|
Uitspraak
03/2906 REA en 03/2908 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. W.C. Dieleman, destijds advocaat te
Beverwijk, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Haarlem van 25 april 2003, nummers Awb 02-867 WAZ en 02-868 REA H V67
G17 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.
De gronden waarop het hoger beroep berust zijn aangevuld door mr. M.B.
Meindersma, advocaat te Beverwijk, die mr. Dieleman als gemachtigde is
opgevolgd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 februari 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Meindersma en
waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Ritsma, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In het aanvullend beroepschrift is aangegeven dat het hoger beroep niet
(meer) gericht is tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak
waarin de rechtbank een oordeel heeft gegeven over de toepassing van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
Voorts heeft appellants gemachtigde ter zitting van de Raad medegedeeld
dat zij niet langer handhaaft de in het aanvullend beroepschrift
aangevoerde grief dat bij de toepassing van de anticumulatieregels de
door appellant met arbeid verdiende winst over 1998 via middeling had
behoren te worden verlaagd, en dat als gevolg van het nalaten van die
middeling bij de toepassing van die regels van een onjuist inkomen uit
arbeid over 1998 is uitgegaan.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellant, die in het verleden als zelfstandig bloemist heeft gewerkt,
ontving in de hier van belang zijnde periode van gedaagde een uitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), die laatstelijk
was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Die uitkering is met ingang van 1 januari 1998 omgezet in een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Appellant werd in oktober 1998 65 jaar zodat de uitkering ingevolge de
WAZ met ingang van 1 oktober 1998 is beëindigd.
In het jaar 1997 en in 1998 tot 1 oktober van dat jaar heeft appellant
ook een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) ontvangen.
In 1996 heeft appellant een thuiswerkorganisatie (afwerkingsbedrijf/lijstenmakerij)
in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma (VOF) met drie
vennoten, waaronder appellant, opgezet. Appellant heeft dat bedrijf
(mede) opgezet om zijn gehandicapte zoon een beschutte arbeidsplaats te
bezorgen.
Appellant heeft als zijn aandeel in de winst van de VOF over 1997 ƒ
42.679,- genoten, hetgeen meer is dan het voor appellant in dat jaar
geldende geïndexeerde maatmaninkomen van ƒ 36.139,-.
Om die reden is met toepassing van artikel 33 van de AAW besloten de
uitbetaling van de uitkering over 1997 wegens het ontvangen van inkomen
uit arbeid alsnog op nihil te stellen, hetgeen appellant bij besluit van
6 oktober 2000 is medegedeeld.
Al eerder, namelijk bij besluit van 22 februari 1999, was appellant
medegedeeld dat hij gelet op de hoogte van zijn inkomen geen recht op
toeslag ingevolge de TW over het jaar 1997 had.
Over het jaar 1998 heeft appellant als winstaandeel in de VOF ƒ
59.453,- genoten, hetgeen meer is dan het maatmaninkomen over 1998, ƒ
36.708,-.
Een en ander heeft geleid tot de volgende besluiten.
Bij besluit van 29 oktober 2001 (verder: besluit 1) heeft gedaagde met
toepassing van artikel 58 van de WAZ de uitbetaling van de uitkering
ingevolge die wet over de periode van 1 januari 1998 tot 1 oktober 1998
alsnog op nihil gesteld.
Bij besluit van 30 oktober 2001 (verder: besluit 2) heeft gedaagde
besloten appellant gelet op de hoogte van zijn inkomen over het tijdvak
van 1 januari 1998 tot 1 oktober 1998 alsnog geen toeslag ingevolge de
TW toe te kennen.
Bij besluit van 2 november 2001 (verder: besluit 3) heeft gedaagde
besloten:
a) de onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de WAZ over de periode
van 1 januari tot en met 30 september 1998 van appellant terug te
vorderen;
b) de, gelet op de inhoud van het besluit van 22 februari 1999 en van
besluit 2, onverschuldigd betaalde toeslag ingevolge de TW over de
periode van 1 januari 1997 tot en met 30 september 1998 van appellant
terug te vorderen. In totaal wordt van appellant ƒ 31.493,23 aan
uitkering en toeslag teruggevorderd.
Bij besluit van 1 mei 2002, verder het bestreden besluit, zijn de
bezwaren van appellant tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak is onder meer het beroep tegen het bestreden
besluit ongegrond verklaard.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit van gedaagde in rechte stand
kan houden.
Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd, heeft
de Raad geen aanleiding gegeven de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, rechtens voor onjuist te houden.
De Raad overweegt het volgende.
Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat, hoewel in het dictum van het
bestreden besluit ook de bezwaren tegen besluit 3 ongegrond zijn
verklaard, uit de overwegingen van het bestreden besluit niet blijkt
dat, anders dan over de periode van 1 januari 1998 tot en met 30
september 1998, daarin ook aandacht is geschonken aan de terugvordering
van de onverschuldigd betaalde toeslag over het jaar 1997 in besluit 3.
Nu het bezwaarschrift van 6 december 2001 en het aanvullend
bezwaarschrift van 30 januari 2002 tegen besluit 3 geen bezwaren
inhouden die specifiek op het jaar 1997 betrekking hebben en ter zitting
van de Raad door appellants gemachtigde is verklaard dat niet langer de
hoogte van het bedrag en de onverschuldigdheid van de betaling van het
gehele bedrag in besluit 3 in geschil is, zal de Raad hieraan geen
gevolgen verbinden.
Tevens staat vast dat van de kant van appellant de juistheid van besluit
1 en besluit 2 ook niet langer worden betwist.
De enige grief van appellant die blijft staan is dat ten onrechte de
onverschuldigd betaalde uitkering en toeslag ten bedrage van ƒ
31.493,24 van hem wordt teruggevorderd. Namens appellant is aangevoerd
dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Deze
zijn gelegen in de uitzonderlijkheid van de situatie.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht erop gewezen dat
artikel 64 van de WAZ en artikel 20 van de TW dwingendrechtelijke
bepalingen bevatten. Uitkering en toeslag, die onverschuldigd zijn
betaald, moeten volgens die bepalingen door gedaagde worden
teruggevorderd. De enige uitzondering daarop is gelegen in het aanwezig
zijn van dringende redenen. Als die er zijn kan gedaagde besluiten om
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Wat betreft de gestelde aanwezigheid van dringende redenen als hiervoor
bedoeld, merkt de Raad op dat hij al eerder heeft aangegeven dat zich
dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien voordoen als door de terugvordering onaanvaardbare sociale of
financiële gevolgen voor de betrokkene optreden. Er moet dan wel iets
heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van
de hoofdregel gerechtvaardigd zijn.
Nu appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard dat invordering van
het onverschuldigd betaalde bedrag thans al geruime tijd plaatsvindt
door maandelijkse inhouding van een bedrag op zijn uitkering ingevolge
de Algemene Ouderdomswet en appellant ook nog steeds in zijn onderneming
werkzaam is, kan de Raad niet inzien dat deze terugvordering
onaanvaardbare financiële gevolgen voor appellant zou hebben.
Voorts overweegt de Raad dat de aankondiging van appellant, dat hij zou
kunnen besluiten om met zijn werk als zelfstandige bij doorzetten van de
terugvordering door gedaagde te stoppen waardoor zijn gehandicapte zoon
zijn beschutte arbeidsplaats zou verliezen en op een uitkering zou zijn
aangewezen, geen onaanvaardbare sociale gevolgen als hiervoor bedoeld
oplevert. Het gaat dan immers om gevolgen voor appellants zoon en niet
voor appellant zelf. Bovendien vinden die gevolgen dan in de eerste
plaats hun oorzaak in een door appellant zelf genomen besluit om te
stoppen met zijn onderneming.
Het argument dat appellant in het verleden en ook nu nog de gemeenschap
geld heeft bespaard door zijn gehandicapte zoon in zijn onderneming op
een beschutte werkplek te laten werken is op zichzelf beschouwd juist
maar is geen onaanvaardbaar sociaal gevolg van de terugvordering. Dat
argument dient overigens te worden gerelativeerd bij het licht van het
gegeven dat in het onderhavige geval onbetwist vaststaat dat appellant
zelf in 1997 en 1998 naast uitkering uit zijn onderneming aan winst
aanzienlijk meer heeft ontvangen dan het voor hem geldende
maatmaninkomen.
Dit alles leidt de Raad tot de slotsom dat bij het bestreden besluit
terecht de bezwaren van appellant ongegrond zijn verklaard zodat de
aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|