|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5205 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. W.F. van den Beld, werkzaam bij H&B
Adviesbureau B.V., hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Breda van 4 september 2003, reg.nr. 02/2452 REA.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 24 augustus 2005, waar partijen - gedaagde met bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de feiten en de ten tijde in geding toepasselijke
regelgeving verwijst de Raad, gelet op de inhoud van de gedingstukken,
naar de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft bij het in de aangevallen uitspraak weergegeven in
bezwaar genomen besluit (het bestreden besluit) vastgehouden aan zijn
besluit van 22 augustus 2002. Bij dit besluit heeft gedaagde aan
appellante meegedeeld dat het verzoek om subsidie in de vorm van een
pakket op maat op grond van artikel 18 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) is afgewezen, aangezien het verzoek niet
binnen de termijn van 13 weken na dagtekening van de beschikking van 1
november 2001, waarbij een plaatsingsbudget voor de betreffende
werknemer is toegekend, is aangevraagd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Zij stelt zich, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt
dat de brief van 22 augustus 2001 aangemerkt dient te worden als eerste
aanvraag voor een pakket op maat. Voorts is appellante van mening dat,
door toch de aanvraag om een pakket op maat in behandeling te nemen en
zelfs inhoudelijk te beoordelen, er redelijke verwachtingen bij
appellante zijn gewekt zodat volgens appellante de aanvraag niet meer op
grond van termijnoverschrijding afgewezen mocht worden. Tot slot wordt
gesteld dat de arbeidsdeskundige die appellante heeft geholpen bij het
invullen van het “aanvraagformulier Rea-instrumenten” daarop ten
onrechte heeft aangegeven dat het om een aanvraag voor een
plaatsingsbudget in plaats van een pakket op maat ging.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het door appellante ingenomen standpunt dat de brief van 22 augustus
2001 aangemerkt zou moeten worden als eerste aanvraag voor een pakket op
maat, volgt de Raad niet. Gezien de inhoud en strekking van deze brief
is de Raad van oordeel dat appellante door middel van deze brief
gedaagde wegens tekortschietende begeleiding door de arbeidsdeskundige
van de door appellante in dienst genomen arbeidsgehandicapte werknemer
aansprakelijk heeft willen stellen voor een schadebedrag van ruim f
14.000,--. Uit de brief valt - naar het oordeel van de Raad - op geen
enkele manier af te leiden dat appellante de bedoeling had een pakket op
maat aan te vragen. Gelet hierop is de Raad, met gedaagde en de
rechtbank, van oordeel dat de brief van 8 februari 2002 als eerste
aanvraag dient te worden aangemerkt.
Ingevolge artikel 18, vijfde lid, van de Wet Rea, wordt een pakket op
maat niet verstrekt indien een aanvraag daarvoor wordt ingediend meer
dan 13 weken na verstrekking van een plaatsingsbudget. Uitgaande van het
feit dat het plaatsingsbudget met betrekking tot J.P. Heerlijn bij
besluit van 1 november 2001 is toegekend en het pakket op maat met
betrekking tot deze werknemer van appellante bij brief van 8 augustus
2002 is aangevraagd is de Raad van oordeel dat de aanvraag buiten de
daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend.
De omstandigheid dat de arbeidsdeskundige M. Keeven appellante heeft
geholpen bij het invullen van de aanvraag om een Rea-instrument, in dit
geval een plaatsingssubsidie, kan er niet toe leiden dat gedaagde in
weerwil van de dwingendrechtelijke wettelijke aanvraagtermijn de
aanvraag van appellante (inhoudelijk) in behandeling had moeten nemen.
Appellante blijft zelf verantwoordelijk voor het invullen en het
indienen van de aanvraag. De mogelijkheid van een pakket op maat stond
vermeld op het namens appellante ondertekende aanvraagformulier met
betrekking tot het plaatsingsbudget.
Nu appellante ook overigens geen grieven heeft aangevoerd die tot een
andere slotsom kunnen leiden dan dat de aangevallen uitspraak moet
worden bevestigd, beslist de Raad zoals onder III aangegeven.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.M.T. Berkel-Kikkert in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21
september 2005.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) M. Biever-van Leeuwen.
|
|