|
Uitspraak
03/3410 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 23 mei 2001 heeft de moeder van gedaagde aan appellant
verzocht om een voorziening ingevolge de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in de vorm van de verstrekking van een PC
met schermleessoftware voor het volgen van onderwijs door gedaagde.
Bij besluit van 13 september 2001 heeft appellant dat verzoek op grond
van artikel 22 van de Wet Rea afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 6 december 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 2 juni 2003 gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met
inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.
Appellant is van deze uitspraak, voor zover daarin is bepaald dat hij
een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, waarbij de aanvraag op zijn
eigen merites wordt beoordeeld aan de hand van de artikelen 11 en 22,
vierde lid, van de Wet Rea, in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is gevoegd met de gedingen, - geregistreerd onder de nummers
03/4140 REA en 03/1271 REA - behandeld ter zitting van de Raad van 8
oktober 2003, waar appellant is vertegenwoordigd door M.H. Beersma en
drs. G. Philip, beiden werkzaam bij het Uwv. Voor gedaagde is zijn
moeder, [naam moeder], verschenen.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten, de door
partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten, en de relevante
regelgeving verwijst de Raad naar de rubrieken 2 en 3 van de aangevallen
uitspraak. De door de rechtbank weergegeven feiten zijn niet door
partijen betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt voor zijn
beoordeling.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit
vernietigd, omdat appellant bij de beoordeling van de aanvraag van
gedaagde met toepassing van de door appellant vastgestelde Regeling
computervoorzieningen in het onderwijs 1999 (hierna: de Regeling) een
onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Dit onderdeel van de aangevallen
uitspraak wordt door appellant niet aangevochten.
Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de opdracht van de
rechtbank aan appellant om een nieuw besluit op bezwaar te nemen,
waarbij de aanvraag op zijn eigen merites moet worden beoordeeld aan de
hand van de artikelen 11 en 22, vierde lid, van de Wet Rea. Terzake
hiervan is in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen, waarbij
gedaagde is aangeduid met zijn voornaam Mike:
"Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, waarbij
de aanvraag op zijn eigen merites wordt beoordeeld aan de hand van de
artikelen 11 en 22, vierde lid, van de Wet Rea. In dat kader is van
belang of Mike ten gevolge van ziekte of gebrek belemmeringen ondervindt
bij het volgen van onderwijs en of de gevraagde voorziening een adequate
oplossing is om die belemmeringen op te heffen. Als daarvan sprake is,
dient voorts te worden bezien of in het licht van de ingevolge artikel
11 van de Wet Rea op verweerder rustende taak in het onderhavige geval
tot gehele of gedeeltelijke verstrekking van de gevraagde voorziening
dient te worden overgegaan. De enkele omstandigheid dat Mike met hulp
van extra ondersteuning van zijn moeder op voldoende niveau blijkt te
kunnen presteren, behoeft op zichzelf bezien niet - per definitie - een
beletsel te vormen voor toepassing van artikel 22, vierde lid, van de
Wet Rea."
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld zich eerst
te kunnen en willen uitspreken over de verstrekking van een laptop met
spraaksoftware, indien na onderzoek een duidelijk inzicht is verkregen
in de merites van een laptop met spraaksoftware voor dyslectische
leerlingen in het algemeen en in de criteria die voor de toekenning
zullen moeten gaan gelden. Het meritesonderzoek en het vaststellen van
nieuw beleid op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal nog enige
tijd in beslag nemen. Appellant is voornemens de nieuwe beslissing op
bezwaar voor zolang aan te houden. Ter ondersteuning wordt verwezen naar
de uitspraak van de Raad van 21 november 1983, gepubliceerd in RSV
1984/78.
De Raad is van oordeel dat de bestreden overwegingen in de aangevallen
uitspraak niet uitsluiten dat appellant bij de door de rechtbank
opgedragen, bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar te verrichten
beoordeling gebruik maakt van gegevens uit het meritesonderzoek en het
op de resultaten van dat onderzoek te ontwikkelen beleid, waarbij, zoals
ter zitting door de gemachtigde van appellant nader is uitgelegd, met
name zal worden vastgelegd in welke gevallen welke voorziening als de
goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt. Dit betekent dat
het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad op dat appellant gehouden
is een nieuw besluit op bezwaar te nemen binnen de daarvoor geldende
beslistermijn, waarvoor wordt verwezen naar de artikelen 50 van de Wet Rea
en 7:10 van de Awb, ook indien het meritesonderzoek nog niet is
afgerond of het daarop gebaseerde beleid nog niet is vastgesteld. Het
beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 21 november 1983
treft geen doel, reeds omdat er in de tijd waarop die uitspraak
betrekking heeft, geen wettelijke beslistermijnen golden.
Op grond van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb, nu van door gedaagde in hoger beroep gemaakte
proceskosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van het in de uitspraak van de rechtbank overwogene;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 348,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
29 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|