|
Uitspraak
01/4819 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Huize De La Salle Stichting Orthopedagogisch Instituut, gevestigd te
Boxtel, appellante,
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft prof. mr. J.H. Hubben, advocaat te Arnhem, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch
van 11 juli 2001, reg.nr. AWB 00/4531.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 januari 2004. Appellante
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L. Heinen, advocaat te
Arnhem en kantoorgenoot van prof. mr. Hubben, met bijstand van P. van
Alphen en W. Ketelaars, beiden werkzaam bij appellante. Gedaagde heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.W. Koedam en mr. J.A.M. van
Dongen, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Gedaagde heeft desgevraagd een nadere schriftelijke reactie ingezonden.
Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven de nadere zitting
achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.
II. MOTIVERING
Artikel 44, eerste en tweede lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) luidt als volgt:
"1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [tot 1 januari
2002: Het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen] verstrekt ten laste
van het Reïntegratiefonds per kalenderjaar aan door Onze Minister aan
te wijzen scholingsinstituten die ten doel hebben de arbeidsintegratie
van arbeidsgehandicapten te bevorderen, een subsidie ter hoogte van een
bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [tot 1 januari 2002:
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen] kan in het belang van
deze wet ten laste van het Reïntegratiefonds subsidie verstrekken aan
andere instellingen of organisaties, dan de scholingsinstituten, bedoeld
in het eerste lid, die ten doel hebben het nemen of bevorderen van
maatregelen, die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de
mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.".
In de met ingang van 1 januari 1999 in werking getreden - ministeriële
- Regeling aanwijzing en subsidiëring scholingsinstituten van 16
december 1998 (Stcrt. 244) (de Regeling) zijn vijf scholingsinstituten
op grond van artikel 44, eerste lid, van de Wet Rea aangewezen. Sinds 5
november 1999 berusten deze aanwijzingen - met terugwerkende kracht tot
1 januari 1999 - niet langer op de per 1 januari 2000 door de Regeling
subsidiëring scholingsinstituten 2000 vervangen Regeling, maar op -
vijf - afzonderlijke beschikkingen van de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (de Staatssecretaris).
De aangewezen scholingsinstituten richten zich op specifieke doelgroepen
van arbeidsgehandicapten, te weten blinden en slechtzienden, mytyl- en
tyltylkinderen en personen die revalidatie behoeven. Zij ontvangen in de
vorm van de in artikel 44, eerste lid, van de Wet Rea bedoelde subsidie
een basisfinanciering voor alle bijzondere kosten die zij moeten maken
om de instituten toegankelijk te maken voor de specifieke doelgroep.
Daarbij gaat het met name om hogere kosten als gevolg van het feit dat
per docent minder cursisten kunnen worden bediend dan in het reguliere
onderwijs, en voorts om kosten met betrekking tot verblijf en vervoer en
- overige - handicapgerelateerde kosten. Met de subsidie worden de
kosten aan de aanbodzijde meer in overeenstemming gebracht met de kosten
van de reguliere scholing. Daardoor wordt ook de inkoop goedkoper. Bij
de wijziging van de Regeling van 28 juni 1999 (Stcrt. 122) is de totale
subsidie voor het jaar 1999 vastgesteld op 22 miljoen gulden.
De specifieke doelgroep van het door gedaagde verzorgde
scholingsinstituut zijn jongeren met een verstandelijke beperking die
daarnaast ontwikkelings- en/of opvoedingsmoeilijkheden hebben. Het
programma voorziet in arbeidsscholing, arbeidstraining,
arbeidsmarkttoeleiding en plaatsing op de arbeidsmarkt. Omdat appellante
niet op grond van artikel 44, eerste lid, van de Wet Rea is aangewezen,
ontvangt zij niet de hiervoor bedoelde - structurele, voor meer jaren
gegarandeerde - basisfinanciering. Wel ontvangt appellante - incidentele
- subsidies, in het bijzonder op grond van artikel 44, tweede lid, van
de Wet Rea, uit de gelden in het kader van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, uit de gelden van het Europees Sociaal Fonds en van de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Omdat appellante had vastgesteld dat de aan haar ter beschikking staande
middelen niet toereikend zijn om op stabiele en structurele basis haar
activiteiten uit te voeren en te continueren, heeft zij bij brief van 28
mei 1999 de Staatssecretaris verzocht haar aan te wijzen op grond van
artikel 44, eerste lid, van de Wet Rea.
