|
Uitspraak
04/4627 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 13 juli 2004, reg.nr. 03/1631.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 januari 2006, waar
appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen J.
de Graaf, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv).
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende tussen partijen
niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft gedaagde op 17 november 2000 verzocht om haar met
ingang van 1 september 2000 een vervoersvoorziening toe te kennen in
de vorm van een kilometervergoeding voor woon/werkverkeer. Zij stelt dat
de werkplek met het openbaar vervoer ’s avonds en op zondag slecht
bereikbaar is en dat zij tengevolge van een beperkt gezichtsvermogen
niet in staat is om deze zelfstandig te bereiken. De kilometervergoeding is bedoeld om haar echtgenoot in staat te stellen haar met de
auto te brengen en te halen.
De arbeidsdeskundige R. van Uden heeft over deze aanvraag positief
geadviseerd. Daarvan is aan appellante bij brief van 27 juli 2001
mededeling gedaan. Vervolgens is gebleken dat de aanvraag niet kan
worden toegewezen omdat de hoogte van het (gezins)inkomen daaraan in de
weg staat.
In weerwil daarvan heeft gedaagde aan appellante, omdat bij haar
verwachtingen waren gewekt, bij besluit van 25 januari 2002 met ingang
van 1 september 2000 een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van
een vergoeding van € 0,29 per kilometer voor 2880 kilometer
woon/werkvervoer per jaar. Gedaagde heeft daarbij bepaald dat deze
vergoeding met ingang van 1 juli 2002 wordt beëindigd.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 4 juli 2003
ongegrond verklaard. Tevens is in dat besluit bepaald dat aan appellante
met ingang van 1 juli 2002 een vergoeding wordt toegekend voor
taxikosten woon/werkvervoer tegen overlegging van nota’s en onder
aftrek van het normbedrag voor het gebruik van een eigen auto.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 juli 2003
ongegrond verklaard.
Appellante is gemotiveerd van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Het
hoger beroep richt zich tegen de beëindiging van de kilometervergoeding
met ingang van 1 juli 2002. Appellante beroept zich op eerder gemaakte
afspraken met gedaagde. Taxivervoer is voor haar onpraktisch gezien de
wachttijden. Taxivervoer is voor appellante veel duurder en de eigen
bijdrage die op de kosten van het taxivervoer in mindering wordt
gebracht is disproportioneel gezien het feit dat zij een inkomen heeft
van ongeveer € 1.000,-- per maand. Taxivervoer is voor gedaagde
duurder dan een kilometervergoeding. Zij heeft tot nu toe geen gebruik
gemaakt van taxivervoer, maar zal zich daarop beraden indien haar beroep
ongegrond wordt verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) kan gedaagde aan de arbeidsgehandicapte
die arbeid in dienstbetrekking verricht op aanvraag voorzieningen
toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de
arbeidsgeschiktheid. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van
dit artikel wordt onder voorzieningen onder meer verstaan
vervoersvoorzieningen die ertoe strekken dat de arbeidsgehandicapte zijn
werkplek kan bereiken. Ingevolge het vijfde lid kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Ter
uitvoering hiervan is het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea
(hierna: het Besluit) vastgesteld. In artikel 8, eerste lid, van het
Besluit is bepaald dat geen vervoersvoorziening wordt toegekend indien
het inkomen van de persoon, die de voorziening aanvraagt, meer bedraagt
dan 261 maal 70% van het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste
lid, en 9a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de
inkomensgrens). Ingevolge artikel 8, vierde lid, aanhef en onder c, van
het Besluit kan dit worden uitgewerkt in een ministeriële regeling. Dat
is gebeurd in de Regeling inkomenstoets vervoersvoorzieningen Rea (Stcrt
1998, 161). Artikel 10, aanhef en onder b, van deze regeling, voor zover
hier van belang, geeft regels voor het geval dat de voorziening een
vergoeding voor het gebruik van een taxi om de werkplek te bereiken
betreft. Ingevolge deze regels kan - ook indien het inkomen hoger is dan
de inkomensgrens - een vergoeding worden verstrekt die niet meer
bedraagt dan het verschil tussen de kosten van het gebruik van een taxi
en het door het Uwv vastgestelde normbedrag voor een auto.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het
inkomen van appellante ten tijde van belang hoger was dan de
inkomensgrens. De Raad is, gelet hierop van oordeel, dat de toegekende
kilometervergoeding terecht met ingang van 1 juli 2002 is beëindigd. De Raad is niet gebleken dat vanwege gedaagde
bij appellante aan hem toe te rekenen verwachtingen zijn gewekt dat aan
haar ook na die datum een kilometervergoeding zou worden verstrekt.
De grief van appellante dat een taxivergoeding duurder is dan een
kilometervergoeding en dat haar om die reden een kilometervergoeding
behoort te worden verstrekt treft geen doel, nu de van toepassing zijnde
regelgeving daarvoor geen ruimte biedt.
De grief dat de reiskosten voor woon/werkvervoer die appellante geacht
wordt zelf te kunnen dragen onevenredig zijn in verhouding tot haar
inkomen en dat haar om die reden een kilometervergoeding toekomt, treft
om dezelfde reden evenmin doel.
De omstandigheid dat met terugwerkende kracht een taxivergoeding is
toegekend onder de voorwaarde dat nota’s worden overgelegd, kan het in
het geldende systeem van wet en regelgeving niet meebrengen dat aan
appellante een kilometervergoeding behoort te worden toegekend.
Nu de Raad, voor het overige, moet vaststellen dat de toekenning van de
taxikostenvergoeding als zodanig niet in geschil is tussen partijen,
vloeit uit het vorenstaande voort dat het besluit van 4 juli 2003 in
rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari
2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|