|
Uitspraak
04/487 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
de maatschap [naam maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Haarlem van 11 december 2003, reg.nr. 03/797 REA.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2005, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.M. van Bezu, werkzaam bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde - met
voorafgaand bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Appellant heeft bij het besluit op bezwaar van 26 maart 2003
vastgehouden aan het besluit van 9 oktober 2002, waarbij is geweigerd
gedaagde - in het kader van artikel 17 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) - in aanmerking te brengen voor een
plaatsingsbudget. Aan de weigering ligt ten grondslag dat de in artikel
17 van de Wet Rea neergelegde regeling inzake de toekenning van
(her)plaatsingsbudgetten met ingang van 1 januari 2002 is vervallen en
gedaagde de betrokken werknemer per 1 februari 2002 in dienst heeft
genomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over het
griffierecht en de proceskosten, het beroep van gedaagde tegen het
besluit van 26 maart 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank
het volgende overwogen:
“2.6. De rechtbank acht de tekst van artikel 87b Wet Rea op zichzelf
duidelijk. Het begrip “aangaan” heeft in het normale spraakgebruik
de betekenis “sluiten (van een overeenkomst)”. Noch in de memorie
van toelichting op artikel 87b Wet Rea (Tweede Kamer, 2001-2002, 28016,
nr. 3, blz. 23) noch in de door verweerder [appellant] aangehaalde
kamerstukken ziet de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat
bij de toepassing van artikel 87b Wet Rea van een andere betekenis van
het begrip “aangaan” moet worden uitgegaan dan van de betekenis
daarvan in het normale spraakgebruik.
2.7. Bij het vorengaande neemt de rechtbank in aanmerking dat het begrip
“aangaan” zowel in meerdere soortgelijke bepalingen van de Wet Rea
als in enkele bepalingen van de WAO is opgenomen, waaronder artikel 91a,
eerste lid, WAO, dat bepaalt dat artikel 79b, eerste lid, WAO niet van
toepassing is indien de dienstbetrekking is aangegaan voor 1 januari
2002. De rechtbank gaat ervan uit dat daarbij bedoeld is aan het begrip
“aangaan” telkens dezelfde betekenis te geven, hetgeen pleit tegen
het aannemen van een afwijkende betekenis van dit begrip in uitsluitend
artikel 87b Wet Rea.
2.8. Ten slotte verwijst de rechtbank nog naar de uitspraak van de CRvB
van 26 maart 2003 (USZ 2003/167), waarin door de Raad werd overwogen dat
de term “aangaan” (van een dienstbetrekking) als bedoeld in artikel
77, derde lid, van de Wet Rea ziet op de wilsovereenstemming tussen
partijen en een gelijke strekking heeft als het begrip
“overeenkomen” (arbeid te verrichten).”
Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de zijns inziens
onjuiste uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan het begrip “aangaan
van een dienstbetrekking” in artikel 87b van de Wet Rea.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 87b van de Wet Rea, voor zover hier van belang,
blijven artikel 17 van de Wet Rea en de daarop berustende bepalingen van
toepassing op dienstbetrekkingen die zijn aangegaan tot en met 31
december 2001.
De Raad onderschrijft de door de rechtbank aan artikel 87b van de Wet
Rea gegeven uitleg en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
In hoger beroep heeft appellant zich nog beroepen op de in Stcrt. 2004,
nr. 159, blz. 9 gegeven toelichting op de wijziging van de regeling ter
uitvoering van artikel 79a, derde lid van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Naar de mening van appellant blijkt
daaruit dat onder het begrip “aangaan van het dienstverband” moet
worden begrepen de datum waarop de dienstbetrekking aanvangt. Naar het
oordeel van de Raad biedt deze tekst echter juist een aanknopingspunt
voor de tegengestelde conclusie, nu daarin het begrip “aanvangen van
een dienstbetrekking” wordt gekoppeld aan het moment waarop een
werknemer daadwerkelijk zijn werkzaamheden gaat uitvoeren en voorts
uitdrukkelijk een onderscheid wordt gemaakt met het moment waarop de (arbeids)overeenkomst
wordt gesloten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad zal voorts bepalen dat appellant, met inachtneming van deze
uitspraak, binnen zes weken een nieuw besluit dient te nemen op het
bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 9 oktober 2002.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op
€ 322,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes
weken na de datum van verzending van het afschrift daarvan, een nieuw
besluit neemt op het bezwaar van gedaagde;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de
Mooij en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H.
Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31
januari 2006.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|