|
Uitspraak
03/876 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage van 18 december 2002, reg.nr. AWB 02/101 REA.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2005, waar
appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij appellant, en waar gedaagde en zijn
gemachtigde, mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Utrecht, - na
voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende in dit geding
van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft bij aanvraag van 27 maart 2001 verzocht om een
aanvullende vergoeding voor de kosten van digitale gehoorapparaten.
Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat een deel van de kosten van deze
apparaten wordt vergoed door zijn ziektekostenverzekeraar.
Bij besluit van 17 september 2001 heeft appellant de aanvraag van 27
maart 2001 afgewezen, omdat appellant zich niet bevoegd acht tot het
vergoeden van de kosten die ingevolge de ziektekostenverzekering ten
laste van appellant blijven.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het besluit
op bezwaar van 26 november 2001 (het bestreden besluit) ongegrond
verklaard. Hieraan ligt, onder verwijzing naar de artikelen 2, 10, 31 en
39 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea)
en de artikelen 2 en 6 tot en met 14 van het Reďntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea (Stb. 1998, 293, hierna: Rea-besluit), het standpunt ten
grondslag dat een hulpmiddel dat uitsluitend voor het werk noodzakelijk
is in beginsel op grond van de Wet Rea wordt vergoed en dat een
hulpmiddel dat (mede) voor gebruik in de privé-situaties nodig is,
veelal vergoed dan wel verstrekt wordt door de ziektekostenverzekeraar.
Gelet op dat onderscheid wordt de door gedaagde gevraagde vergoeding van
gehoorapparatuur - die gedaagde zowel voor het werk als voor thuis nodig
heeft - niet vergoed op grond van de Wet Rea.
Bij de aangevallen uitspraak is - met een bepaling omtrent het
griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard,
dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op
bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is
overwogen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant in het bestreden
besluit ontoereikend heeft gemotiveerd waarom orthopedische schoenen wel
worden vergoed en hoortoestellen niet, hetgeen in strijd is met het
gelijkheidsbeginsel.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of appellant op goede gronden in het kader
van de Wet Rea heeft geweigerd een deel van de kosten van
gehoorapparaten van gedaagde te vergoeden.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet Rea kan gedaagde aan de
arbeidsgehandicapte die arbeid in dienstbetrekking verricht op aanvraag
voorzieningen toekennen die strekken tot behoud of herstel van de
arbeidsgeschiktheid of die de arbeidsgeschiktheid kunnen bevorderen. In
het tweede lid van artikel 31 Wet Rea is bepaald dat onder voorzieningen
als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden verstaan:
a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de arbeidsgehandicapte
werknemer zijn werkplek kan bereiken;
b. noodzakelijke persoonlijke ondersteuning van de werknemer (...);
c. communicatievoorzieningen voor doven.
In artikel 12 van het Rea-besluit - waarin nadere regels zijn gesteld
met betrekking tot artikel 31 van de Wet Rea - is onder meer bepaald dat
onder een communicatievoorziening voor doven als bedoeld in artikel 31,
tweede lid, onderdeel c, van de Wet Rea uitsluitend wordt verstaan een
dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker die door
appellant is erkend.
Vergoeding van de kosten van gehoorapparaten kan, mede gelet op het
bepaalde in het Rea-besluit, niet worden aangemerkt als een van de
voorzieningen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wet Rea. Dit
heeft tot gevolg dat appellant niet bevoegd is op grond van artikel 31
van de Wet Rea de gevraagde vergoeding van gehoorapparaten aan gedaagde
toe te kennen. Nu ook de overige bepalingen van de Wet Rea daartoe geen
grondslag bieden, heeft appellant terecht geweigerd het verzoek van
gedaagde te honoreren.
Aangezien gedaagde bij het bestreden besluit miskend heeft niet bevoegd
te zijn en zijn afwijzing heeft gebaseerd op een onjuiste motivering, is
het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in
aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kunnen evenwel de
rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Naar in het voorgaande
tevens ligt besloten komt de aangevallen uitspraak - behoudens de
bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - voor vernietiging in
aanmerking.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde
in hoger beroep, begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de bepalingen omtrent
proceskosten en griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 26 november 2001;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag
groot € 322,--.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|