|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4392 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Zwolle van 12 augustus 2003, reg.nr. 03/386 REA.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 augustus 2005,
waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen drs. G.A. Tellinga, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de feiten verwijst de Raad, gelet op de inhoud van
de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft bij het in de aangevallen uitspraak weergegeven in
bezwaar genomen besluit (het bestreden besluit) vastgehouden aan zijn
met toepassing van artikel 2, vijfde lid en artikel 22 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (zoals die toen luidde; hierna: Wet Rea)
genomen besluit van 29 november 2002, waarbij het verzoek van appellant
om vervanging van zijn bruikleenauto is afgewezen. Hieraan ligt ten
grondslag dat gedaagde op grond van artikel 2, vijfde lid, van Wet Rea
niet bevoegd is een bruikleenauto te verstrekken.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en heeft daartoe als volgt overwogen:
"Eiser kan in het kader van de Wet Rea aanspraak maken op een
vervoersvoorziening indien hij arbeidsgehandicapte is in de zin van die
wet.
In artikel 2, vijfde lid, van de Wet Rea is bepaald dat een persoon die
werkzaam is in de zin van de Wsw of op een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 7 van de Wsw niet als arbeidsgehandicapte in de zin
van die wet wordt aangemerkt. Kennelijk doel van deze bepaling is dat op
werknemers in de zin van de Wsw uitsluitend het regime van de Wsw van
toepassing is en niet - ook - dat van de Wet Rea en/of de Wet
inschakeling werkzoekenden. Aangezien eiser werkzaam is in een Wsw-dienstverband
kan hij gelet op het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, van de Wet Rea
geen aanspraak maken op een voorziening in het kader van die wet. (...)
De conclusie moet dan ook luiden dat verweerder terecht heeft besloten
eiser niet voor de gevraagde voorziening in aanmerking te brengen."
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat wanneer hij in het reguliere
bedrijfsleven zou werken hij, gelet op zijn lichamelijke beperkingen,
wel als arbeidsgehandicapte zou worden aangemerkt en in aanmerking zou
kunnen komen voor een Rea-voorziening. Nu hij echter in een Wsw
dienstverband werkzaam is wordt hij niet als arbeidsgehandicapte
aangemerkt. Appellant vindt het onbegrijpelijk dat hij, na 23 jaar met
plezier te hebben gewerkt, per 1 september 2005 hiertoe niet meer in
staat wordt gesteld aangezien hij op die dag zijn bruikleenauto bij het
Uwv dient in te leveren.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is, met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen, van
oordeel dat gedaagde terecht bij het bestreden besluit heeft geweigerd
appellant in aanmerking te brengen voor een bruikleenauto. Evenals de
rechtbank heeft de Raad begrip voor de frustratie van appellant over de
in het bestreden besluit gehanteerde afwijzing(sgrond), maar de
uitsluiting van Wsw-werknemers in genoemde bepaling is een
uitdrukkelijke keuze van de wetgever geweest, die de Raad dient te
respecteren. De Raad moet volgens de wet rechtspreken en mag de
innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen. Hieruit
volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad merkt ten overvloede nog op dat het gelet op dit specifieke
geval en het gegeven dat het gaat om een beperkte periode, te weten ruim
2 jaar tot aan appellants pensioengerechtigde leeftijd, het door
gedaagde te overwegen zou zijn om een tijdelijke voortzetting van de
bruikleenovereenkomst met betrekking tot appellants huidige
bruikleenauto te bewerkstelligen.
De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.M.T. Berkel-Kikkert in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5
oktober 2005.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|