|
Uitspraak
04/712 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 7 januari 2004, reg.nr. 03/1368.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 30 november 2005, waar beide partijen - met bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten
verwijst de Raad naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 27 maart 2003 heeft gedaagde appellant bericht dat hij
niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea wordt aangemerkt.
Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit op bezwaar van 3 juni 2003
ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant geen
arbeidsgehandicapte van rechtswege is en dat uit de
medisch-arbeidskundige beoordeling niet is gebleken dat hij in verband
met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt bij het verkrijgen of
verrichten van arbeid. Appellant wordt op grond van rapportages van de
verzekeringsarts en van de arbeidsdeskundige van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in staat geacht arbeid te
verrichten die voor hem passend is en die zijn beperkingen niet te boven
gaat. Gedaagde is uit die rapportages niet gebleken dat er voorzieningen
nodig zijn om die arbeid passend voor appellant te maken en evenmin dat
er sprake is van een achterstand op de arbeidsmarkt.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond
verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant op de datum
van beoordeling door de verzekeringsarts van gedaagde niet meer of
anders medisch beperkt te achten dan gedaagde heeft vastgesteld. Bij
zijn oordeel heeft de rechtbank het orthopedisch expertiserapport van
dr. Ph.J. Edixhoven betrokken. De in het kader van het arbeidskundig
onderzoek besproken voorbeeldfuncties passen volgens de rechtbank bij
het opleidingsniveau van appellant.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij
acht zich aan zowel de rechterschouder als aan de linkerknie meer
beperkt dan door de verzekeringsarts is aangenomen en verwijst daarvoor
naar de bevindingen van dr. Edixhoven. Appellant neemt verder het
standpunt in dat de rechtbank ten onrechte zijn grief dat hij voor
tenminste één van de voorbeeldfuncties te hoog is opgeleid niet van
belang heeft geacht omdat de overige voorbeeldfuncties wel een
MBO-niveau vereisen. Niet is ingegaan op de vraag in hoeverre deze
functies beschikbaar zijn.
Gedaagde volhardt bij het besluit op bezwaar van 3 juni 2003.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het geschil betreft de vraag of gedaagde op goede gronden de aanvraag
van appellant om aangemerkt te worden als arbeidsgehandicapte in de zin
van de Wet Rea heeft afgewezen.
Appellant heeft geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en is
ook overigens niet van rechtswege aan te merken als arbeidsgehandicapte.
Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet Rea en het krachtens artikel
2, zesde lid, van de Wet Rea genomen Arbeidsgehandicaptebesluit
(Besluit van 20 juli 1998, Stb. 1998, 488; hierna te noemen: het
Besluit) wordt tevens onder arbeidsgehandicapte verstaan de persoon ten
aanzien van wie - kort gezegd - is vastgesteld, dat hij in verband met
ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten
van arbeid. De in het Besluit opgenomen bepalingen komen er - kort
gezegd en voor zover van belang - op neer dat gedaagde aan de hand van
adviezen van een verzekeringsdeskundige en een arbeidsdeskundige
vaststelt of een persoon arbeidsgehandicapte is als bedoeld in de Wet Rea.
In het Besluit en het daarop gebaseerde beslisschema is aangegeven aan
welke vragen aandacht moet worden besteed.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de expertise van dr.
Edixhoven niet dwingt tot het aannemen van zwaardere beperkingen voor de
datum in geding dan waarvan gedaagde - in navolging van de adviezen van
de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts - bij het besluit op
bezwaar is uitgegaan.
De arbeidskundige rapportage van 7 oktober 2002 van J. Wierda geeft aan
dat er op de arbeidsmarkt voldoende functies zijn, die aansluiten op
zijn opleiding en waarin zijn belastbaarheid niet wordt overschreden. In
beroep is informatie verschaft waaruit blijkt dat deze functies in
voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkomen.
Uit de op de toepasselijke criteria toegespitste, gedocumenteerde
rapportages van de verzekeringsarts E.M.E. van der Werf-Huysmans, de
arbeidsdeskundige J. Wierda en de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van
Gulick blijkt naar het oordeel van de Raad dat aan het besluit van 3
juni 2003 een medische en arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt
die voldoet aan het bepaalde in en krachtens artikel 2, derde lid, van
de Wet Rea.
Nu de Raad ook overigens niet is gebleken van omstandigheden op grond
waarvan geoordeeld zou moeten worden dat appellant ten gevolge van
ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten
van arbeid, concludeert de Raad dat de rechtbank het beroep terecht
ongegrond heeft verklaard, zodat deze voor bevestiging in aanmerking
komt.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van
S.M.A. School als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari
2006.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) S.M.A. School.
|
|