|
Uitspraak
02/2116 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 28 september 2000 heeft gedaagde geweigerd appellante in
het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea)
een computer met toebehoren te vergoeden ten behoeve van haar
deeltijdopleiding maatschappelijk werk en dienstverlening aan de
Hogeschool Brabant te Breda.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 12 maart 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De Rechtbank Breda heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 25 februari 2002 ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is appellante in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Bij brief van 24 juni 2002 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend
en bij brief van 16 juni 2003 heeft appellante nog een aantal stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 juli 2003, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door A.M.J. van
Grondelle, wonende te Goirle.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.M. Kleys, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De feiten welke de rechtbank als vaststaande heeft aangenomen, vormen
ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn beoordeling.
De in het bestreden besluit neergelegde weigering om appellante niet in
aanmerking te brengen voor een computer (met toebehoren) is gebaseerd op
het bepaalde in artikel 2 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea
(hierna: het besluit). In dat artikel, zoals dat luidde ten tijde in
geding, is onder meer bepaald dat een voorziening als bedoeld in artikel
22 van de Wet Rea, niet wordt toegekend indien de voorziening algemeen
gebruikelijk is.
In de toelichting op artikel 2 van het Besluit staat onder meer te lezen
dat het niet de bedoeling is dat kosten of diensten worden vergoed die
door de meeste mensen (in een bepaalde bedrijfstak) plegen te worden
aangeschaft of gebruikt, ook al hangt de aanschaf of het gebruik samen
met een ziekte of gebrek.
De rechtbank, die het bestreden besluit in stand heeft gelaten, heeft
onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een computer (met
toebehoren) op de markt is gebracht voor een algemeen koperspubliek en
thans als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. Met andere
woorden, een dergelijke aanschaf kan als algemeen gebruikelijk voor
zowel arbeidsgehandicapten als niet arbeidsgehandicapten worden
beschouwd. De rechtbank kent in dit geval voorts betekenis toe aan
hetgeen van de zijde van de Hogeschool Brabant bij brief van 12 oktober
2000 is verklaard. Daaruit moet worden afgeleid dat het bezit van een PC
met internetvoorziening voor alle studenten die de door eiseres gevolgde
opleiding volgen, wenselijk is. Verder is hier van belang dat het bij de
door eiseres verzochte voorziening niet gaat om een PC die is aangepast
aan haar handicap.
Uit de hiervoor bedoelde brief van de Hogeschool Brabant blijkt voorts
dat eiseres gebruik kan maken van de PC-voorzieningen van deze
hogeschool. Voor zover eiseres als gevolg van haar handicap hogere
reiskosten moet maken, wijst de rechtbank er op dat verweerder voor die
kosten een vergoeding krachtens de Wet Rea heeft toegekend, zo is ter
zitting gebleken.
Eiseres heeft er nog op gewezen dat zij niet over de financiële
middelen beschikt om de PC (met toebehoren) aan te schaffen. Bij de
beoordeling van het in geding zijnde verzoek om een voorziening op grond
van artikel 22 van de Wet Rea speelt echter in beginsel geen rol in
hoeverre de betrokkene een dergelijke aanschaf kan betalen."
Hetgeen door appellante in hoger beroep naar voren is gebracht komt er
op neer dat zij van mening is dat gedaagde haar ten onrechte niet in
aanmerking heeft gebracht voor de gevraagde voorziening. Appellante
heeft onder meer aangevoerd dat zij de inmiddels door haar aangeschafte
PC (met toebehoren) nooit aangeschaft zou hebben als zij de opleiding
aan de Hogeschool Brabant niet gevolgd zou hebben, en dat de door
gedaagde toegekende vergoeding voor de reiskosten naar school slechts
voldoende is voor één lesdag per week en een aantal bijeenkomsten.
In hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad
geen aanleiding gevonden om het oordeel van de rechtbank niet te volgen.
Ook overigens is de Raad niet gebleken dat het bestreden besluit onjuist
zou zijn. De Raad verwijst kortheidshalve naar de hierboven weergegeven
regelgeving en de overwegingen van de rechtbank, aan welke overwegingen
de Raad niets heeft toe te voegen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van S.
van der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september
2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S. van der Zee.
|
|