|
Uitspraak
02/2527 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, wettelijk
vertegenwoordigd door [naam vader], eveneens wonende te [woonplaats].
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekering (Lisv). In dit geding wordt onder gedaagde tevens
verstaan het Lisv.
Gedaagde heeft bij aanvraag van 16 oktober 2000 aan appellant verzocht
om in aanmerking te komen voor een onderwijsvoorziening ingevolge
artikel 22 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in de vorm van een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer
van Alblasserdam naar Dordrecht vice versa.
Bij primair besluit van 20 oktober 2000 heeft appellant deze voorziening
geweigerd.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 27 april 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Dordrecht heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 5 april 2002 gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift - met bijlagen -
aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 augustus 2003.
Namens appellant is daar verschenen mr. M.H. Birsma, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door zijn vader [naam vader], voornoemd.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
Het bestreden besluit berust - kort gezegd - op het standpunt dat de in
geding zijnde voorziening niet wordt toegekend op de grond dat de kosten
van openbaar vervoer algemeen gebruikelijk worden geacht. Appellant is
daarbij van mening dat deze kosten gerekend moeten worden tot het
normale bestedingspatroon. De omstandigheid dat de ouders van gedaagde,
die geboren is met een verstandelijke handicap, er voor gekozen hebben
hem regulier onderwijs te laten volgen, welke keus er toe geleid heeft
dat gedaagde - ten gevolge van het aldaar gehanteerde toelatingsbeleid -
niet in Alblasserdam naar school kon, doch aangewezen was op een school
in Dordrecht, kan er volgens appellant niet toe leiden dat aan die
kosten het algemeen gebruikelijk karakter wordt ontnomen.
Gedaagde heeft hiertegen in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat
appellant ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat niet iedere
reguliere onderwijsinstelling bereid is een leerling met een
verstandelijke handicap toe te laten. Gedaagde geeft aan dat het
beperkte toelatingsbeleid in Alblasserdam er toe heeft geleid dat hij
moest uitwijken naar het stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht, dat wel
bereid was hem toe te laten. Gedaagde is van mening dat een schoolkeuze
in Dordrecht (afstand 13 kilometer) geen vrije keuze is geweest doch als
een gevolg van zijn handicap moet worden aangemerkt, zodat zijn
reiskosten als ongebruikelijk moeten worden aangemerkt in vergelijking
met niet gehandicapte leerlingen.
De rechtbank heeft ter zake hiervan in de aangevallen uitspraak -
appellant aanduidende als verweerder en gedaagde als eiser - het
volgende overwogen:
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de kosten van
openbaar vervoer tussen Alblasserdam en de school in Dordrecht als
algemeen gebruikelijk in de zin van artikel 2 van het Besluit moeten
worden aangemerkt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder
zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt heeft
gesteld dat de kosten van openbaar vervoer onder alle omstandigheden als
algemeen gebruikelijk moeten worden aangemerkt, ongeacht de mate van
causaal verband tussen de handicap en de kosten van openbaar vervoer en
ongeacht de met het openbaar vervoer af te leggen afstand. Ingevolge dit
standpunt van verweerder zouden de kosten van openbaar vervoer derhalve
nimmer aanleiding kunnen zijn voor het toekennen van een voorziening op
grond van artikel 22 van de Wet Rea. Naar het oordeel van de rechtbank
betreft dit een onjuiste uitleg van het bepaalde in artikel 22, vierde
lid, van de Wet Rea juncto artikel 2 van het Besluit.
