|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/7365
REA
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 november 2005, 05/989
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 28 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft T.G. de Winter, werkzaam als medewerker
sociaaljuridische zaken bij de Stichting Sensire De Drie Beken te
Doetinchem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2006. Appellante is
verschenen, bijgestaan door De Winter. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma, werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante is al geruime tijd werkzaam als [naam functie] bij de
Stichting Kruiswerk Gezinsverzorging en Maatschappelijk Werk. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft bij besluit van 18 mei
2000 aan deze stichting - als aanpassing van de werkplek van appellante
- de kosten van een hoortoestel voor appellante vergoedt. Appellante
heeft de status van arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).
Appellante heeft een op 9 juli 2004 gedateerde aanvraag ingediend om
haar op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet Rea een
vergoeding te verstrekken voor de vervanging van haar hoortoestel. De
kosten van het aangeschafte hoortoestel hebben € 1.410,39 bedragen. Op grond van de voormalige Ziekenfondswet
(hierna: Zfw) is aan appellante een vergoeding van € 546,70 verstrekt.
Bij haar aanvraag is het haar te doen om een aanvullende vergoeding van
€ 863,69.
Bij besluit van 25 augustus 2004 is de aanvraag afgewezen op de grond
dat het Uwv zich niet bevoegd acht tot het aanvullend vergoeden van
kosten die ingevolge de ziektekostenverzekering ten laste van appellante
blijven.
Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit op
bezwaar van 27 mei 2005 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt
het standpunt ten grondslag dat appellante het gehoorapparaat ook in de
thuissituatie gebruikt, zodat er geen sprake is van een voorziening die
uitsluitend nodig is in de werksituatie.
Bij de aangevallen uitspraak is - met bepalingen omtrent proceskosten en
griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard
en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het
Uwv er ten onrechte van is uitgegaan dat vergoeding van het hoortoestel
op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is. De rechtbank
heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de rechtsgevolgen van
het bestreden besluit in stand te laten op de grond dat de kosten van
een gehoorapparaat niet kunnen worden aangemerkt als een van de
voorzieningen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wet Rea.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
Het Uwv heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het tot 1 januari
2002 niet mogelijk was om op grond van artikel 31 van de Wet Rea een
(aanvullende) vergoeding te verstrekken voor gehoortoestellen. Met de
inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 V per 1 januari 2002 is aan
het tweede lid van artikel 31 Wet Rea een nieuw onderdeel d toegevoegd.
Sinds die datum is het wel mogelijk om aan de werknemer een meeneembare
voorziening ten behoeve van de werkplek of een vergoeding voor de kosten
van een dergelijke voorziening te verstrekken.
Het Uwv stelt dat hij zich in casu terecht bevoegd heeft geacht omdat de
aanvraag van appellante voor een hoortoestel is ingediend na 1 januari
2002. Voorts heeft het Uwv naar voren gebracht dat de rechtbank er ten
onrechte van is uitgegaan dat appellante geen aanspraak had op een
vergoeding voor het hoortoestel vanuit haar verplichte
ziekenfondsverzekering. In zoverre is er sprake van een voorliggende
voorziening. Het Uwv heeft ten slotte onder verwijzing naar artikel 2,
tweede lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea (hierna
Rea-besluit) aangegeven dat in het geval van appellante geen sprake is
van een hoortoestel dat vrijwel uitsluitend is geïndiceerd voor de
werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in
de werksituatie, zodat aan de Wet REA geen aanspraak kan worden
ontleend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet Rea, zoals dit met ingang
van 1 januari 2002 is komen te luiden, kan het Uwv aan de
arbeidsgehandicapte die arbeid in dienstbetrekking verricht op aanvraag
voorzieningen toekennen die strekken tot behoud of herstel van de
arbeidsgeschiktheid of die de arbeidsgeschiktheid kunnen bevorderen. In
het tweede lid van artikel 31 van de Wet Rea, zoals dat artikel toen
luidde, is bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid
uitsluitend worden verstaan: (...)