Bij primair besluit van 3 november 1999 heeft de Staatssecretaris, met
verwijzing naar het - op zijn verzoek uitgebrachte - advies van het
toenmalige Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening (CBA) van 1 oktober 1999,
het verzoek van appellante afgewezen.
Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden
besluit van 24 mei 2000 namens de Staatssecretaris door de
Directeur-Generaal Arbeidsomstandigheden en Sociale Verzekeringen
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellante
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, het volgende.
Het bestreden besluit is krachtens mandaat genomen door een ambtenaar,
terwijl het primaire besluit door de Staatssecretaris zelf was genomen.
Daarmee is beslist op een wijze die niet beantwoordt aan (de strekking
van) de in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) neergelegde heroverwegingsplicht. De rechtbank heeft dit niet
onderkend. Hieruit volgt dat - met vernietiging van de aangevallen
uitspraak - het beroep gegrond dient te worden verklaard en het
bestreden besluit dient te worden vernietigd.
De Raad zal vervolgens beoordelen of er gronden zijn om de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
Daarbij is allereerst van belang dat gedaagde - op wie de bevoegdheid
van de Staatssecretaris inmiddels is overgegaan - bij brief van 5
februari 2004 heeft verklaard dat hij het bestreden besluit inhoudelijk
voor zijn rekening neemt.
In aansluiting daarop overweegt de Raad het volgende.
In het bestreden besluit heeft gedaagde, voorzover hier van belang, het
volgende overwogen:
"Bij de reïntegratie van werkzoekenden vormt scholing een
belangrijk instrument. Gezien de aard van hun handicap zullen voor een
deel van de werkzoekende arbeidsgehandicapten de reguliere
scholingsinstituten onvoldoende op de specifieke situatie toegesneden
trajecten leveren. Voor de toegang tot de arbeidsmarkt is voor deze
personen van belang de mogelijkheid te krijgen tot het volgen van een
arbeidsmarkt gerichte cursus of het behalen van een eerste
startkwalificatie. Voor de reïntegratie als zodanig zijn, afhankelijk
van het uitkeringsregiem, de gemeenten, uitvoeringsinstellingen en
Arbeidsvoorziening verantwoordelijk. Zij kunnen bij de
scholingsinstituten de noodzakelijke trajecten inkopen. Uitgangspunt
hierbij is dat de scholing van arbeidsgehandicapten in beginsel wordt
overgelaten aan de markt. Gelet op het maatschappelijke belang van
voldoende scholing voor arbeidsgehandicapten dient de inzet van adequate
scholing te worden gewaarborgd. Daartoe is een vijftal
scholingsinstituten aangewezen die fungeren als een bodemvoorziening.
Voor deze instituten geldt dat zij in aanmerking komen voor een
basisfinanciering waaronder de specifieke kosten vallen die het
scholingsinstituut moet maken om het scholingsinstituut toegankelijk te
maken voor de doelgroep. De financiering van de kosten van de feitelijke
scholing van de arbeidsgehandicapten dient te geschieden via de inkoop
door de verantwoordelijke uitvoeringsorganen.
(...)
Voor de beoordeling van het verzoek door De La Salle als
scholingsinstituut in de zin van artikel 44 Wet Rea was van belang of de
beoogde bodemvoorziening voor adequate scholing aan arbeidsgehandicapten
in het kader van arbeidstoeleiding werd gewaarborgd. De adviesaanvraag
aan het CBA was daarop gericht (...).
(...)
