|
Uitspraak
03/3442 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], h/o de naam [naam bedrijf], wonende te [woonplaats],
appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Vanwege appellant is op de daartoe bij het beroepschrift aangevoerde
grond hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen
van 6 juni 2003, reg.nr. 02/994 REA.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant
niet is verschenen en waar gedaagde zich, zoals aangekondigd, niet heeft
laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de feiten en de ten tijde in geding toepasselijke
regelgeving verwijst de Raad, gelet op de inhoud van de gedingstukken,
naar pagina 1 en 2 van de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft bij het in de aangevallen uitspraak weergegeven in
bezwaar genomen besluit (het bestreden besluit) vastgehouden aan zijn
met toepassing van de artikelen 21, 20, eerste en tweede lid, en 17,
derde lid, van de Wet Rea (zoals die toen luidde) genomen besluiten van
21 november 2000 en 30 oktober 2001. Die besluiten houden in herziening
c.q. intrekking van het eerder aan appellant toegekende plaatsingsbudget
en - in verband daarmee - terugvordering van wat onverschuldigd aan hem
bleek te zijn betaald, in totaal f 5.931,--. Aanleiding daartoe was dat
oorspronkelijk aan appellant een budget was toegekend op basis van een
door hem met een arbeidsgehandicapte werknemer aangegaan voltijds
dienstverband van minimaal een jaar, hetgeen achteraf bleek een
deeltijdbetrekking te zijn die minder dan een jaar heeft geduurd, zodat
slechts aanspraak bestond op een aan de gebleken omvang en duur van die
betrekking evenredig gedeelte van het toegekende budget. De rechtbank
heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Daartoe heeft zij op basis van de door haar vastgestelde feiten
geoordeeld dat gedaagde bij de besluiten van 21 november 2000 en 30
oktober 2001 de ten tijde in geding geldende bepalingen juist heeft
toegepast. De slotsom van de rechtbank luidt dat gedaagde terecht en op
goede gronden het oorspronkelijk toegekende plaatsingsbudget heeft
herzien c.q. ingetrokken en het bedrag, dat onverschuldigd is betaald,
heeft vastgesteld op f 5.931,-- en teruggevorderd.
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op de gedingstukken is de Raad, evenals de rechtbank in de
aangevallen uitspraak met de strekking waarvan de Raad zich verenigt,
tot het oordeel gekomen dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde
herziening en terugvordering van het aan appellant onverschuldigd
betaalde bedrag van f 5.931,-- rechtmatig is.
De in hoger beroep herhaalde stelling dat appellant part noch deel had
aan de “voortijdige” beëindiging van de dienstbetrekking met zijn
arbeidsgehandicapte werknemer, miskent dat het feit van het tot een
einde zijn gekomen van die betrekking binnen de periode waarvoor het
plaatsingsbudget oorspronkelijk was verstrekt, bepalend is voor de
beoordeling of dat budget tot een te hoog bedrag is toegekend. Overigens
heeft appellant geen grieven aangevoerd die tot een andere slotsom
kunnen leiden dan dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Er is, tenslotte, geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20
juli 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|