“d. meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de
arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, en de bij de arbeid te
gebruiken hulpmiddelen die in overwegende mate op het individu van de
werknemer zijn afgestemd.”
Artikel 31, vijfde lid, van de Wet Rea bepaalt dat bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur met betrekking tot dit artikel nadere
regels worden gesteld.
Aan artikel 31, vijfde lid, van de Wet Rea is uitvoering gegeven door
vaststelling van het Rea-besluit.
Artikel 2 van het Rea-besluit is met ingang van 1 januari 2002 als volgt
komen te luiden:
“1. Een (...) voorziening als bedoeld in artikel (...) 31 van de Wet
wordt niet verstrekt indien kosten zijn gemaakt ten behoeve van
voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of waarvoor vergoeding op
grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.
2. In afwijking van het eerste lid kan (...) een voorziening als bedoeld
in artikel (...) 31 van de Wet, wel verstrekt worden indien deze dient ter vergoeding van
kosten of voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn en niet op
grond van een andere wettelijke regeling worden vergoed of verstrekt en
vrijwel uitsluitend zijn geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel
vrijwel uitsluitend kunnen worden gebruikt voor of in de
werksituatie.”
De nota van toelichting bij dit artikel vermeldt het volgende:
“Uitgangspunt is dat voorzieningen die vanuit andere beleidsterreinen
verstrekt kunnen worden, ten laste behoren te komen van die andere
terreinen, ook als dat mede leidt tot behoud, herstel of bevordering van
de arbeidsgeschiktheid of de mogelijkheid tot inschakeling in arbeid.
Voorkomen moet immers worden dat therapieën, geneeskundige
behandelingen en genees- en heelkundige hulpmiddelen voor rekening komen
van het Reïntegratiefonds, omdat bevordering van de gezondheid nu
eenmaal ook goed is voor de arbeidsgeschiktheid en in schakeling in de
arbeid. Het eerste lid beoogd derhalve te regelen dat verstrekkingen die
bijvoorbeeld vanuit de Ziekenfondswet, Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en standaardpakketpolis kunnen worden verstrekt, op grond
van dit besluit kunnen worden geweigerd. Het tweede lid maakt een
uitzondering op het eerste lid in die zin, dat als een voorziening
vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie, vergoeding op
grond van de Wet Rea wel aangewezen kan zijn. Concrete voorbeelden zijn
orthopedische werkvoorzieningen, of speciale gehoorapparatuur.
Dergelijke voorzieningen zijn in een werksituatie niet algemeen
gebruikelijk en komen niet op grond van een andere wettelijke regeling
voor vergoeding in aanmerking.”
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de ten tijde hier in geding
toepasselijke Zfw hebben verzekerden aanspraak op verstrekkingen ter
voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor zover met betrekking
tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Zfw kan bij
algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat aanspraak bestaat op
andere vormen van zorg dan de zorg, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
van de Zfw. Artikel 8, derde lid, van de Zfw bepaalt dat de inhoud en
omvang van de aanspraken bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kan worden geregeld.
Aan artikel 8, derde lid, van de Zfw is uitvoering gegeven door
vaststelling van het Verstrekkingenbesluit.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het ten tijde hier in geding
toepasselijke Verstrekkingenbesluit omvat de aanspraak op hulpmiddelen
die middelen welke in de Regeling hulpmiddelen 1996 (hierna: Regeling)
als zodanig zijn aangewezen.
Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit (zoals
dat luidt vanaf 1 juli 2001) kan de aanspraak op een verstrekking
slechts tot gelding worden gebracht voorzover de verzekerde gelet op
zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening
redelijkerwijs daarop naar aard, inhoud en omvang is aangewezen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling
omvat de aanspraak op hulpmiddelen de verschaffing van een te allen
tijde adequaat functionerend hulpmiddel, bestaande uit gehoormiddelen
als aangegeven in artikel 13.
