|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4021 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
's-Hertogenbosch, gedaagde.
I. INLEIDING
Namens appellante heeft mr. W.P. de Leeuw, advocaat te 's-Hertogenbosch,
op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 juni 2002,
reg.nr. 01/1189 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en enkele door de Raad
gestelde vragen beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 december 2003. Appellante is
in persoon verschenen, bijgestaan door mr. N.J.W.M. de Leeuw, kantoorgenoot van mr. W.P. de Leeuw. Gedaagde
heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Appellante ontvangt sinds 13 maart 1996 een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (hierna: Abw). Bij besluit van 15 mei 1997 is appellante gedeeltelijk ontheven van de
arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 113 van de Abw. Bij besluit
van 28 april 1998 is die ontheffing ingetrokken.
Bij besluit van 19 augustus 1999 heeft gedaagde, met toepassing van de
artikelen 2, derde lid, en 3, tweede lid, van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea), ten aanzien van
appellante - na een medische keuring - vastgesteld dat zij wordt
aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea. Daarbij
heeft gedaagde tevens aan appellante medegedeeld dat het voor haar,
ondanks medische beperkingen, mogelijk is om te werken en dat zij daarom
"moet (...) blijven voldoen aan de arbeidsverplichtingen die (...)
bij het toekennen van de [Abw-]uitkering zijn opgelegd."
Bij het bestreden besluit van 17 april 2001 heeft gedaagde het door
appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag of
gedaagde het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht. Op grond van de
volgende overwegingen beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.
Niet in geschil is dat het bezwaar niet is gericht tegen de vaststelling
door gedaagde dat appellante wordt aangemerkt als arbeidsgehandicapte in
de zin van de Wet Rea, maar uitsluitend tegen de hiervoor weergegeven in
het besluit van 19 augustus 1999 opgenomen mededeling. Appellante heeft die mededeling -
kennelijk - opgevat als een besluit omtrent het opleggen van de
arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 113 van de Abw.
Uit artikel 113 van de Abw vloeit voort dat de daarin opgenomen
arbeidsverplichtingen van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Ten
tijde van het besluit van 19 augustus 1999 golden deze voor appellante -
weer - onverkort. De mededeling strekt er slechts toe appellante aan de
gelding van de arbeidsverplichtingen te herinneren en is - ook - niet op
enig rechtsgevolg gericht. De Raad ziet voorts geen aanleiding de
mededeling op te vatten als een ambtshalve weigering van gedaagde om
appellante, met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw, van
die verplichtingen (opnieuw) geheel of gedeeltelijk ontheffing te
verlenen.
Het bezwaar was derhalve niet gericht tegen een besluit.
Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen
uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden
besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien
en het bezwaar - alsnog - niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellante. Deze kosten worden wat het beroep betreft begroot op €
644,-- wegens verleende rechtsbijstand en wat het hoger beroep betreft
op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand en € 11,70 wegens
reiskosten van appellante, in totaal € 1299,70.
Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat appellante zich tot gedaagde
kan wenden met het verzoek haar (opnieuw) geheel of gedeeltelijk
ontheffing te verlenen op grond van artikel 107, eerste lid, van de Abw.
In dat kader zal een medisch onderzoek naar de - dan - actuele medische
klachten en beperkingen van appellante moeten plaatsvinden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1299,70, te betalen door de gemeente 's-Hertogenbosch aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|