|
Uitspraak
98/2003 WAMIL
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit
geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten.
Appellant is op door G.S. Harm, verbonden aan de Stichting Centraal
Beheer Rechtsbijstand te Apeldoorn, bij aanvullend beroepschrift van 18
juni 1998 aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Arnhem onder dagtekening 16 februari 1998 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 28 juli 1998 van verweer gediend.
Bij brief van 8 oktober 1998 heeft mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat
te Nieuwegein, zich als gemachtigde van appellant gesteld en de gronden
van het ingestelde hoger beroep, onder overlegging van een aantal
stukken, nader aangevuld.
Bij brieven van 16 oktober 1998 (met bijlagen), 23 oktober 1998 (met
bijlagen), 28 mei 1999 (met bijlagen) en 17 juni 1999 (met bijlagen) heeft
appellant de beroepsgronden verder aangevuld.
Gedaagde heeft bij brief van 22 juli 1999 een commentaar van 1 juli 1999
van de bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers ingezonden op een met
betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant opgemaakt rapport
van 25 mei 1999 van de neuroloog-psychiater H. Herngreen te Barneveld.
Bij brieven van 17 september 1999 (met bijlagen) en 2 november 1999 (met
bijlagen, waaronder een schrijven van 22 oktober 1999 van de
neuroloog-psychiater Herngreen) heeft appellant op dit commentaar
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 april
2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Bogaers, voornoemd, als zijn raadsman en waar gedaagde zich niet heeft
doen vertegenwoordigen.
Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend.
Appellant heeft bij brief van 8 juni 2000 opnieuw stukken in het geding
gebracht.
Gedaagde heeft bij schrijven van 3 augustus 2000 de gronden van zijn
verweer aangevuld en, desverzocht, een door de arbeidsdeskundige J.K.J.
Hettinga opgestelde werkomschrijving ingezonden van een afgestudeerd
scheikundige op een promotieplaats.
Bij brieven van 11 oktober 2000 en 19 oktober 2000 (met bijlage) heeft
appellant zich opnieuw tot de Raad gewend.
Door de Raad desverzocht heeft de psychiater C. Kok te Brummen bij
rapport van 16 maart 2001 als deskundige van verslag en advies gediend.
Bijlage bij dit rapport is een op verzoek van de psychiater Kok door de
psycholoog J.H. van Wijngaarden op 6 maart 2001 uitgebracht rapport.
Appellant heeft bij brief van 27 juni 2001 (met bijlagen) op deze
rapportage gereageerd.
Gedaagde heeft, desverzocht, bij brief van 26 juli 2001 zijn standpunt
nader toegelicht en heeft nog een stuk ingezonden. Voorts heeft gedaagde
bij brief van 3 augustus 2001 een commentaar van de
bezwaarverzekeringsarts Gommers op de rapportage van de deskundige Kok
ingezonden.
Bij brieven van 20 augustus 2001 (met bijlagen), 10 september 2001 (met
bijlagen, waaronder een schrijven van 5 september 2001 van de
neuroloog-psychiater Herngreen) en een brief van 22 april 2002 (met
bijlagen) heeft appellant opnieuw op de rapportage van de deskundige Kok
een reactie gegeven. Voorts heeft appellant bij brief van 10 mei 2002 nog enige stukken ingezonden.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4
juni 2002, waar partijen zijn verschenen als ter zitting van 25 april
2000.
II. MOTIVERING
Appellant was na het voltooien van de universitaire studie scheikunde,
dienstplichtig militair van 12 juli 1993 tot en met 2 juni 1994. Op 3
juni 1994 heeft appellant zich arbeidsongeschikt gemeld, ter zake
waarvan hem een uitkering werd toegekend. Bij besluit van 9 augustus
1994 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij op en na 9 augustus
1994 niet meer arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de
Ziektewet. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank
bij uitspraak van 6 februari 1996, na op 21 oktober 1994 uitgebracht
rapport van de als deskundige geraadpleegde internist H.S. Schneider,
ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 7 mei 1997 deze
uitspraak en het besluit van 9 augustus 1994 vernietigd onder overweging
dat dit besluit ten onrechte was gebaseerd op de Ziektewet en niet op de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil).