In tegenstelling tot hetgeen in het bezwaarschrift wordt aangevoerd
bestaat er wel degelijk een beleidsmatig criterium dat ten grondslag
ligt aan de aanwijzing van scholingsinstituten als bedoeld in artikel 44
Wet Rea. Blijkens de toelichting op het besluit in het kader van de Wet
arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) d.d. 28 oktober 1991, Stcrt. 210
alsmede het besluit in het kader van artikel 44 Wet Rea d.d. 16 december
1998, Stcrt. 244 beoogt de aanwijzing te voorzien in scholing van
arbeidsgehandicapten die wegens hun handicap niet terecht kunnen op
reguliere opleidingsinstituten wegens het ontbreken van de noodzakelijke
voorzieningen. (...) Het feit dat de thans aangewezen
scholingsinstituten reeds waren aangewezen onder de Wagw vormt derhalve
geen criterium voor aanwijzing. Zij zijn aangewezen, omdat zij de
beoogde bodemvoorziening vormen. Met de invoering van de Wet Rea (...)
is slechts de financieringsstructuur in overeenstemming gebracht met de
verantwoordelijkheidsverdeling inzake scholing tussen de verschillende
uitvoeringsorganen en niet de aanwijzing van scholingsinstituten als
zodanig. (...)
(...)
In de opleidingsbehoefte van arbeidsgehandicapten dient in beginsel te
worden voorzien door de markt van scholing. Daar deze markt in het
verleden onvoldoende ontwikkeld was, zijn in het kader van de Wagw
scholingsinstituten aangewezen ter waarborging van de inzet van adequate
scholing voor gehandicapten. Gelet op de ontwikkeling van de markt is er
geen aanleiding om de huidige bodemvoorziening verder uit te breiden.
Dat er thans door de combinatie van een bodemvoorziening en regulier
opleidingsaanbod een voldoende gevarieerd opleidingsaanbod voor
arbeidsgehandicapten aanwezig is, wordt bevestigd door het advies van
het CBA. In dit kader valt niet uit te sluiten dat, afhankelijk van de
verdere ontwikkeling van de markt, in de toekomst de aanwijzing van
scholingsinstituten in de zin van de Wet Rea wordt heroverwogen. Hierbij
dient nog te worden opgemerkt dat de huidige bodemvoorziening niet tot
doel heeft om voor elke specifieke groep van arbeidsgehandicapten
scholing te garanderen. Gezien het omvangrijke aanbod van opleidingen en
de grote verscheidenheid onder arbeidsgehandicapten zou bij een breed
spectrum van aangewezen scholingsinstituten geen sprake meer zijn van
een bodemvoorziening in aanvulling op de reguliere
scholingsmogelijkheden voor arbeidsgehandicapten.”
In het kader van de procedure in eerste aanleg heeft gedaagde voorts
verwezen naar de toelichting bij de wijziging van de Regeling van 28
juni 1999, waarin onder meer is opgenomen:
"Met de invoering van de nieuwe financieringsstructuur voor de
scholingsinstituten is de weg naar marktwerking ingeslagen. Het kabinet
neemt hierbij een overgangstermijn in acht waarin er voor wat de inkoop
van scholing betreft van wordt uitgegaan dat gedurende vijf jaar - te
rekenen vanaf 1 januari 1999 (het moment waarop de nieuwe
financieringsstructuur van kracht is geworden) - het aantal plaatsingen
bij de scholingsinstituten ten minste overeenkomt met het aantal
plaatsingen in 1997 (...). Dit betekent dat dit aantal plaatsingen tot 1
januari 2004 bepalend is voor de financiële tegemoetkoming aan de
inkoopzijde van de nieuwe financieringsstructuur.
Hiermee wordt beoogd het voortbestaan van deze voorziening in een
overgangsperiode, waarin de scholingsinstituten naar een volwaardige
marktpositie moeten toegroeien, te waarborgen. (...)
(...)
