|
Uitspraak
04/4000 REA en 04/4002 REA
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Zwolle van 15 juni 2004, reg. nrs AWB 04/453 t/m AWB 04/456.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 24 november 2004, waar
appellant is verschenen en waar gedaagde - zoals aangekondigd - niet is
verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Bij het bestreden besluit van 13 februari 2004 heeft gedaagde het
bezwaar van appellant tegen de hoogte van de toegekende vergoeding van
de opleidingskosten (voor het eerste gedeelte van de rechtenstudie aan
de Open Universiteit) en tegen de afwijzing van de vergoeding van de
kosten van de laptop (c.q. de reparatiekosten van de laptop) ongegrond
verklaard. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat ten
aanzien van de hoogte van de opleidingskosten niet gesteld kan worden
dat de toekenning van een bijdrage van € 2.490,- onjuist is, en dat de
bezwaararbeidsdeskundige zelfs van mening is dat appellant coulant is
behandeld en dat afwijzing van deze kosten voor de hand had gelegen.
De weigering van de vergoeding van de kosten van de laptop (en de
reparatiekosten van de laptop) is gebaseerd op het in het rapport van 6
februari 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige A. Leeneman neergelegde
standpunt dat een computer/laptop met toebehoren (c.q. de
reparatiekosten) als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.
Bij het bestreden besluit van 24 maart 2004 heeft gedaagde het bezwaar
van appellant tegen de afwijzing van de vergoeding van de studiekosten
Nederlands Recht aan de Open Universiteit voor het tweede studiejaar
ongegrond verklaard. Dat besluit is gebaseerd op het rapport van 23
oktober 2003 van de arbeidsdeskundige M.J. Loos-Diender en op
evenvermeld rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Leeneman.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 juni 2004 de verzoeken om een
voorlopige voorziening te treffen afgewezen en de tegen de bestreden
besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft
daartoe onder meer overwogen dat het feit dat appellant inmiddels een
aantal modules heeft gehaald, niet betekent dat daarmee is aangetoond
dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat de mogelijkheden van
appellant tot het verrichten van inkomensvormende arbeid worden vergroot
door het volgen van een (volledige) studie Nederlands Recht. Wat de
gevraagde vergoeding van de kosten van de computer/laptop (met
toebehoren) betreft is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke
voorziening, gelet op het bepaalde in artikel 2 van het
Reďntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea (Stb 1998, 293), als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.
Voor dat oordeel heeft de rechtbank steun gevonden in de uitspraak van
de Raad van 24 september 2003 (RSV 2003/292).
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Hij is onder meer van mening dat de rechtbank ten
onrechte de bevindingen van de arbeidsdeskundigen, zoals neergelegd in
de rapporten van 23 oktober 2003 en 6 februari 2004, heeft gevolgd.
De Raad komt - alles in aanmerking genomen - tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot de hoogte van de aan appellant toegekende
studiekostenvergoeding voor het eerste studiejaar (ad € 2.490) heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden dat het
toegekende bedrag onjuist zou zijn. De Raad heeft voor dat oordeel
voldoende steun gevonden in het rapport van 9 oktober 2002 van de
arbeidsdeskundige J. van den Berg.
Wat de weigering van de vergoeding van de kosten van de computer/laptop
(met toebehoren) betreft, kan de Raad zich verenigen met het oordeel van
de rechtbank dat in het onderhavige geval een computer (met toebehoren)
als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd.
Gelet op de in de rapporten van 23 oktober 2003 en 6 februari 2004
neergelegde bevindingen van de arbeidsdeskundigen is ook de Raad tot het
oordeel gekomen dat de afwijzing van de studiekostenvergoeding voor het
tweede jaar aan de Open Universiteit op goede gronden berust. Met name
gelet op de leeftijd van appellant, zijn werkervaring (appellant is
veelal als uitzendmedewerker werkzaam geweest) en de resultaten van het
beroepskeuzeonderzoek, moet ook de Raad het er voor houden dat niet
gezegd kan worden dat appellant op een rechtenstudie aan de Open
Universiteit is aangewezen om een reëel perspectief op de arbeidsmarkt
te hebben. Ter voorlichting aan appellant verwijst de Raad naar hetgeen
hij in dat verband heeft overwogen in zijn uitspraken die gepubliceerd
zijn in RSV 1994/78, USZ 2001/11 en RSV 2001/25.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15
december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|