|
Uitspraak
00/5917 WAMIL
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 3 april 1998 heeft gedaagde appellant in verband met
zijn aanvraag voor op 10 december 1992 ingetreden arbeidsongeschiktheid
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen geweigerd.
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij
besluit van 20 augustus 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het
besluit van 20 augustus 1998 (hierna: het bestreden besluit) bij
uitspraak van 18 oktober 2000 ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. H.J. Weekers, werkzaam bij ARAG
Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangegeven gronden en onder
overlegging van een bijlage tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft onder overlegging van een aantal bijlagen een
verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 29 juli 2002
desgevraagd een tweetal stukken ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 16 september 2002 nadere
stukken overgelegd en informatie verschaft.
Bij brieven van 2, 4 en 6 december 2002 heeft de gemachtigde van
appellant nadere stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 december 2002,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Weekers als
zijn raadsman en waar namens gedaagde niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
In de aangevallen uitspraak zijn de voor de oordeelsvorming in dit
geding van belang zijnde feiten en omstandigheden uitvoerig en met
juistheid weergegeven. Het komt er in essentie op neer dat appellant met
ingang van 1 september 1971 eervol is ontslagen als beroepsofficier bij
de Koninklijke Landmacht en met ingang van dezelfde datum is benoemd en
aangesteld als reservist. Op 1 juli 1992 is appellant met psychische en
gehoorklachten uitgevallen uit zijn werk als zelfstandig interimmanager.
Tijdens een herhalingsoefening als reservist van 18 november tot 5
december 1992 stelde appellant vast met deze klachten ook niet te kunnen
functioneren als reservist. Bij Koninklijk besluit van 11 december 1996,
nr. 94.001724, is appellant met ingang van 10 december 1991 eervol
ontslag verleend uit de militaire dienst bij het reservepersoneel, voor
een bepaalde tijd, bij de Koninklijke Landmacht. In het kader van een
aanvraag van appellant om een Wamil-uitkering heeft appellant aangegeven
dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdatum, aanvankelijk gesteld op 1
mei 1996, dient te gelden 10 december 1992, waarop na een inhoudelijke
beoordeling aan de hand van de criteria van de Wamil
gedaagde bij het
primaire besluit van 3 april 1998 de gevraagde uitkering heeft
geweigerd, welk besluit gedaagde bij het bestreden besluit heeft
gehandhaafd.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond
verklaard omdat appellant ten tijde van de datum in geding, te weten 10
december 1992 niet voldeed aan de restrictieve omschrijving van het
begrip belanghebbende in het hier van toepassing zijnde onderdeel ten
tweede van artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wamil, zoals dit
artikelonderdeel is komen te luiden door de inwerkingtreding op 30
augustus 1991 van de Wet van 29 augustus 1991, Stb. 1991, 460. Volgens
dit artikelonderdeel is belanghebbende als evenbedoeld hij, die
verplicht tot het reservepersoneel der krijgsmacht behoort. Terzake
overwoog de rechtbank als volgt:
"Bij wet van 29 augustus 1991 (Stb. 1991, 460) is de tekst van
artikel 1, eerste lid, ten tweede en ten derde gewijzigd. Tot die datum
luidde artikellid 2:
2) hij, die behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet
krachtens een verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke
dienst.
Blijkens de memorie van toelichting (vergaderjaar 1990-1991, 21845, nr.
3.) werd de categorie reservepersoneel, die krachtens een vrijwillige
verbintenis verplicht is tot het verrichten van doorlopende werkelijke
dienst, sedert de inwerkingtreding van het AMAR aangesteld als
beroepsmilitair voor bepaalde tijd. Daarmee diende deze categorie te
vervallen als belanghebbende en diende artikel 1, eerste lid, onder a
van de Wamil
zo te worden gewijzigd dat zij die verplicht tot het
reservepersoneel behoorden, onder de werking van de Wamil
bleven vallen.
Eisers gemachtigde heeft in zijn brief van 6 oktober 2000 de rechtbank
bericht dat eiser behoorde tot de categorie van artikel 1, onder a ten
tweede, van de Wamil
zoals dat tot september 1991 luidde, te weten
degene die behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet
krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot doorlopende
werkelijke dienst.
