|
Uitspraak
03/193 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[adres], wonende te [woonplaats], appellant,
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2
december 2002, reg.nr. 02/234 en 02/235 WW K1.
Bij schrijven van 25 februari 2003 zijn de beroepsgronden ingediend en
is medegedeeld dat het hoger beroep voor zover betrekking hebbend op het
besluit van 8 november 2001 inzake het herkrijgen van de status van
werknemer voor 8,5 uur per week wordt ingetrokken.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2005, waar zoals tevoren
aangekondigd, appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.H.H.J. Krijnen,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is aangemerkt als arbeidsgehandicapte. Door gedaagde is het reďntegratiebedrijf
Agens B.V. ingeschakeld ten behoeve van de reďntegratie van appellant.
In dat kader is door Agens een arbeidsintegratieplan opgesteld. Om
appellant een beter toekomstperspectief te geven op de arbeidsmarkt is
door Agens vervolgens een scholingsplan gemaakt en is geadviseerd
appellant de opleiding ICT-medewerker/netwerkbeheerder te laten volgen.
Bij besluit van 8 november 2001 heeft gedaagde appellant toestemming
gegeven tot het volgen van deze opleiding. Daarbij is appellant
medegedeeld dat na ontvangst van het aanvraagformulier van de Reďntegratie-uitkering
(Rea-uitkering) de WW-uitkering van appellant zou worden omgezet in een Rea-uitkering.
Op 9 november 2001 heeft appellant het aanvraagformulier voor de Rea-uitkering
aan gedaagde toegezonden. In dit formulier heeft appellant aangegeven
dat hij al eerder een Rea-uitkering had aangevraagd.
Bij besluit van 18 december 2001 is aan appellant ingaande 16 november
2001 een Rea-uitkering toegekend.
Bij schrijven van 18 december 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen
de ingangsdatum van de Rea-uitkering. In het bezwaarschrift heeft
appellant te kennen gegeven dat de ingangsdatum van de Rea-uitkering
moet zijn 20 augustus 2001, omdat hij op die datum met zijn opleiding is
gestart en hij de eerdere aanvraag om een Rea-uitkering al had gedaan op
27 augustus 2001.
Bij besluit van 17 januari 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard. Dit
besluit berust op het standpunt dat de door appellant op 27 augustus
2001 verzonden aanvraag nooit bij gedaagde is aangekomen. Het risico van
het niet aangetekend verzenden van de aanvraag komt volgens gedaagde
voor rekening van de afzender -dus voor appellant.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 17 januari 2002 bij
uitspraak van 2 december 2002 ongegrond verklaard.
In hoger beroep is aangevoerd dat het de taak van het door gedaagde
ingeschakelde reďntegratiebedrijf Agens was om te zorgen dat alle
omtrent de reďntegratie te volgen procedures goed verlopen en dat Agens
er op had moeten toezien dat tijdig en correct een Rea-uitkering zou
worden aangevraagd. Het is in strijd met de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur om in het onderhavige geval aan het te laat indienen
van de aanvraag het rechtsgevolg te verbinden als bedoeld in art 7, lid
2, sub c, van de Regeling aanvraagtermijnen Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten 2001.
De Raad beantwoordt de vraag of gedaagde terecht de Rea-uitkering heeft
toegekend ingaande 16 november 2001 evenals de rechtbank bevestigend en
stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Nu
appellant het aanvraagformulier dat door hem op 27 augustus 2001 zou
zijn verzonden niet aangetekend heeft verzonden en de verzending van
bedoeld aanvraagformulier ook niet op een andere manier heeft kunnen
aantonen, komt het risico van het niet ontvangen daarvan door gedaagde
volgens vaste jurisprudentie van de Raad, voor rekening van appellant.
De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde met toepassing van het
bepaalde in artikel 7, tweede lid, sub c, van de Regeling aanvraagtermijnen
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 2001 de Rea-uitkering
terecht op 16 november 2001 heeft doen ingaan. Dat appellant niet is
gewezen op het eventuele risico van een niet aangetekende verzending
neemt niet weg dat hij zelf verantwoordelijk is voor de verzending van
zijn aanvraag en dat hij het risico van het niet aankomen van de
betreffende aanvraag niet kan afwentelen op gedaagde.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|