|
Uitspraak
03/170 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4
december 2002, reg.nr. 00/2291.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 juni 2005, waar
voor appellante is verschenen mr. Voets en waar namens gedaagde is
verschenen W.F.K. ter Hennepe, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad, gelet op de inhoud van de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Bij het bestreden besluit van 21 november 2000 heeft gedaagde het
bezwaar van appellante tegen gedaagdes weigering om haar in aanmerking
te brengen voor vergoeding van de kosten van de opleiding
maatschappelijk werk ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten
grondslag dat bij arbeidskundig onderzoek, daaronder begrepen
raadpleging van het Functie Informatie Systeem (FIS), is geconcludeerd
dat appellante na afronding van haar studie niet geschikt zal zijn voor
de functie van maatschappelijk werker in de gangbare zin. Ook indien
deze functie optimaal aan appellante wordt aangepast blijven er, naar de
mening van gedaagde, toch grote twijfels aan uitoefening ervan in een
voldoende tempo en met voldoende continuďteit. De aangevraagde
voorziening zal volgens gedaagde niet leiden tot behoud of herstel van
de arbeidsgeschiktheid en zal evenmin de arbeidsgeschiktheid
bevorderen.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 4 december 2002 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft
daartoe onder meer het volgende overwogen:
“De bezwaararbeidsdeskundige concludeert in zijn rapport, waarbij
informatie is verwerkt die eiseres en haar studiementor van de
Hogeschool te Driebergen hebben verstrekt en waaruit blijkt dat het FIS
is geraadpleegd, dat het arbeidsmarktperspectief onvoldoende aanwezig
is. Ter zitting is namens verweerder nog aangevoerd dat verweerder ook
geen valse hoop bij mensen kan en mag wekken, welk standpunt de
rechtbank onderschrijft. Eiseres heeft tegen de conclusie van verweerder
ingebracht een rapport van K. van der Kraan van 14 december 2000.
Gebleken is dat deze rapportage is opgemaakt in het kader van een
begeleidingstraject door Gelderrijn dat op verzoek van eiseres is
gestart. De rechtbank hecht aan dit rapport echter niet het belang dat
eiseres daaraan gehecht wil zien. Nog afgezien van het feit dat genoemd
rapport dateert van na het bestreden besluit, moet worden vastgesteld
dat het betrekking heeft op de concrete stageplaats bij de SPD-Veluwe,
waarvan inmiddels is gebleken dat deze stage na korte tijd is
afgebroken. (...)
De rechtbank komt tot de slotsom dat eiseres er niet in is geslaagd
aannemelijk te maken dat de door haar gevolgde opleiding maatschappelijk
werk met een redelijke mate van zekerheid uitzicht biedt op loonvormende
arbeid. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid de gevraagde
voorziening kunnen weigeren.”
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Zij is van mening dat de opstelling van gedaagde niet
consistent is, omdat wel geďnvesteerd wordt in het vinden van een
passende stage/arbeidsplaats en tegelijkertijd een opleidingsvoorziening wordt geweigerd omdat er geen
arbeidsmarktperspectief zou zijn. Voorts is appellante van mening dat
zij na afronding van haar studie wel degelijk voldoende
arbeidsmarktperspectief zal hebben.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge het eerste lid in samenhang met het tweede lid, aanhef en
onder a, van artikel 22 van de Wet Rea is gedaagde bevoegd om - kort
gezegd - aan een arbeidsgehandicapte voorzieningen met betrekking tot
scholing toe te kennen, onder meer ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid.
Gedaagde is bij de beantwoording van de in verband met appellantes
aanvraag van 27 juli 1998 aan de orde zijnde vraag, te weten of met een
redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat met de door
appellante beoogde studie een adequate compensatie kan worden verkregen
voor het door haar handicap veroorzaakte verlies aan verdienvermogen,
afgegaan op het onderzoek van de arbeidsdeskundige waarbij beoordeeld is
of appellante na het volbrengen van haar studie in staat zal zijn om de
functie van maatschappelijk werkster te verrichten. Bij deze beoordeling
is gebruik gemaakt van beschrijvingen van de functie van maatschappelijk
werkster, zoals deze in het FIS voorhanden zijn. Op basis van deze
beoordeling is het standpunt ingenomen dat de opleiding maatschappelijk
werk en dienstverlening appellante onvoldoende arbeidsmarktperspectief
biedt, aangezien zij vanwege haar lichamelijk beperkingen niet in staat
wordt geacht een dergelijke functie te verrichten.
De Raad is van oordeel dat het arbeidskundig onderzoek, dat vooral is
gebaseerd op een beoordeling aan de hand van in het FIS opgenomen
functies, in het onderhavige geval te beperkt is geweest. Mede gelet op
de overige aanwezige gegevens had het op de weg van de arbeidsdeskundige
gelegen om te onderzoeken of er voor appellante (concrete) mogelijkheden
aanwezig waren om in een aangepaste functie te functioneren. Het
standpunt van de arbeidsdeskundige dat het niet waarschijnlijk is dat
appellante op termijn zal kunnen functioneren als maatschappelijk werker
in een sterk aangepaste vorm wordt, naar het oordeel van de Raad, niet
met objectieve gegevens onderbouwd.
Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde bij het onderzoek naar
appellantes arbeidsmarktperspectief, naast de beoordeling van de functie
maatschappelijk werker tevens had moeten onderzoeken of appellante,
gelet op de in geding zijnde opleiding en haar overige bekwaamheden en
vaardigheden, in staat zou zijn om daarvoor geëigende andere functies
te vervullen. Het komt de Raad - alles in aanmerking genomen - niet
onwaarschijnlijk voor dat appellante, ondanks haar lichamelijke
beperkingen, in staat moet worden geacht om dienstverlenende functies te
verrichten waarbij de brede opleiding maatschappelijk werk en
dienstverlening een positieve kwalificatie is.
De Raad vindt hiervoor steun in het rapport van
registerarbeidsdeskundige K. van der Kraan van 14 december 2000, dat in
opdracht van gedaagde is opgesteld. Uit dit rapport valt af te leiden
dat het niet ondenkbaar is dat appellante bij dienstverlenende
instellingen werkzaam zou kunnen zijn. Voorts blijkt uit de
voortgangsrapportages van GelderRijn B.V. dat appellantes kansen op de
arbeidsmarkt als matig, maar niet als slecht worden aangemerkt.
Mede bezien tegen de achtergrond van de met de invoering van de Wet Rea beoogde krachtige stimulering van de integratie van arbeidsgehandicapten
in de vrije arbeidsmarkt (zie - onder meer - de uitspraak van de Raad
van 18 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/48) kan - gelet op het
vorenoverwogene - niet gezegd worden dat gedaagde in voldoende mate de
voor het nemen van het thans bestreden besluit benodigde kennis omtrent
de relevante feiten en omstandigheden heeft vergaard.
Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd
met het zorgvuldigheidsbeginsel respectievelijk het beginsel dat een
besluit moet berusten op een deugdelijke motivering, welke beginselen
zijn verankerd in artikel 3:2 respectievelijk artikel 7:12 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is derhalve aangewezen dat
gedaagde zich met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen nader beraadt omtrent de vraag of, en zo ja, in hoeverre, aan
het verzoek van appellante tegemoet dient te worden gekomen. Hierbij
dient gedaagde ook het initiatief van appellante om te komen tot een
eigen onderneming te betrekken.
De Raad ziet aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te
veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep. Andere voor vergoeding op grond van die
bepaling vatbare kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook
niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van €
109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. `t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) M. Pijper.
|
|