteerde bij de uitvoering van
dit artikel vanaf 1988 het beleid dat kosten van een voorziening niet
als extra kosten in verband met de handicap worden aangemerkt, indien de
kosten worden gerekend tot de normale kosten van het gebruik van een
auto en in die zin voor een autobezitter als algemeen gebruikelijk zijn
te beschouwen. Daarbij werd uitgegaan van de uitrusting die niet
ongebruikelijk te achten is in auto's met een aanschafprijs tot de
waarde van de referentieauto. Dit beleid is door de Centrale Raad van
Beroep, gelet op de uitspraak van 19 november 1991, AAW 90/V 459,
aanvaarbaar geacht.
De rechtbank stelt vast dat bovengenoemd beleid reeds aan eiser bekend
is gemaakt bij beslissing van verweerder van 21 januari 1993. Aan eiser werd bij deze beslissing weliswaar een
vergoeding f 7.420,-- voor automatische transmissie, stuurbekrachtiging
en elektrisch bedienbare buitenspiegels en portierruiten toegekend, doch
de waarde van de referentieauto lag toen ruim beneden de waarde van de
auto, waarin de genoemde faciliteiten voorkwamen. De waarde van de
referentieauto is voor het jaar 1999 vastgesteld op f 27.000,--.
Blijkens een door verweerder verstrekt overzicht bevat de Suzuki Swift
Hatchback ten bedrage van f 23.995,-- alle door eiser gevraagde
faciliteiten. De stelling dat deze auto, gelet op zijn handicap en gelet
op het feit dat hij zijn rolstoel moet kunnen vervoeren, niet passend
is, is door eiser niet nader onderbouwd. Daarnaast onderschrijft de
rechtbank het standpunt van verweerder dat het niet aannemelijk is dat
eisers rolstoel, uitgerust met afneembare onderdelen en een opvouwbaar
lichtgewicht frame, niet in iedere auto kan worden vervoerd.
Het door eiser gedane beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel kan naar het
oordeel niet slagen, nu eiser reeds middels de beslissing van 21 januari
1993 op de hoogte kon zijn van het beleid van verweerder inzake
vergoedingen voor vervoersvoorzieningen. Dit beleis is sinds 1992 niet
wezenlijk gewijzigd. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, indien
eiser voorafgaand aan de aanschaf van de auto zekerheid had willen
hebben omtrent de beslissing op zijn aanvraag, het op zijn weg had
gelegen om daarover schriftelijke informatie op te vragen bij verweerder
of desnoods de aanschaf van de auto had moeten uitstellen, totdat op
zijn aanvraag was beslist. De rechtbank wijst er in dit verband op dat
telefonische informatie van beambten van uitvoeringsorganen niet snel
als bindende uitlatingen worden opgevat. De rechtbank verwijst hiervoor
naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 1995,
gepubliceerd in RSV 1995/303. Gelet op het voorafgaande kan ook het
beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Hierbij heeft de
rechtbank mede van belang geacht dat de arbeidsdeskundige Smits in zijn
brief van 5 december 2000 expliciet heeft ontkend aan eiser te hebben
toegezegd dat alle voorzieningen zouden worden vergoed."
Appellant kan zich hiermee niet verenigen. In hoger beroep heeft hij
zijn grieven herhaald en heeft hij er nogmaals de nadruk op gelegd dat
gedaagde onvoldoende informatie heeft verstrekt over het door hem
gevoerde beleid met betrekking tot de referentieauto. Appellant stelt
voorts dat hij zijn rolstoel niet zelfstandig kan demonteren, welke
omstandigheid volgens hem onvoldoende is onderkend. Verder brengt
appellant naar voren dat hij - aangezien zijn in 1992 gekochte auto
"total loss" was verklaard - niet kon wachten op een
schriftelijke toezegging van gedaagde.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden
besluit neergelegde standpunt. Hieraan is toegevoegd dat weliswaar in
1992 andere regelgeving gold, maar dat gedaagde toen een soortgelijk
beleid voerde, omtrent welk beleid appellant - naar het oordeel van
gedaagde - uitvoerig is geïnformeerd in de brief van de hoofddirectie
van het voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds van 21 januari
1993.
Verder wordt door gedaagde - gemotiveerd met een reactie van de
betrokken arbeidsdeskundige J.W.G. Smits van 5 december 2000 - ontkend dat er toezeggingen zijn gedaan. Gedaagde
heeft zich tenslotte op het standpunt gesteld dat, blijkens een rapport
van de arbeidsdeskundige F.W. van Rouveroy van 15 april 1992, appellant
zijn rolstoel zelfstandig in de auto kon plaatsen.
De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of
het bestreden besluit in rechte stand houdt.
De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtsbank in de aangevallen
uitspraak en onder verwijzing naar de gronden van die uitspraak, met de
strekking waarvan hij zich in grote lijnen kan verenigen, bevestigend.
Terecht is er in de aangevallen uitspraak - onder meer - op gewezen dat
het onderhavige door gedaagde gehanteerde beleid nauw aansluit bij het
onder het regiem van artikel 57 (oud) van de AAW gevoerde beleid waarvan
de Raad in meerdere uitspraken in het kader van de AAW heeft
uitgesproken, dat een dergelijk beleid de rechterlijke toets kan
doorstaan. Ter voorlichting van appellant verwijst de Raad voorts naar
zijn uitspraak van 5 juni 1991, nummer AAW 1991/V 50, gepubliceerd in
Rechtspraak Sociale Verzekering 1992/58.
De Raad heeft in het onderhavige geval geen omstandigheden aanwezig
geacht die het noodzakelijk maken dat door gedaagde van het door hem
gehanteerde beleid zou moeten worden afgeweken. De Raad wijst er - ten
slotte - nog op dat de rechter, anders dan destijds onder de vigeur van
het voorzieningenstelsel ingevolge artikel 57 (oud) van de AAW, bij zijn
toetsing niet kan treden in de vraag of gehele of gedeeltelijke
afwijzing van de aanvraag al dan niet in overeenstemming is met de
redelijkheid, bedoeld in artikel 57, zevende lid (oud) van die wet.
Naar aanleiding van hetgeen appellant verder in hoger beroep naar voren
heeft gebracht, merkt de Raad op dat er geen rechtsregel bestaat die het
uitvoeringsorgaan verplicht om vooraf door middel van foldermateriaal
informatie te verschaffen over alle finesses inzake de feitelijke
toepassing van reeds bestaand en kenbaar gemaakt beleid.
Voorts is de Raad - op grond van de beschikbare gegevens, waaronder het
hierboven genoemde rapport van 15 april 1992 - tot het oordeel gekomen
dat onvoldoende aannemelijk is dat appellant zijn rolstoel niet
zelfstandig zou kunnen demonteren en meenemen in de genoemde Suzuki.
Uit het voorafgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van S. van
der Zee als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 september
2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S. van der Zee.
|
|