Artikel 13 van de Regeling luidde ten tijde in geding:
“1. De in artikel 2, eerste lid, onder g, bedoelde middelen zijn:
a. electroakoestische hoortoestellen voor persoonlijk gebruik, in
gewone dan wel bijzondere uitvoering, bestemd om op of aan het menselijk
lichaam te worden gebezigd ter verbetering van een gestoord gehoor
(...), waarbij als bijzondere uitvoering van een electroakoestisch
hoortoestel wordt beschouwd een:
- cros-uitvoering;
- bicros-uitvoering;
- beengeleider-uitvoering;
- uitvoering met één ingebouwde microfoon en twee
aansluitingen;
- uitvoering met één uitwendige microfoon en één
aansluiting;
- uitvoering met één ingebouwde microfoon, één uitwendige
microfoon en één aansluiting; (...)
2. De aanspraak op de in het eerste lid, onder a, bedoelde middelen
bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3,
onder I, van deze regeling en omvat mede de eerste verschaffing van de
bij een toestel behoren batterijen of accu’s, alsmede de verschaffing
en vervanging van oorstukjes. (...)
5. Indien de aanschafkosten van een hoortoestel als bedoeld in het
eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 467 en een toestel voor de
eerste keer wordt verstrekt, dan wel korter dan 6 jaar geleden aan de
verzekerde is verstrekt, is de verzekerde van zestien jaren of ouder een
bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de
aanschaffingskosten en dit bedrag.
6. Indien de aanschafkosten van een hoortoestel als bedoeld in het
eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 558 en een toestel reeds tussen
6 en 7 jaren geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde
van zestien jaren of ouder een bijdrage verschuldigd ter grootte van het
verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
7. Indien de aanschafkosten van een hoortoestel als bedoeld in het
eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 648,50 en een toestel 7 jaren of
langer geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde een
bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de
aanschaffingskosten en dit bedrag met dien verstande dat voor een
verzekerde jonger dan zestien jaren de gebruiksduur van zeven jaren of
langer niet geldt. (...)”
De Raad is van oordeel dat uit artikel 31, eerste lid, van de Wet Rea in
verbinding met artikel 2, tweede lid, van het Rea-besluit volgt dat het
uitvoeringsorgaan van de Wet Rea bevoegd is om een voorziening in de
vorm van vergoeding van de kosten van een hoortoestel toe te kennen
indien die voorziening vrijwel uitsluitend geïndiceerd is voor de
werksituatie van de arbeidsgehandicapte, dan wel vrijwel uitsluitend kan
worden gebruikt voor of in de werksituatie van de arbeidsgehandicapte.
Met betrekking tot het standpunt van het Uwv dat de Zfw voor
hoortoestellen een de - aanvullende - bevoegdheid van het Uwv
uitsluitende voorliggende voorziening is, overweegt de Raad dat voor dat
standpunt onvoldoende aanknopingspunten worden gevonden. De Raad heeft
daarbij in aanmerking genomen dat weliswaar de ten tijde van belang
vigerende Regeling hulpmiddelen 1996 in een aanspraak op vergoeding van
hoortoestellen voorziet, maar dat geenszins blijkt dat bij het bepalen
van de omvang van die aanspraak rekening is gehouden met de eisen die
aan die toestellen gesteld moeten worden willen zij geschikt zijn voor
gebruik in de specifieke werksituatie van individuele verzekerden. Uit
het voor alle verzekerden geldende vergoedingensysteem blijkt veeleer
van een abstractie van de geschiktheid in specifieke werksituaties nu
die vergoeding voor alle verzekerden, ongeacht de omstandigheden
waaronder het hulpmiddel gebruikt moet worden, gelijk is. Noch uit de
tekst van de Regeling noch uit de toelichting daarop blijkt van een
duidelijke bedoeling van de regelgever dat het ziekenfonds bij het
beoordelen van de adequaatheid van hoortoestellen steeds of in het
bijzonder acht dient te slaan op de daaraan in de werksituatie te
stellen bijzondere eisen. Hieraan doet niet af dat het CvZ in de door
het Uwv genoemde adviezen in het kader van de Zfw heeft aangegeven dat
bij de verstrekking van een hulpmiddel dat zowel in de thuis- als in de
arbeidssituatie wordt gebruikt ook rekening moet worden gehouden met de
eisen die in de arbeidssituatie aan het hulpmiddel worden gesteld. Deze
adviezen berusten niet, zoals het CvZ in de publicatie Kennis over
verstrekkingengeschillen op blz. 278 erkent, op een concrete wettelijke
verplichting daartoe en hebben voorts geen betrekking op hoortoestellen,
voor welke hulpmiddelen een vergoedingssysteem geldt dat - in gevallen
als het onderhavige - geenszins aansluit op de reële kosten van voor de
werksituatie van een arbeidsgehandicapte geschikte hoortoestellen. In
een werksituatie zullen - zoals ook ter zitting gebleken - in het
algemeen veel hogere eisen aan het gehoor worden gesteld.