De nieuwe financieringsstructuur zal (...) in het jaar 2002 (...) worden
geëvalueerd. Deze evaluatie zal zowel een financiële als een
beleidsinhoudelijke invalshoek kennen. Bezien zal worden hoe de nieuwe
financieringsstructuur functioneert ten opzichte van de ontwikkelingen
van vraag en aanbod en wat de gevolgen voor dit specifieke type
scholingsaanbod zullen zijn wanneer het niveau van het aantal
plaatsingen in 1997 met ingang van 1 januari 2004, niet langer bepalend
is voor de financiële tegemoetkoming aan de inkoopzijde van de nieuwe
financieringsstructuur.”
Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat gedurende het proces naar
marktwerking in de overgangsperiode de inzet van adequate scholing
uiteraard wel moet worden gewaarborgd, maar dat uitbreiding van de
bodemvoorziening niet is aangewezen.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onder meer het volgende
overwogen (waarbij voor eiseres moet worden gelezen: appellante, en voor
verweerder: gedaagde):
“Verweerder heeft zijn overwegingen op grond waarvan zijn weigering om
eiseres aan te wijzen als een scholingsinstituut is gebaseerd - te weten
dat er vanuit een oogpunt van doelmatig gebruik van de
aanwijzingsbevoegdheid geen aanleiding bestaat om de (...) gewaarborgde
bodemvoorziening door middel van aanwijzing van scholingsinstituten
verder uit te breiden -, mede gerelateerd aan de bedoeling van de
regelgever om te groeien naar meer marktwerking. Deze kennelijke
bedoeling van de regelgever is naar het oordeel van de rechtbank zodanig
zwaarwegend dat verweerders weigering om eiseres aan te wijzen als
scholingsinstituut de rechterlijke toets kan doorstaan.”.
In hoger beroep heeft appellante - voorzover gelet op de uit te spreken
vernietiging van het bestreden besluit nog van belang - het volgende
aangevoerd.
- Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Uit
het - aan de besluitvorming ten grondslag gelegde - advies van het CBA
blijkt dat het programma dat appellante biedt, vakinhoudelijk een goede
methode is die leidt tot plaatsingsresultaten. Dat is op zichzelf al een
grond voor aanwijzing - ook - van appellante op grond van artikel 44,
eerste lid, van de Wet Rea. De aanwijzing van de vijf
scholingsinstituten is bovendien tot stand gekomen op grond van een
historisch gegroeide positie. Uitgangspunt is geweest dat bij
verstrekking van de basissubsidie aan deze instituten een
bodemvoorziening in stand wordt gehouden als waarborg voor de inzet van
adequate scholing voor arbeidsgehandicapten in het kader van
arbeidstoeleiding. De vraag die het CBA heeft beantwoord, is of deze
bodemvoorziening, in combinatie met het reguliere opleidingsaanbod,
voldoende is om te voorzien in de opleidingsbehoeften van zowel
arbeidsgehandicapten als inkopers. Het CBA heeft geconcludeerd dat er in
principe een voldoende groot en gevarieerd regulier aanbod aan
beroepsopleidingen is waar arbeidsgehandicapten aan kunnen deelnemen.
Toch kunnen voor specifieke groepen arbeidsgehandicapten met
vergelijkbare complexe problematiek (zoals zwakbegaafde jongeren met
gedragsproblemen, de specifieke doelgroep van appellante) juist
specifieke trajecten de beste, duurzame oplossingen bieden. Aanwijzing
op grond van artikel 44, eerste lid, van de Wet Rea acht het CBA echter,
gezien de precedentwerking naar andere toekomstige verzoeken om
aanwijzing van soortgelijke specifieke opleidingen, niet het juiste
middel. Hieruit blijkt, aldus appellante, dat geen inhoudelijke
beoordeling door het CBA heeft plaatsgevonden. Dat kon volgens
appellante ook niet anders, omdat aan het CBA in het geheel geen
inhoudelijke criteria waren meegegeven. Bovendien is er geen goede reden
waarom voor bepaalde specifieke doelgroepen van moeilijk
(re)integreerbare personen wel een bodemvoorziening nodig is en voor
andere niet. Ook de specifieke doelgroep van appellante kan niet op een
reguliere onderwijsinstelling terecht. Voorts heeft gedaagde in een
brief aan de Tweede Kamer van 6 oktober 2003 een evaluatierapport
toegezonden over het functioneren van de vijf aangewezen instituten.
