|
Uitspraak
04/2862 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. S.I. Faber, rechtshulpverlener bij de CNV
BedrijvenBond, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Zwolle van 13 april 2004, reg.nr. 03/297 REA.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.I. Faber en
door H. Gosker, coördinator bij de Stichting ROZIJ Werk te Zwolle.
Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten.
Appellant, geboren [in] 1970, is door gedaagde wegens een verstandelijke
handicap een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten (Wajong) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.
Sinds 26 augustus 1996 is appellant op basis van een arbeidsovereenkomst
gedurende 38 uur per week werkzaam bij [werkgeefster], een
metaalverwerkend bedrijf. Hij verricht handmatig productiewerk (zetwerk,
stansen, lassen). De hieraan verbonden inkomsten bedragen 40 % van het
functieloon. In verband hiermee wordt zijn Wajong-uitkering uitbetaald
naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65 %.
Gedaagde heeft appellant sinds 1996 jaarlijks een vergoeding toegekend -
sinds 1998 op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
(Wet Rea) - voor persoonlijke ondersteuning door een jobcoach bij zijn
werk bij [werkgeefster].
Namens appellant heeft ROZIJ Werk op 4 juni 2002 bij gedaagde een
vervolgaanvraag ingediend met betrekking tot de periode van 26 augustus
2002 tot 26 augustus 2003. Verzocht is om vergoeding van 14,56 uur
persoonlijke ondersteuning per kwartaal (ongeveer 1 uur per week). De
aanvraag is ondersteund door een rapportage en een handelingsplan.
Op 5 september 2002 heeft van de zijde van gedaagde een arbeidskundige
beoordeling van deze aanvraag plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige heeft
geadviseerd de aanvraag van appellant af te wijzen omdat persoonlijke
ondersteuning door de jobcoach niet langer noodzakelijk wordt geacht. In
verband met de late beoordeling is voorts geadviseerd het eerste
kwartaal van 26 augustus 2002 tot 26 november 2002 wel uit te betalen.
Overeenkomstig dit advies heeft gedaagde bij besluit van 31 oktober 2002
appellant op grond van de Wet Rea over de periode van 26 augustus 2002
tot 26 november 2002 vergoeding van de kosten van de jobcoach toegekend
voor maximaal 14,56 uur per kwartaal en heeft gedaagde voor de
resterende periode geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor
vergoeding van de kosten van persoonlijke ondersteuning door een
jobcoach.
Bij besluit van 29 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 31 oktober 2002 - overeenkomstig het advies van de
bezwaararbeidsdeskundige van 22 januari 2003 - ongegrond verklaard. Aan
het besluit van 29 januari 2003 ligt het standpunt ten grondslag dat er
inmiddels sprake is van een stabiele situatie, waarbij alertheid wel
geboden blijft. Die alertheid en wat daarvoor nodig is kan door de
werkgever en/of door andere begeleidende instanties in de omgeving van
appellant, zoals woonbegeleiding, een SPD, het maatschappelijk werk, de
huisarts en de ouders, worden overgenomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het besluit
van 29 januari 2003 vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit op
bezwaar te nemen en gedaagde veroordeeld tot betaling van de wettelijke
rente.
De rechtbank acht de afwijzing van de vergoeding van de kosten van de
jobcoach op termijn niet onrechtmatig, maar naar het oordeel van de
rechtbank is het moment van beëindiging te abrupt geweest en had
gedaagde een uitlooptermijn in acht moeten nemen.
In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - het volgende
aangevoerd.
- Uit het wettelijk kader blijkt dat de reïntegratievoorziening
persoonlijke ondersteuning qua tijdsduur onbeperkt kan zijn. Van
verstrekking kan slechts worden afgezien indien deze niet meer nodig is.
In het geval van appellant is begeleiding door een jobcoach
noodzakelijk. Weliswaar is er in het jaar voorafgaand aan de periode
waarop de aanvraag betrekking heeft, sprake geweest van een stabiele
situatie, maar dat is dankzij de inzet van de jobcoach. Appellant heeft
moeite te functioneren in een maatschappelijke context. Verbaal kan hij
zich goed uitdrukken, maar zijn inhoudelijk begrip is beperkt.