Hieruit vloeit voort dat de Zfw niet kan worden aangemerkt als een de -
aanvullende - bevoegheid van het Uwv uitsluitende voorliggende
voorziening nu deze niet voorziet in een aanspraak op verstrekking of
vergoeding van hoortoestellen die geschikt zijn voor de specificatie
werksituatie van een verzekerde. Dit betekent dat het Uwv op grond van
artikel 2, tweede lid, van het Rea-besluit bevoegd is voorzieningen toe
te kennen in de vorm van het vergoeden van hoortoestellen waarvan de
specificaties zijn ingegeven door de werksituatie. De Raad ziet geen
wettelijke belemmeringen voor een uitleg van dit artikel waarbij bij het
bepalen van de hoogte van die vergoeding rekening wordt gehouden met de
aanspraak op vergoeding uit hoofde van de wettelijke
ziektekostenverzekering, met dien verstande dat de redelijke meerkosten
van het voor de werksituatie van betrokkene adequate hoortoestel voor
vergoeding in aanmerking komen.
In het vorenstaande ligt tevens besloten dat het beleid van het Uwv ten
onrechte miskent dat de enkele omstandigheid dat een hoortoestel dat
geschikt is voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een
arbeidsgehandicapte, tevens gebruikt zou kunnen worden buiten het werk,
onvoldoende is voor het oordeel dat dit toestel niet bij wege van
voorziening - aanvullend - vergoed zou kunnen worden op grond van
artikel 2, tweede lid, van het Rea-besluit. De Raad voegt daaraan nog
toe dat deze dubbele functionaliteit voorts niet uitsluit dat het
desbetreffende hoortoestel vrijwel uitsluitend geïndiceerd zou kunnen
zijn voor het uitoefenen van de werkzaamheden van de
arbeidsgehandicapte. Het beleid van het Uwv gaat hieraan ten onrechte
voorbij.
Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak
- voor zover aangevochten - dient te worden vernietigd. Het Uwv dient
een nieuwe besluit op het bezwaar van appellante te nemen met
inachtneming van deze uitspraak.
Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans
niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het
Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang
van de door het besluit van het Uwv geleden renteschade. Het Uwv zal bij
zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de
vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te
vergoeden.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb) het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de
proceskosten van appellante. De kosten worden begroot op € 28,50,- in
beroep en op € 152,- in hoger beroep vanwege verletkosten en op €
14,12 voor reiskosten in beroep en € 32.02 voor reiskosten in hoger
beroep. Voorts ziet de Raad, met de rechtbank, geen aanleiding om het
Uwv te veroordelen in de proceskosten ten behoeve van verleende
rechtshulp. Gelet op hetgeen hieromtrent door de heer De Winter ter
zitting van de Raad is aangegeven en het feit dat de gemachtigde van
appellante werkzaam is als medewerker sociaaljuridische zaken binnen de
organisatie van de werkgever van appellante, is de Raad van oordeel dat
niet gesproken kan worden van beroepsmatig door derde verleende
rechtsbijstand zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Van op grond van 7:15 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende
kosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 27 mei 2005;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellante
neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 226,64, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €
103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de
Mooij en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28
maart 2007.
(get.) R.M. van Male.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|