Daaruit blijkt dat prestaties zowel wat betreft de effectiviteit
(duurzaamheid van de plaatsingen) als de efficiency (kosten per
plaatsing) bij die instituten aanmerkelijk achterblijven bij die van
andere instellingen. Gedaagde heeft daarbij uitdrukkelijk vermeld dat
uit een oogpunt van gelijke behandeling een bijzondere financiering
alleen aan de orde kan zijn, indien er bijzondere en noodzakelijke
redenen bestaan voor afwijking in de kostenstructuur en/of -hoogte ten
opzichte van andere instellingen die vergelijkbare activiteiten
verrichten.
- Gedaagde mag zich niet beroepen op de - door appellante aldus
aangeduide - beleidswijziging zoals neergelegd in de wijziging van de
Regeling van 28 juni 1999, omdat de aanvraag van appellante al daaraan
voorafgaand was gedaan.
- Hoe dan ook heeft per 1 januari 2004 nog geen wijziging in de
financieringsstructuur plaatsgevonden. De Regeling subsidiëring
scholingsinstituten 2004 van 11 november 2003 (Stcrt. 229) heeft de vijf
aangewezen scholingsinstituten immers ook voor 2004 verzekerd van de
basisfinanciering.
- Indien al zou moeten worden aangenomen dat gedaagde terzake over
beleidsvrijheid beschikt, moet worden vastgesteld dat geen beleidsregels
zijn vastgesteld. De uitoefening van de bevoegdheid is - ook - daarom
een willekeurige.
De Raad is met appellante van oordeel dat het bestreden besluit, in
strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet op een deugdelijke
motivering berust. Gedaagde heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom
een adequate bodemvoorziening aanwezig wordt geacht als niet voor alle,
althans voor meer dan de thans door de vijf aangewezen
scholingsinstituten bediende, specifieke doelgroepen van
arbeidsgehandicapten die niet op ene reguliere onderwijsinstelling
terecht kunnen, een basisvoorziening is verzekerd. Ook is nimmer
uiteengezet op grond waarvan de thans bediende specifieke doelgroepen
zich beslissend onderscheiden van (de) andere. Dat blijkt ook al uit het
advies van het CBA. Gedaagde heeft bovendien het begrip bodemvoorziening
nergens gedefinieerd, zodat het er alle schijn van heeft dat feitelijk
de historisch gegroeide situatie in overwegende mate bepalend is geweest
voor de (voortgezette) aanwijzingen per 1 januari 1999.
Evenals de rechtbank acht de Raad echter de in het kader van de
procedure in eerste aanleg door gedaagde gegeven nadere motivering wel
deugdelijk.
Daarbij is van belang dat de aan gedaagde in artikel 44, eerste lid, van
de Wet Rea toegekende bevoegdheid van discretionaire aard is. Die
bevoegdheid is bovendien in de wet niet nader genormeerd, zodat aan
gedaagde terzake een - ruime - beleidsvrijheid toekomt. (De rechtbank
spreekt overigens ten onrechte over beoordelingsvrijheid.) Het is daarom
primair aan gedaagde om op grond van beleidsmatige overwegingen een
keuze te maken omtrent de aanwijzing van scholingsinstituten.
Gedaagde heeft in dat verband - nader - uiteengezet dat de gemaakte en
tot dusverre gehandhaafde keuze met name is ingegeven door de wens om,
in afwachting van de totstandkoming van de beoogde nieuwe
financieringsstructuur en de daarmee gepaard gaande verruiming van de
marktwerking, de per 1 januari 1999 bestaande situatie te continueren.
