|
Uitspraak
02/4704 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 18 december 2000 heeft appellante aan gedaagde verzocht om
een voorziening ingevolge de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in de vorm van de verstrekking van een
laptop met schermleessoftware voor het volgen van onderwijs.
Bij besluit van 16 januari 2001 heeft gedaagde dat verzoek op grond van
artikel 22 van de Wet Rea afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 21 mei 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 25 juli 2002 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand blijven.
Appellante is van deze uitspraak, voorzover daarbij de rechtsgevolgen
van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, in hoger beroep
gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 8 oktober 2003, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar vader J.B.A.
Lettink. Gedaagde heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten, de door
partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten, en de relevante
regelgeving verwijst de Raad naar rubriek 2 van de aangevallen
uitspraak. De door de rechtbank weergegeven feiten zijn niet door
partijen betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt voor zijn
beoordeling.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat een
computervoorziening, die ertoe dient om geschreven tekst om te zetten in
spraak, als hulpmiddel bij het lezen moet worden aangemerkt en dat op
grond van de door gedaagde vastgestelde Regeling computervoorzieningen
in het onderwijs 1999 (hierna: de Regeling) verstrekking van een
dergelijke voorziening in het onderwijs aan dyslectische leerlingen
uitgesloten is, nu deze niet kan worden beschouwd als schrijfhulp.
Voorts is als afwijzingsgrond in het bestreden besluit opgenomen, dat de
gevraagde voorziening tot het beleidsterrein van de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) behoort.
De rechtbank Utrecht heeft het bestreden besluit vernietigd wegens het
ontbreken van een deugdelijke motivering. De rechtsgevolgen van dat
besluit zijn door de rechtbank in stand gelaten, omdat de Regeling aan
de verstrekking van de gevraagde voorziening in de weg staat en voorts
omdat niet is gebleken dat de weigering van de gevraagde voorziening
leidt tot bijzondere hardheid, nu de Minister van OCW ter zake van de
gevraagde voorziening een regeling heeft getroffen teneinde personen met
dyslexie in staat te stellen de geboden lesstof goed tot zich te nemen.
In hoger beroep is van de zijde van appellante aangevoerd, dat het gaat
om een voorziening voor het kunnen lezen van teksten die niet door de
school (op grond van een regeling van OCW) kan worden verstrekt.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden
besluit neergelegde standpunt.
In geding is de vraag of de rechtbank op juiste gronden de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
Daarover overweegt de Raad het volgende.
Zoals de Raad reeds in zijn uitspraak van 10 april 2003 (gepubliceerd in
USZ 2003/183) heeft overwogen had gedaagde de Regeling niet ten
grondslag mogen leggen aan de weigering van een voorziening als de
onderhavige, omdat de aanvraag van een laptop met leessoftware geen
schrijfvoorziening ter vervanging van pen en papier betreft en de
Regeling - voor zover hier van belang - niet geacht kan worden
betrekking te hebben op andere computertoepassingen dan een
schrijfvoorziening.
Naar de Raad uit de behandeling van soortgelijke zaken als de
onderhavige bekend is, heeft gedaagde naar aanleiding van bovengenoemde
uitspraak besloten intern een zogeheten meritesonderzoek te laten
verrichten naar het nut en de noodzaak van (computer)voorzieningen voor
dyslectische leerlingen. Gedaagde heeft dit binnen de eigen organisatie
bekend gemaakt door middel van een Circulaire van 15 juni 2003, nr.
IR/C2003.013. In deze Circulaire is aangekondigd dat de afdelingen
bezwaar en beroep van gedaagde afzonderlijk zullen worden geοnformeerd
over de gevolgen van genoemde uitspraak van de Raad. Deze informatie is
neergelegd in een Memo van 23 juni 2003. Uit deze Memo blijkt dat
gedaagde de afwijzingsgrond, dat de gevraagde voorziening tot het
beleidsterrein van OCW behoort, niet langer handhaaft. In een
soortgelijke zaak (bekend onder gedingnummer 03/3410 REA) heeft dat
ertoe geleid dat gedaagde berust heeft in de vernietiging van een
besluit, dat gebaseerd was op deze afwijzingsgrond.
Onder deze omstandigheden gaat de Raad ervan uit dat gedaagde ook in
deze zaak genoemde afwijzingsgrond niet langer handhaaft. Zou dat niet
het geval zijn, dan zou het bestreden besluit in strijd zijn met het in
artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede besloten
liggende verbod van willekeur.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De
aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
Gedaagde dient met inachtneming van deze - 's Raads - uitspraak een
nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op 9,46 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende,
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat
de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand
blijven;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot 9,46, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van
82,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden, in tegenwoordigheid van
I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg, als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 29 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|