Mede gezien de wetsgeschiedenis bij artikel 22, vierde lid, van de Wet Rea
kan een vergoeding van extra kosten voor het vervoer naar en van een
onderwijsinstelling als voorziening zoals bedoeld in die bepaling worden
aangemerkt (zie MvA,
TK 1996-1997, 25 478, nr. 3, blz. 88). Hoewel de kosten van openbaar
vervoer in beginsel tot de algemeen gebruikelijke uitgaven behoren, kan
naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden uitgesloten
dat de kosten van openbaar vervoer in een individueel geval, wegens
bijzondere omstandigheden, de kosten van hetgeen algemeen gebruikelijk
is overstijgen en aldus voor vergoeding op grond van artikel 22, vierde
lid, van de Wet Rea in aanmerking komen. Verweerder heeft, mede gezien
hetgeen te dien aanzien door eiser voorafgaande aan het nemen van het
besluit reeds is aangevoerd, ten onrechte nagelaten om bij de
voorbereiding van het bestreden besluit te onderzoeken in hoeverre
daarvan in het onderhavige geval sprake is.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk
geworden dat eiser als gevolg van zijn handicap niet in de gelegenheid
is gesteld om een school te bezoeken die dichter bij zijn woonplaats is
gelegen. Namens eiser is daartoe - onbetwist - gesteld dat hij gedurende
ruim twee jaren heeft geprobeerd om geplaatst te worden op een
VMBO-school of andere passende school in Alblasserdam of Papendrecht en
omstreken maar dat plaatsing op deze scholen wegens zijn verstandelijke
beperkingen is geweigerd. De dichtstbijzijnde (VMBO-)school die hem
wenste aan te nemen was het Dalton-college in Dordrecht. Voorts is
voldoende aannemelijk geworden, en zulks is door verweerder ook niet
betwist, dat het voor leerlingen uit Alblasserdam niet gebruikelijk is
om een reguliere school voor voortgezet onderwijs in Dordrecht te
bezoeken aangezien, in ieder geval voor de eerste leerjaren, in
Alblasserdam en Papendrecht alle schoolvormen beschikbaar zijn. Daarmee
staat in voldoende mate vast dat eiser als gevolg van zijn handicap
verder dient te reizen en aldus meer vervoerskosten dient te maken dan
wanneer hij niet gehandicapt zou zijn geweest.
Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de (extra)
kosten die eiser moet maken voor het openbaar vervoer van en naar de
school in Dordrecht niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden
aangemerkt in de zin van artikel 2 van het Besluit. Het beroep is
derhalve gegrond. Het bestreden besluit komt wegens strijd met het
bepaalde in artikel 22, vierde lid, van de Wet Rea juncto artikel 2 van
het Besluit voor vernietiging in aanmerking.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op de voet van
artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te
noemen: Awb) het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Aangezien de rechtbank voorts niet is gebleken van kosten die eiser in
verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten
maken, ziet zij geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling zoals
bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.
Appellant kan zich hiermee niet verenigen. In hoger beroep heeft hij
herhaald dat indien een betrokkene vanwege zijn handicap genoodzaakt is
op grotere afstand van zijn woonplaats onderwijs te ontvangen, terwijl
de reisafstand (12 kilometer volgens appellant) op zich zelf genomen
niet als niet algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt, aan die
kosten het algemeen gebruikelijk karakter niet komt te ontvallen.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in eerste aanleg
naar voren gebrachte bezwaren en nogmaals heeft gedaagde benadrukt dat
hij geconfronteerd is met extra kosten tengevolge van zijn handicap,
waardoor die kosten naar zijn mening niet als algemeen gebruikelijk
kunnen worden aangemerkt.
De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of
het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt die vraag - anders dan de rechtbank in de
aangevallen uitspraak - bevestigend. Hierbij heeft de Raad het volgende
overwogen.
In artikel 11, aanhef en onder a van de Wet Rea is bepaald dat het Uwv
mede tot taak heeft belemmeringen weg te nemen die de ingezetene,
bedoeld in artikel 3 van de Wajong, die jonger is dan 17 jaar, vanwege
ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs. Op grond van
het bepaalde in artikel 22, vierde lid, van de Wet Rea kan het Uwv aan
de persoon, bedoeld in artikel 11, op aanvraag voorzieningen toekennen
die hem in staat stellen onderwijs te volgen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 2 van het Reďntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, dat gebaseerd is op artikel 22, zesde lid, van de Wet Rea,
worden voorzieningen als bedoeld in artikel 22 van de Wet Rea, niet
toegekend indien deze algemeen gebruikelijk zijn. In de memorie van
toelichting op dit artikel is vermeld dat deze bepaling is overgenomen
uit artikel 3 van het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking. Voorzover
het de toekenning van voorzieningen betreft ligt, blijkens deze
toelichting, aan deze bepaling de overweging ten grondslag, dat het niet
de bedoeling is dat kosten of diensten worden vergoed die door de meeste
mensen (in een bepaalde bedrijfstak) worden aangeschaft of gebruikt, ook
al hangt de aanschaf of het gebruik samen met een ziekte of gebrek.
Uitgaande van deze toelichting en in de lijn van zijn jurisprudentie met
betrekking tot het vergelijkbare criterium onder de AAW (oud) is de Raad van oordeel dat beoordeeld dient te worden of voor
de groep waartoe gedaagde behoort - die van de middelbare scholieren -
het reizen per openbaar vervoer naar en van school over een afstand van
ongeveer 13 kilometer (enkele reis) algemeen gebruikelijk moet worden
geacht, in welk geval ook de daarmee samenhangende kosten algemeen
gebruikelijk moeten worden geacht. De Raad beantwoordt die vraag
bevestigend.
Uit het voorafgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.D.
Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|