Juist omdat de verwachting gerechtvaardigd was en is dat de “oude”
financieringsstructuur zal worden afgebouwd, lag en ligt het niet in de
rede om andere dan de eerder reeds aangewezen instituten daarin alsnog
te betrekken. Mede daarom was en is het beleid ook niet gericht op het
door middel van de basisfinanciering volledig dekkend maken van de
beschikbare voorzieningen voor alle specifieke doelgroepen van
arbeidsgehandicapten, maar is het aanwezige aanbod voor de voorziene
overgangsperiode (tot 1 januari 2004) toereikend geacht. In die zin moet
dan ook de term bodemvoorziening worden begrepen, aldus gedaagde.
De Raad acht deze beleidskeuze van binnen de grenzen van een redelijke
beleidsbepaling gelegen.
Dat de beoogde nieuwe financieringsstructuur - anders dan was voorzien -
niet per 1 januari 2004 haar beslag heeft gekregen acht de Raad
onvoldoende om anders te oordelen. Daarbij is van belang dat uit de
brief aan de Tweede Kamer van 6 oktober 2003 blijkt dat het beleid
terzake nog steeds overeind staat, maar dat door onvoorziene
omstandigheden (onder andere een latere evaluatie dan oorspronkelijk de
bedoeling was) vertraging is ontstaan. Ook uit de toelichting bij de
Regeling subsidiëring scholingsinstituten 2003 van 19 december 2002
(Stcrt. 246) en uit de toelichting bij de Regeling subsidiëring
scholingsinstituten 2004 blijkt dat, naar aanleiding van de resultaten
van de evaluatie, zal worden bezien hoe de financieringsstructuur in de
toekomst zal worden vormgegeven. Ter zitting is namens gedaagde
bovendien verklaard dat het de uitdrukkelijke bedoeling is nog in dit
kalenderjaar tot - politieke - besluitvorming te komen.
Wel merkt de Raad op dat het voorgaande anders kan komen te liggen,
indien de invoering van de nieuwe financieringsstructuur - aanmerkelijke
- verdere vertraging oploopt. In dat geval zal gedaagde een eventuele
nieuwe aanvraag van appellante niet langer op de thans door de Raad
aanvaarde grond mogen afwijzen.
De Raad volgt appellante niet in de stelling dat gedaagde zich niet zou
mogen beroepen op de toelichting bij de wijziging van de Regeling van 28
juni 1999. Weliswaar is de aanvraag van appellante voorafgaand aan de -
door appellante aanwezig geachte - beleidswijziging gedaan, het
bestreden besluit is echter van daarna. Er is geen grond om te oordelen
dat in dit geval zou moeten worden afgeweken van de hoofdregel dat in
bezwaar een heroverweging dient plaats te vinden naar het recht, de
feiten en het beleid ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar.
Aan het feit dat gedaagde terzake geen beleidsregels heeft vastgesteld,
kan niet de door appellante bepleite betekenis worden toegekend. Het
vaststellen van beleidsregels is immers, zo blijkt uit de tekst van
artikel 4:81, eerste lid, van de Awb, een bevoegdheid van het
bestuursorgaan en geen verplichting. De door de bestuursrechter uit te
voeren toetsing met betrekking tot het gebruikmaken door het
bestuursorgaan van zijn discretionaire bevoegdheid in het concrete geval
strekt er dan toe dat wordt beoordeeld of de af te wegen belangen zijn
geïnventariseerd, of die belangen tegen elkaar zijn afgewogen en of de
uitkomst van de belangenafweging niet onredelijk is. Uit hetgeen
hiervoor is overwogen volgt dat de Raad van oordeel is dat dit laatste -
in elk geval thans - niet het geval is.
Dit alles leidt de Raad tot de conclusie dat er aanleiding is de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- in beroep en €
644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1288,--, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal € 510,50 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.G.
Treffers en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
|
|