|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1367 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. L. Gorte, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12
januari 2004, reg.nr. 03/ 132 REA.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Op vezoek van de Raad heeft gedaagde nog nadere stukken overgelegd.
Bij brief van 25 november 2005 heeft mr. S.J.W.C. Lipman, kantoorgenoot
van mr. Gorte voornoemd, zich als gemachtigde van appellant gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 november 2005,
waar appellant -met bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de feiten verwijst de Raad, gelet op de inhoud van
de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft bij het in de aangevallen uitspraak weergegeven in
bezwaar genomen besluit van 10 december 2002 (het bestreden besluit)
vastgehouden aan zijn met toepassing van artikel 31 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (zoals die toen luidde; hierna: Wet Rea)
genomen besluit van 16 september 2002, waarbij appellant in aanmerking
is gebracht voor vergoeding van de kosten van één paar werkschoenen,
onder aftrek van de werkgeversbijdrage. Hieraan ligt - kort samengevat -
ten grondslag het op onderzoek door de arbeidsdeskundige H. Gerrits
gebaseerde standpunt, dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat
appellant naast het in het kader van de Wet Rea bij het primaire besluit
toegekende paar werkschoenen en de twee paar schoenen die appellant in
het kader van de AWBZ vergoed krijgt, aangewezen is op een tweede paar
(in het kader van de Wet Rea toe te kennen) werkschoenen.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen er, mede op basis van
het rapport van de arbeidsdeskundige Gerrits, voldoende van overtuigd te
zijn dat appellant naast de orthopedische schoenen die door de
ziektekostenverzekeraar kunnen worden verstrekt, niet meer dan één
paar orthopedische werkschoenen nodig heeft. Appellant heeft geen
medische of arbeidskundige informatie overgelegd waaruit volgt dat het
door gedaagde ingenomen standpunt voor onjuist moet worden gehouden. Tot
slot overweegt de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel
niet kan slagen aangezien de verstrekking van twee paar orthopedische
werkschoenen in de jaren 2000 en 2001 kan worden verklaard uit het feit
dat appellant in deze jaren werkzaam was bij een andere werkgever waar
zich mede door veelvuldiger gebruik van lijmen een hogere slijtage van
schoenen voordeed.
Appellant heeft zich in hoger beroep - in essentie op dezelfde als de in
eerste aanleg aangevoerde gronden - gekeerd tegen de aangevallen
uitspraak. Appellant stelt dat het bestreden besluit in strijd is met
het motiveringsbeginsel, aangezien de arbeidsdeskundige niet zou hebben
aangegeven op basis van welke gegevens hij tot het standpunt is gekomen
dat appellant bij het bedrijf waar hij werkzaam is met één paar
werkschoenen per jaar toe zou kunnen. Voorts acht appellant het besluit
in strijd met het vertrouwensbeginsel. Tot slot is appellant van mening
dat gedaagde zijn aanspraak op twee paar werkschoenen voor meerdere
jaren zou moeten vaststellen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen van
oordeel, dat gedaagde op goede gronden bij het bestreden besluit heeft
geweigerd appellant in het kader van de Wet Rea in aanmerking te brengen
voor een vergoeding van een tweede paar orthopedische werkschoenen. In
hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden
zijnde gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in andere
zin dan de rechtbank te oordelen.
Voor wat betreft appellants grief omtrent het motiveringsbeginsel merkt
de Raad nog op, dat niet in geschil is dat appellant zijn werk zittend
uitvoert, en dat in zijn huidige werk het werken met lijmen in mindere
mate voorkomt dan bij zijn vorige werkgever. Voorts blijkt naar het
oordeel van de Raad uit de gedingstukken dat de arbeidsdeskundige
Gerrits in zijn rapport van 10 september 2002 is uitgegaan van
ervaringen bij een productiebedrijf met overeenkomstige omstandigheden
waar geen agressieve materialen en vloeistoffen voorkomen die extra
slijtage aan de schoenen veroorzaken.
Ook in hoger beroep heeft appellant zijn standpunt onvoldoende met
medische of arbeidskundige informatie onderbouwd. Aan de in eerste
aanleg door appellant overgelegde verklaring van de huisarts Rooijakkers,
dat appellant vanwege zijn congenitale klompvoeten aangewezen is op twee
paar werkschoenen, hecht de Raad niet de waarde die appellant daaraan
toegekend zou willen zien. De huisarts heeft zijn standpunt niet nader
onderbouwd en uit zijn verklaring blijkt evenmin dat hij op de hoogte is
van de arbeidsomstandigheden waaronder appellant zijn werk verricht.
De Raad deelt het standpunt van appellant niet dat gedaagde, nu
vaststaat dat appellants klompvoeten niet zullen herstellen, om die
reden gehouden zou zijn om hem voor meerdere jaren werkschoenen toe te
kennen. Het staat gedaagde vrij de noodzaak van verstrekking van
werkschoenen per aanvraag te beoordelen. Van een noodzaak van toekenning
voor een langere tijd is de Raad niet gebleken.
Tot slot merkt de Raad nog op dat ter zitting door gedaagde is gesteld
dat appellant, indien de in het kader van de Wet Rea toegekende
werkschoenen zijn versleten, een aanvraag voor een nieuw paar kan
indienen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet
worden bevestigd, zodat de Raad beslist zoals onder III aangegeven.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.M.T. Berkel-Kikkert in tegenwoordigheid van
S.M.A. School als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari
2006.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) S.M.A. School.
|
|