|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/4280
REA
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 juni 2005, 04/3133
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 4 juli 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Namens betrokkene is geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2007. Appellant
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Betrokkene heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden en de toepasselijke
algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Op 1 juli 2004 is namens betrokkene, die toen elf jaar oud was en na de
zomervakantie naar groep 8 van het speciaal basisonderwijs zou gaan, in
het kader van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten een desk top personal computer (hierna: PC) met
aangepast toetsenbord aangevraagd. Bij besluit op bezwaar van 22
november 2004 heeft appellant de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
Wel is aan betrokkene - uiteindelijk - een zogeheten Alpha Smart (een
draagbare tekstverwerker voor gebruik op school) verstrekt, welke namens
betrokkene eveneens was aangevraagd. De afwijzing van de aanvraag om een
PC met aangepast toetsenbord berust op het - ter zitting van de Raad
namens appellant verduidelijkte - standpunt dat een PC algemeen
gebruikelijk is en voorts op de grond dat een aangepast toetsenbord niet
noodzakelijk is omdat in het gezin waarvan betrokkene deel uitmaakt al
een (PC met) aangepast toetsenbord aanwezig is, waarvan betrokkene met
behulp van de Alpha Smart gebruik kan maken.
Voorts is gebleken dat in 2006 aan betrokkene, in verband met zijn
overgang naar het voortgezet onderwijs, een lap top computer is
verstrekt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling over
het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 22 november 2004
gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd, en bepaald dat
appellant met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar
dient te nemen. De rechtbank heeft, kort gezegd, geoordeeld dat
appellant zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld
dat een PC algemeen gebruikelijk is.
Appellant heeft in hoger beroep gemotiveerd aangegeven waarom hij dit
oordeel van de rechtbank niet juist acht.
De Raad is, anders dan de rechtbank en met appellant, van oordeel dat
(in elk geval reeds) op de datum van de aanvraag 1 juli 2004 een PC in
de gebruikerskring van gezinnen met (gezonde en/of gehandicapte)
kinderen als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd. Dat het bezit
en het gebruik van een PC thuis in het (speciaal) basisonderwijs nog
niet op iedere school is voorgeschreven doet daaraan niet af, omdat dit
geen doorslaggevend criterium is. Evenmin doet daaraan af dat in de
Regeling computervoorzieningen in het onderwijs 1999, naast de
mogelijkheid van verstrekking van een lap top computer, ook is voorzien
in de mogelijkheid van verstrekking van een PC. Zoals ook uit de nota
van toelichting bij artikel 2 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea (Stb. 2001, 694) naar voren komt, zal het oordeel of een
bepaalde voorziening als algemeen gebruikelijk is te beschouwen in de
loop van de tijd immers kunnen veranderen. Nu in het gezin waarvan
betrokkene deel uitmaakt reeds een PC aanwezig is en niet is gesteld dat
betrokkene daarvan niet of onvoldoende gebruik kan maken, volgt uit het
voorgaande dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor
verstrekking van de aangevraagde PC. De grief van appellant slaagt
derhalve.
Met betrekking tot het eveneens aangevraagde toetsenbord onderschrijft
de Raad het standpunt van appellant en de daaraan ten grondslag liggende
motivering.
De bij de rechtbank onbesproken gebleven beroepsgrond dat appellant in
strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld doordat eerder wel
een PC (met aangepast toetsenbord) is verstrekt aan de oudere broer van
betrokkene, die aan dezelfde ziekte lijdt als betrokkene, treft geen
doel. Reeds niet omdat - hetgeen niet in geschil is - die verstrekking,
achteraf bezien, ten onrechte heeft plaatsgevonden en appellant niet
gehouden kan worden geacht een incidenteel gemaakte fout in andere
gevallen te herhalen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 november
2004 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 4 juli 2007.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|