|
Uitspraak
04/3230 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. E.R. Bettman, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29
april 2004, reg.nr. 02/5114 REA.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2005, waar
appellante, - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen bij haar
gemachtigden [hoofd personeelszaken], en [bedrijfsleider],
respectievelijk hoofd personeelszaken en bedrijfsleider bij appellante.
Zij zijn bijgestaan door mr. Bettman. Gedaagde, - daartoe ambtshalve
opgeroepen - is verschenen bij zijn gemachtigde G.J. Samsom, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting, naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
[werknemer], werknemer in dienst van appellante, is op 16 mei 2000
wegens overspannenheid uitgevallen als meewerkend voorman bij de
afdeling [afdeling].
Op 17 januari 2001 heeft hij in een andere functie bij appellante het
werk weer hervat gedurende 40 uur per week. De bedrijfsarts heeft hem op
22 januari 2001 hersteld verklaard. S. Moekoet, arts bij het Uwv, heeft
[werknemer] in het kader van het onderzoek naar de mate van
arbeidsongeschiktheid per 22 januari 2001 op medische gronden volledig
arbeidsgeschikt geacht, als gevolg waarvan gedaagde hem geen uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) heeft
toegekend. Tegen deze weigering is geen bezwaar gemaakt.
Appellante heeft op 20 april 2001 bij gedaagde voor de herplaatsing van
[werknemer] een herplaatsingsbudget, als bedoeld in artikel 16 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), aangevraagd.
Bij het primaire besluit van 24 augustus 2001 heeft gedaagde de aanvraag
om een herplaatsingsbudget afgewezen. Bij het besluit op bezwaar van 16
oktober 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het
primaire besluit op basis van rapportages van een
bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ongegrond
verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat [werknemer] ten tijde van de
herplaatsing in het bedrijf van appellante niet als arbeidsgehandicapte
in de zin van artikel 2 van de Wet Rea wordt beschouwd, omdat er geen
sprake meer is van een psychiatrisch ziektebeeld op grond waarvan er
beperkingen ten aanzien van arbeid aan de orde zijn.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
besluit op bezwaar ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de vraag of een werknemer als
arbeidsgehandicapte kan worden beschouwd samen hangt met de vraag of de
werkgever succesvol in een andere functie zijn werkzaamheden heeft
hervat, alsmede met de vraag of de werkgever bij die functiewisseling
zodanige extra inspanningen heeft verricht dat geconcludeerd moet worden
dat de betrokken werknemer als arbeidsgehandicapte moet worden
beschouwd.
[werknemer] is inmiddels - met behoud van zijn oorspronkelijke loon en
arbeidsvoorwaarden - werkzaam als productiemedewerker, maar van een
succesvolle hervatting is volgens appellante geen sprake; hij is labiel,
vertoont depressieve klachten, en heeft als gevolg daarvan veel
begeleiding en aandacht nodig. Appellante heeft de functie van
productiemedewerker speciaal voor [werknemer] gecreëerd. Dat vereiste
een herstructurering van de productieafdeling. Bij de nieuwe functie
behoorde eigenlijk een lagere loonwaarde. Ter zitting is van de zijde
van appellante meegedeeld dat [werknemer] op de hoogte is van de
procedure. Hij acht zichzelf niet arbeidsgehandicapt.
Volgens gedaagde wordt aan de door appellante als relevant geduide
vragen niet toegekomen, omdat er geen sprake is van een ziekte of gebrek
en evenmin van een aanzienlijk risico op ernstige gezondheidsklachten
binnen vijf jaar.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een plaatsingsbudget is ingevolge
artikel 16 van de Wet Rea (zoals dat artikel luidde tot 1 januari 2002),
vereist dat de werknemer, ten behoeve van wie een plaatsingsbudget wordt
aangevraagd, arbeidsgehandicapte is.
[werknemer] heeft geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en
is ook overigens niet van rechtswege aan te merken als
arbeidsgehandicapte.
Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet Rea en het krachtens artikel
2, zesde lid, van de Wet Rea genomen Arbeidsgehandicaptenbesluit
(Besluit van 20 juli 1998, Stb. 1998, 488; hierna te noemen: het
Besluit) wordt tevens onder arbeidsgehandicapte verstaan de persoon ten
aanzien van wie - kort gezegd - is vastgesteld, dat hij in verband met
ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten
van arbeid. Daaronder moet blijkens het Besluit en de toelichting daarop
tevens worden begrepen het bestaan van een aanzienlijk risico op
ernstige gezondheidsklachten binnen vijf jaar, hetgeen met name
betrekking heeft op die aandoeningen, waarvan een ernstige progressie
binnen de termijn van enkele jaren vaststaat.
De eerste vraag die ter beantwoording staat is, of er sprake is van
ziekte of gebreken.
De Raad stelt vast dat de verzekeringsgeneeskundige S.D. Moeloet bij
zijn onderzoek op 9 februari 2001 geen tekenen van psychopathologie bij
[werknemer] heeft waargenomen. Hij spreekt van een “opgeklaarde
surmenage”. De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft tijdens
het spreekuurbezoek op 24 september 2002 evenmin een psychiatrisch
ziektebeeld vastgesteld. Deze arts acht wel beperkingen aanwezig, maar
deze houden volgens haar verband met de karaktereigenschappen van
[werknemer]. De Raad ziet geen aanleiding om deze onderzoeksbevindingen
voor onjuist te houden. In de gedingstukken is geen toereikende steun te
vinden voor de ter zitting door appellante ingenomen stelling dat
[werknemer] ook na zijn herplaatsing in januari 2001 aan een depressief
syndroom is blijven lijden. Hij is immers sinds die datum tot op heden
bij voortduring - zij het met ups en downs - werkzaam geweest als
productiemedewerker. Van het voortduren van een depressie na de
werkhervatting op 22 januari 2001 is evenmin gebleken uit de - ongedateerde - schriftelijke informatie van de bedrijfsarts W.F.J.C.
Koster. Deze arts heeft hem op 17 januari 2001 met ingang van 22 januari
2001 voor 100% arbeidsgeschikt verklaard. Een hersteldverklaring ligt
niet voor de hand indien een betrokkene nog overspannen is of nog aan
een depressie lijdt. De enkele stelling van appellante dat [werknemer]
zich labiel gedraagt en depressieve klachten heeft, is onvoldoende om in
weerwil van de hiervoor genoemde medische gegevens het bestaan van een
psychiatrisch ziektebeeld vast te stellen of aan te nemen. Uit de
voorhanden zijnde gegevens blijkt evenmin dat sprake is van een
aanzienlijk risico op ernstige gezondheidsklachten binnen vijf jaar.
De Raad concludeert dat niet kan worden gezegd dat [werknemer] ten tijde
in geding in verband met ziekte of gebrek een belemmering had bij het
verkrijgen of verrichten van arbeid, zodat hij terecht niet als
arbeidsgehandicapte is aangemerkt. De rechtbank heeft het besluit op
bezwaar, dat is gebaseerd op de vaststelling dat [werknemer] geen
arbeidsgehandicapte is, terecht in stand gelaten.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5
oktober 2005.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|