|
Uitspraak
03/4140 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 16 januari 2001 hebben de ouders van gedaagde aan
appellant verzocht om haar een voorziening ingevolge de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) toe te kennen in de vorm
van de verstrekking van een laptop met spraaksynthesizer voor het volgen
van onderwijs.
Bij besluit van 28 maart 2001 heeft appellant dat verzoek op grond van
artikel 22 van de Wet Rea afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 26 juli 2001 ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage heeft het tegen
het besluit van 26 juli 2001 ingestelde beroep bij - met toepassing van
artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewezen - uitspraak
van 19 februari 2002 ongegrond verklaard.
Bij zijn uitspraak van 10 april 2003 heeft de Raad de uitspraak van de
voorzieningenrechter vernietigd voor zover aangevochten, het inleidend
beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 juli 2001 vernietigd en
bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het in de uitspraak van de Raad overwogene.
Gedaagde heeft bij brief van 26 juni 2003 beroep bij de rechtbank
ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift
van 17 april 2001.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage heeft het beroep
tegen het niet tijdig nemen van een besluit bij - met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gewezen - uitspraak van 4
augustus 2003 gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen
niet tijdig beslissen op bezwaar vernietigd, appellant opgedragen om
binnen twee weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te
nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, en
bepaald dat het Uwv aan gedaagde een dwangsom verbeurt van € 100,--
voor elke dag waarop appellant niet aan deze uitspraak voldoet.
Appellant is van deze uitspraak, voorzover daarbij is bepaald dat hij
binnen twee weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing
op bezwaar moet nemen, in hoger beroep gekomen op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde heeft mr. M.F. Vermaat, werkzaam bij stichting De
Ombudsman, bij brief van 20 augustus 2003 een reactie op het standpunt
van appellant ingezonden.
Het geding is - gevoegd met de gedingen, geregistreerd onder de nummers
03/1271 REA en 03/3410 REA - behandeld ter zitting van de Raad van 8
oktober 2003, waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. Vermaat voornoemd, en waar appellant is vertegenwoordigd door M.H.
Beersma en drs. G. Philip, beiden werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten, de door
partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten, en de relevante
regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De door de
voorzieningenrechter weergegeven feiten zijn niet door partijen betwist
en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt voor zijn beoordeling.
Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het onderdeel van het
dictum van de aangevallen uitspraak, waarin is bepaald dat appellant
binnen twee weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing
op bezwaar dient te nemen. Daartoe is in hoger beroep allereerst
aangevoerd dat deze termijn in strijd is met jurisprudentie van de Raad,
onder meer de uitspraken gepubliceerd in JB 1997/50, RSV 1997/90 en RSV
1998/21. Daarnaast is van de zijde van appellant gesteld, dat hij nog
geen uitvoering aan de opdracht van de voorzieningenrechter kan geven,
omdat eerst duidelijk inzicht moet zijn verkregen in de merites van een
laptop met spraaksoftware voor dyslectische leerlingen en in de criteria
die voor de toekenning van zulk een voorziening zullen moeten gaan
gelden. Het meritesonderzoek en de vaststelling van nieuw beleid op
basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal nog enige tijd in beslag
nemen.
De Raad zal zich tot de beoordeling van dit geschilpunt beperken.
In de door appellant genoemde uitspraken heeft de Raad overwogen dat op
grond van artikel 19 van de Beroepswet de werking van een uitspraak
zoals in die gevallen aan de orde, wordt opgeschort, totdat de termijn
voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger
beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, en dat deze
opschortende werking zich ook uitstrekt tot de termijn die op grond van
artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb is gesteld. Dit geldt evenzo in het
onderhavige geval, waarin het gaat om een besluit op grond van de Wet
Rea. Dit betekent dat de door de
voorzieningenrechter bepaalde termijn
van twee weken feitelijk pas aanvangt na het in rechte onaantastbaar
worden van zijn uitspraak. Zou appellant geen hoger beroep hebben
ingesteld dan zou hij ten gevolge van deze opschortende werking in feite
binnen acht weken na de verzending van de aangevallen uitspraak een
beslissing hebben moeten nemen. De Raad is niet gebleken van enige
rechtsregel, die in het onderhavige geval aan het stellen van een
termijn van twee weken in de weg staat.
In zijn uitspraak van 10 april 2003, waarin appellant als gedaagde en
gedaagde als appellante is aangeduid, heeft de Raad het volgende
overwogen:
"Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, waarbij de
aanvraag op zijn eigen merites wordt beoordeeld aan de hand van de
artikelen 11 en 22, vierde lid, van de Wet Rea. In dat kader is van
belang of appellante ten gevolge van ziekte of gebrek belemmeringen
ondervindt bij het volgen van onderwijs - ter zitting waren partijen het
erover eens dat hiervan bij appellante sprake was -, en of de gevraagde
voorziening een adequate oplossing is om die belemmeringen op te heffen.
Als daarvan sprake is, dient voorts te worden bezien of in het licht van
de ingevolge artikel 11 van genoemde wet op gedaagde rustende taak in
het onderhavige geval tot gehele of gedeeltelijke verstrekking van de
gevraagde voorziening dient te worden overgegaan. De enkele
omstandigheid dat appellante hangende de beroepsprocedure in de praktijk
er blijk van heeft gegeven met veel extra inspanningen van haarzelf,
haar medeleerlingen en van professionele begeleiding op school op
voldoende niveau te kunnen presteren behoeft op zichzelf bezien niet -
per definitie - een beletsel te vormen voor toepassing van artikel 22,
vierde lid, van de Wet Rea. De Raad merkt in dit verband op dat uit het
verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat gedaagde deze maatstaf
niet hanteert bij aanvragen van blinden om een computer ter beschikking
te stellen voor het volgen van onderwijs. Gedaagde zal zich bij het
nieuw te nemen besluit moeten beraden over de vraag in welke mate ter
compensatie van de door appellante als gevolg van dyslexie ondervonden
belemmeringen bij het volgen van onderwijs redelijkerwijs extra
inspanningen van appellante zelf en hulp van derden mag worden
gevergd."
Gelet op deze uitspraak en de uit de stukken en het verhandelde ter
zitting blijkende weigering van appellant om daaraan tijdig, dat wil
zeggen in elk geval binnen de ingevolge de artikelen 50 van de Wet Rea en 7:10, derde en vierde lid, van de Awb voor het nemen van een besluit
op bezwaar geldende beslistermijn, te voldoen en mede in aanmerking
genomen dat de bezwaarverzekeringsarts al op 11 juni 2003 advies heeft
uitgebracht, heeft de voorzieningenrechter in redelijkheid een termijn
van twee weken kunnen opleggen. Dat het appellant niet zou lukken om
binnen die termijn een meritesonderzoek af te ronden kan niet afdoen aan
de ingevolge genoemde wettelijke bepalingen op appellant rustende plicht
om tijdig op het door gedaagde ingediende bezwaarschrift te beslissen.
De Raad wijst er in dit verband op dat geenszins is gebleken dat
gedaagde heeft ingestemd met verlenging van de voor het nemen van die
beslissing geldende termijn.
Op grond van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. Dit houdt in dat appellant
binnen twee weken na verzending van deze - 's Raads - uitspraak een
nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van hetgeen de
Raad in zijn uitspraak van 10 april 2003 heeft overwogen, en dat het Uvw
een dwangsom verbeurt van € 100,-- voor elke dag waarop appellant niet
aan deze opdracht voldoet.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,-- aan rechtsbijstand en op €
18,06 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 662,06 te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 348,--, wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
29 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|