In een voorts door eisers gemachtigde overgelegd schrijven van 6 oktober
2000 van het Hoofd van de Afdeling Pensioenen en Sociale Zekerheid van
het ministerie van Defensie, is als volgt bericht:
"Kijkend naar artikel 1, eerste lid, onder a, ten eerste van de
Wamil zoals dat artikel na de wijziging in 1991 luidt (Stb. 1991, 460)
is betrokkene geen belanghebbende in de zin van de Wamil. Voor genoemde
wijziging zou betrokkene wel als belanghebbende aangemerkt zijn. Voor de
aanleiding van de wetswijziging verwijs ik naar de hierbij gevoegde
wetsgeschiedenis. Als reden waarom dit artikel is gewijzigd wordt
aangegeven dat de reservist die krachtens een vrijwillige verbintenis
verplicht is tot het verrichten van werkelijke dienst sedert de
inwerkingtreding van het AMAR (1 januari 1983) word aangesteld als
beroepsmilitair voor bepaalde tijd. Betrokkene is echter ruim voor
genoemde datum van inwerkingtreding van het AMAR bij KB van 16 juli
1971, nr. 54 aangesteld bij het reservepersoneel. Deze aanstelling is in
1983 niet omgezet in een contract voor bepaalde tijd. Kijkend naar de
bedoeling van genoemde wetswijziging had eigenlijk middels een
overgangsbepaling bij deze wetswijziging voorzien moeten worden in de
situatie zoals geldend voor de heer [appellant] waardoor hij wel naar de
letter van de wet als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt. Dit
is niet gebeurd. Kijkend echter naar de bedoeling en de geest van de
Wamil zou betrokkene als belanghebbende moeten worden aangemerkt."
Eiser heeft voorts ter zitting nader toegelicht dat men na het
vijfenveertigste levensjaar (uitsluitend) als vrijwilliger werkzaam kan
zijn als reservist.
Het geheel beziend, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet
valt onder het belanghebbende begrip, waarin de wetgever sedert 30
augustus 1991 heeft voorzien. De rechtbank is van oordeel dat het de
rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan indien zij
niettegenstaande de restrictieve tekst van artikel 1, onder a, ten
tweede, van de Wamil, eiser als belanghebbende zou aanmerken, zulks op
grond van de bedoeling en de geest van de Wamil.
Het vorenstaande houdt in dat verweerder terecht - zij het op andere
gronden dan de rechtbank aanneemt - heeft besloten eiser niet in
aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wamil."
De Raad onderschrijft deze overwegingen geheel en voegt daaraan nog toe
dat algemene rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel,
niet reeds om reden dat, zoals van de zijde van appellant ter zitting is
aangevoerd, is vergeten de oude categorie reservisten onder de Wamil
te
brengen en dat appellant eigenlijk in 1992 een aanstelling voor bepaalde
tijd als beroepsreservist verstrekt had moeten worden, ertoe kunnen
leiden dat in weerwil van de op zich duidelijke bewoordingen van artikel
1, eerste lid, onder a, ten tweede, van de Wamil, appellant niettemin
bij wege van bijvoorbeeld een redelijke wetstoepassing als
belanghebbende wordt aangemerkt. Niet valt immers in te zien dat
appellant niet aan de Minister van Defensie had kunnen dan wel ook thans
nog kan verzoeken met de inwerkingtreding van het Algemeen militair
ambtenarenreglement met ingang van 1 januari 1983 zijn aanstelling bij
het reservepersoneel om te zetten in een contract voor bepaalde tijd.
Hetzelfde geldt voor de periode dat appellant in 1992 op
herhalingsoefening was, waarbij de Raad overigens thans in het midden
laat welke betekenis voor een zodanig verzoek voor deze periode aan de
wijziging van de ingangsdatum van het hiervoorgenoemde ontslag bij het
Koninklijk besluit van 11 december 1996 zou moeten worden toegekend.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van
Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2003.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|