Veranderingen brengen hem snel in verwarring. Dat leidt ertoe dat
appellant bij het verrichten van zijn werk regelmatig bijgestuurd moet
worden om te voorkomen dat in zijn werkomgeving irritaties zich gaan
opstapelen.
- Het besluit van 29 januari 2003 is onvoldoende gemotiveerd. In dit
besluit wordt verwezen naar de twee eerder genoemde arbeidskundige
rapportages, maar daarin wordt op geen enkele manier gemotiveerd waarom
appellant geen persoonlijke ondersteuning nodig zou hebben. Beide
arbeidsdeskundigen baseren hun standpunt op de vervolgrapportage en het
behandelingsplan van ROZIJ Werk van 4 juni 2002, maar daarin staat juist
aangegeven dat wat betreft werkzaamheden, werkhouding en werkvoorwaarden
begeleiding nodig blijft of verandering nodig is. Uit de aanvraag van
ROZIJ Werk kan niet de conclusie worden getrokken dat de begeleiding kan
worden overgenomen door de werkgever en door andere begeleidende
instanties in de omgeving van appellant.
- Door zonder overleg met appellant, ROZIJ Werk en de werkgever de
gevraagde voorziening te weigeren heeft gedaagde gehandeld in strijd met
het zorgvuldigheidsbeginsel.
Gedaagde handhaaft zijn eerder ingenomen standpunt. Hij acht begeleiding
door een jobcoach voor appellant niet meer noodzakelijk, omdat er sprake
is van een stabiele werksituatie en de benodigde gerelateerde
begeleiding gegeven kan worden door de werkgever en zonodig andere
personen en instellingen in de omgeving van appellant. ROZIJ Werk claimt
bovendien uren voor activiteiten die niet behoren tot de taak van een
jobcoach, zoals preventieve werkzaamheden en het verrichten van financiële
en administratieve werkzaamheden ten behoeve van appellant of diens
werkgever op het gebied van loon, uitkering en loondispensatie.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, van de Wet Rea kan het Uwv
aan de arbeidsgehandicapte die arbeid in dienstbetrekking verricht op
aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of
bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. Onder die
voorzieningen wordt onder meer verstaan noodzakelijke persoonlijke
ondersteuning van de werknemer bij het verrichten van de hem opgedragen
taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor specifiek met
de handicap van de werknemer samenhangende beperkingen.
Artikel 11 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea (Besluit)
bepaalt onder meer dat deze voorziening slechts wordt toegekend indien
de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel trainings- of
inwerkprogramma op de werkplek en een systematische begeleiding van de
arbeidsgehandicapte werknemer gericht op het behouden van de
arbeidsplaats, en indien de arbeidsgehandicapte werknemer zonder een
systematische begeleiding niet in staat zou zijn de hem opgedragen
werkzaamheden te verrichten. De voorziening kan in het eerste, tweede,
derde en de daarop volgende jaren worden toegekend voor een aantal uren
dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5 % en 6 % van het aantal
door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar.
Uit dit wettelijk kader volgt dat het aantal jaren waarin vergoeding
voor persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend, niet is
gelimiteerd. Dit betekent dat voor beoordeling van de aanvraag van
appellant om voortzetting van vergoeding van de kosten van persoonlijke
ondersteuning van belang is of begeleiding door een jobcoach nog
noodzakelijk is in de zin van artikel 31 Wet Rea en artikel 11 van het
Besluit. Hierover verschillen partijen van mening.
De arbeidsdeskundige rapportages die aan het standpunt van gedaagde ten
grondslag liggen, zijn gebaseerd op de aanvraag van 4 juni 2002 van
ROZIJ Werk. Deze aanvraag bestaat uit een verslag over de periode van 23
juli 2001 tot 3 juni 2002, een gespecificeerd urenoverzicht en een
handelingsplan met afspraken, alsmede een aantal matrices waarin ten
aanzien van de door appellant te verrichten werkzaamheden, zijn
werkhouding en de werkvoorwaarden is aangegeven of de situatie
geconsolideerd wordt, begeleiding nodig is of verandering tot stand
gebracht moet worden. In genoemde matrices is bij alle aspecten
aangegeven dat hetzij begeleiding, hetzij verandering noodzakelijk is.
