|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3769 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [appellant], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij het beroepschrift (met bijlagen)
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank 's-Gravenhage van 26 juni 2003, reg.nr. AWB 02/2291 WAO.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant
niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de ten tijde in geding toepasselijke
regelgeving verwijst de Raad, gelet op de inhoud van de gedingstukken,
naar de aangevallen uitspraak.
Bij in bezwaar genomen besluit van 7 mei 2002 (het bestreden besluit)
heeft gedaagde vastgehouden aan zijn standpunt dat appellant ingevolge
de van toepassing zijnde regelgeving gedurende (maximaal) 4 jaar recht
heeft op loonsuppletie, op basis van de bedragen vermeld in een eerder
jegens appellant in bezwaar genomen besluit van 28 juni 2001. Tegen dit
laatste besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Zij is op grond van de aanwezige gegevens tot de slotsom
gekomen dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde (hoogte en duur
van de) suppletie is vastgesteld overeenkomstig de van toepassing zijnde
regelgeving. Daarbij heeft de rechtbank de stelling van appellant dat
hem van de zijde van gedaagde door een arbeidsdeskundige (met name wat
de duur van de suppletie betreft) een royalere toezegging was gedaan,
verworpen wegens gebrek aan bewijs.
In hoger beroep heeft appellant de door hem in eerste aanleg aangevoerde
grieven herhaald. Ter adstructie van zijn beroep op het
vertrouwensbeginsel heeft appellant een - door hem aan de betrokken
arbeidsdeskundige toegeschreven, niet ondertekende - telefoonnotitie
overgelegd waarin staat dat appellant in verband met de financiële
achteruitgang in zijn nieuwe baan “is gewezen op aanvraag
loonsuppletie”.
Gelet op alle thans in hoger beroep ter beschikking staande gegevens is
de Raad, evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak met de
strekking waarvan de Raad zich verenigt, tot het oordeel gekomen dat
gedaagde bij het bestreden besluit de (omvang van de) uit de
toepasselijke regelgeving voortvloeiende aanspraak van appellant op
loonsuppletie niet heeft miskend. Terecht heeft de rechtbank
appellants beroep op van de zijde van gedaagde gewekte verwachtingen
afgewezen, aangezien uit de gedingstukken niet blijkt van enige -
duidelijke en onvoorwaardelijke - uitlating op grond waarvan gedaagde
zou zijn gehouden om aan de toepasselijke algemeen verbindende
voorschriften voorbij te gaan. Naar in het voorgaande mede ligt besloten
heeft de door appellant overgelegde - summiere en voor meer dan een
uitleg vatbare - telefoonnotitie in dit geding niet de betekenis die hij
daaraan gehecht wil zien.
Hetgeen overigens door appellant is aangevoerd bevat geen
aanknopingspunt voor een andere slotsom dan dat de aangevallen uitspraak
dient te worden bevestigd. Er is, ten slotte, geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20
juli 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|