Deze activiteiten van de jobcoach zijn verwerkt in het urenoverzicht. In
de arbeidskundige rapportages heeft de Raad geen motivering aangetroffen
waarom deze door de jobcoach als noodzakelijk aangegeven werkzaamheden
in de periode in geding en in afwijking van voorgaande jaren niet meer
noodzakelijk zouden zijn. Enkel de constatering dat de
werkomstandigheden de laatste twee jaar niet of nauwelijks zijn
gewijzigd en dat er in die zin sprake is van een stabiele situatie,
rechtvaardigt niet de conclusie dat de werkgerelateerde begeleiding
voortaan door de werkgever (en/of anderen) kan worden geboden. Dit klemt
temeer, nu er bij de voorbereiding van het besluit op bezwaar en het
daaraan voorafgaande besluit van 31 oktober 2002 geen enkel contact is
geweest met de werkgever van appellant, terwijl tijdens de hoorzitting,
die in het kader van het gemaakte bezwaar heeft plaatsgevonden, van de
zijde van appellant bovendien is aangegeven, dat zijn werkgever niet
weet hoe te handelen wanneer de persoonlijke ondersteuning weg zal
vallen. Dit wordt ondersteund door het feit dat de werkgever, naast
ROZIJ Werk en de ouders van appellant, heeft bijgedragen aan de kosten
van de jobcoach in de periode waarin het hoger beroep aanhangig is. Van
gedaagde mag verwacht worden dat over het eventueel stoppen van de
begeleiding of het verminderen van het aantal uren overleg plaats vindt
met de werkgever en de jobcoach om te onderzoeken of en in welke mate de
werkgever de noodzakelijke begeleiding, mede gelet op de situatie bij
die werkgever, redelijkerwijs kan bieden en wat de gevolgen zullen zijn
van de beëindiging of vermindering van de begeleiding voor het behoud
van de arbeidsplaats. Gedaagde heeft dit - ten onrechte - nagelaten.
Mede bezien tegen de achtergrond van de met de invoering van de Wet Rea
beoogde stimulering van de integratie van arbeidsgehandicapten in de
vrije arbeidsmarkt concludeert de Raad op grond van het voorgaande dat
gedaagde het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid
en gemotiveerd, zodat dit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking
komt. De Raad voegt hier aan toe dat de in het arbeidskundig rapport van
5 september 2002 doorklinkende visie dat de begeleiding beperkt is tot
het opsporen en verhelpen van storingen in de arbeidssituatie bij
calamiteiten of crisis niet juist is. Ook de door H. Gosker ter zitting
genoemde regelmatige bijsturing van appellant om te voorkomen dat zich
in zijn werkomgeving irritaties gaan opstapelen die uiteindelijk tot
verstoring van de arbeidsrelatie kunnen leiden, behoort tot de
werkzaamheden in het kader van persoonlijke begeleiding in de zin van
artikel 31 van de Wet Rea.
Voor zover de afwijzing van het gevraagde door gedaagde mede berust op
het standpunt dat vergoeding van werkzaamheden wordt gevraagd die niet
tot de taak van een jobcoach behoren, is de Raad van oordeel dat dit
argument onvoldoende feitelijk is onderbouwd. Gedaagde heeft - ook nadat
zijn gemachtigde daartoe ter zitting in de gelegenheid is gesteld - niet
aangegeven welke uren in verband daarmee ten onrechte in de aanvraag
zijn opgenomen. Ook op dit punt is het bestreden besluit onvoldoende
gemotiveerd.
De slotsom is dat het beroep van appellant slaagt en dat de rechtbank
het besluit van 29 januari 2003 terecht, zij het op een enigszins andere
grond, heeft vernietigd.
De Raad ziet aanleiding om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb
te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat gedaagde een
nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in
de uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellant in
hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het gestorte recht van € 102,--
vergoedt.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|