Gedaagde heeft daarop het thans bestreden besluit van 26 juni 1996
genomen. Bij dit besluit is appellant ervan in kennis gesteld dat hij op
en na 9 augustus 1994 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wamil. Hieraan heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat hij op en na
9
augustus 1994 niet voldeed aan de voorwaarden voor het recht op
uitkering, omdat geen sprake was van rechtstreeks en objectief medisch
vast te stellen afwijkingen ten gevolge van ziekte of gebreken.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in
stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank zich laten leiden door
voormeld rapport van 21 oktober 1994 van de deskundige Schneider en de
inmiddels bekend geworden gegevens van de neuroloog E.F.J. Poels en de
longarts A. Termeer. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit het op
verzoek van appellant uitgebrachte rapport van 9 oktober 1995 van het
Nijmeegs Centrum voor Motoriek en Cognitie (NMC) niet duidelijk valt af
te leiden dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaf
gemeten ongeschikt was op en na 9 augustus 1994.
In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank uitvoerig
onderbouwd bestreden en daartoe vele gegevens van medische en andere
aard ingezonden, zowel met betrekking tot zijn gezondheidstoestand als
zijn wijze van functioneren voor zijn ziekmelding, en daarna.
Gedaagde heeft het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt in
hoger beroep gehandhaafd, onder verwijzing naar de in hoger beroep
overgelegde commentaren van de bezwaarverzekeringsarts Gommers.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wamil heeft de belanghebbende
die op de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke militaire dienst
eindigt, arbeidsongeschikt is of binnen een maand na die dag
arbeidsongeschikt wordt, met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid
recht op dezelfde ziekengelduitkering als die, waarop krachtens de
Ziektewet aanspraak zou bestaan, indien hij onmiddellijk voorafgaande
aan zijn arbeidsongeschiktheid verzekerde in de zin van die wet zou
zijn geweest. In het geval van appellant, die voorafgaande aan de
aanvang van zijn militaire dienstplicht door studie niet aan het
arbeidsproces heeft deelgenomen, is het arbeidsongeschiktheidsbegrip als
geregeld in artikel 1, aanhef en onder c, ten eerste, sub b, van de Wamil
van toepassing. Ingevolge deze bepaling wordt onder
arbeidsongeschiktheid verstaan de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Gedaagde neemt het standpunt in dat in een dergelijk geval als
(maatman)beroep moet worden aangemerkt het beroep dat de betrokkene met
zijn opleiding in overheidsdienst zou hebben kunnen uitoefenen, zo hij
niet ongeschikt geworden was. De Raad onderschrijft dit met het
wettelijk systeem in overeenstemming zijnde standpunt.
Appellant heeft in dit kader een brief van 29 mei 2000 van prof. dr.
R.J.M.
Nolte overgelegd. Daaruit blijkt dat deze hoogleraar organische chemie,
verbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, appellant voor hij in
actieve militaire dienst trad, promovabel achtte en hem na terugkeer in
aanmerking zou brengen voor een promotieplaats, dan wel zou helpen een
promotieplaats elders te verkrijgen. Daaraan is toegevoegd dat het voor
uitstekende studenten als appellant geen probleem is om een
promotieplaats te vinden, omdat er relatief weinig goede kandidaten
beschikbaar zijn.
Gelet op deze gedetailleerde gegevens, die inhouden dat sprake was van
meer dan een verwachting dat appellant een promotieplaats zou kunnen
verwerven, acht de Raad het in casu in overeenstemming met een juiste
rechtstoepassing om als beroep dat appellant in overheidsdienst zou
hebben kunnen uitoefenen, aan te merken de afgestudeerd scheikundige
die promotieonderzoek verricht. De omstandigheid dat gedaagde van
oordeel is dat aan het rapport van 16 maart 2001 van de deskundige Kok
zou zijn te ontlenen dat appellant om andere redenen dan ziekte of
gebrek voor promotieonderzoek niet geschikt is doet daaraan, gelet op
hetgeen de Raad hierna omtrent dit rapport zal overwegen, niet af.
De bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga heeft, na daaromtrent
verkregen inlichtingen van prof. dr. G. van Koten, bij rapport van 1
augustus 2000, de aard, omvang en zwaarte van de werkzaamheden van een
afgestudeerd scheikundige op een promotieplaats beschreven. De Raad
heeft geen enkele reden deze beschrijving niet als een getrouwe weergave
aan te merken van deze werkzaamheden zoals deze door promovendi in de
scheikunde - ook bij Rijksuniversiteiten - ten tijde hier in geding
plachten te worden verricht.
Aldus stelt de Raad vast dat de hier voorliggende
arbeidsongeschiktheidsvraag dient te worden beantwoord op basis van de
door de bezwaararbeidsdeskundige Hettinga in zijn rapport van 1 augustus
2000 beschreven werkzaamheden.
De deskundige Kok is in zijn rapport van 16 maart 2001 tot de conclusie
gekomen dat appellant op en na 9 augustus 1994 ongeschikt was de in het
rapport van Hettinga van 1 augustus 2000 beschreven werkzaamheden te
verrichten. Blijkens zijn rapport heeft de deskundige Kok daarbij acht
geslagen op de uitkomsten van het door hem ingestelde psychiatrisch
onderzoek, de uitkomsten van het onderzoek van de door hem ingeschakelde
psycholoog Van Wijngaarden en de zich onder de gedingstukken bevindende
informatie van diverse geraadpleegde medici en (neuro)psychologen die
eerder al tot de conclusie waren gekomen dat ten tijde van hun onderzoek
appellant niet in staat was om werkzaamheden te verrichten in het kader
van een promotieonderzoek in de chemie.
De Raad volgt de conclusie van de deskundige Kok, daarbij mede acht
slaand op de overige uitkomsten van (neuro)psychologisch onderzoek,
waarvan in het bijzonder het onderzoek van 9 oktober 1995 van de
neuropsycholoog drs. H.G.G. van Balen, verbonden aan het NMC.
Hetgeen van de zijde van de bezwaarverzekeringsarts Gommers bij
aanvullende rapportage van 30 juli 2001 tegen het rapport van de
deskundige Kok is aangevoerd, hierop neerkomend dat de destijds ten
tijde in geding door appellant geuite klachten door de deskundige Kok
niet zijn geobjectiveerd en dat de bij appellant vastgestelde
beper-kingen als gevolg van een persoonlijkheidsproblematiek geen
arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wamil opleveren, leidt de Raad
niet tot een ander oordeel.
De Raad kan slechts vaststellen dat de deskundige Kok gemotiveerd heeft
aangegeven dat appellant ongeschikt is voor de hier in aanmerking te
nemen werkzaamheden en dat hij dat ook was op en na 9 augustus 1994. De
Raad gaat er niet aan voorbij dat bij somatisch onderzoek van appellant,
behoudens een afwijkende EEG-uitslag, geen ondubbelzinnig op
ongeschiktheid wijzende afwijkingen zijn gevonden, maar een en ander
laat onverlet dat de deskundige Kok op grond van overwegingen behorend
tot zijn vakgebied van de psychiatrie die ongeschiktheid heeft
aangenomen.
De opvatting van de bezwaarverzekeringsarts Gommers dat de beperkingen
van appellant als gevolg van de bij hem bestaande
persoonlijkheidsproblematiek geen basis vinden in ziekte of gebrek volgt
de Raad niet. Aan het rapport van de deskundige Kok valt te ontlenen dat
hij die beperkingen mede ziet voortvloeien uit ontwikkelingsstoornissen
van de persoonlijkheid van appellant.
De van de zijde van partijen opgeworpen vraag of uit de rapportage van
de deskundige Kok moet worden afgeleid dat appellant, al dan niet wegens
ziekte of gebrek, nimmer geschikt is geweest voor de werkzaamheden van
promovendus in de scheikunde, geeft de Raad aanleiding het volgende te
overwegen.
Het belang van deze vraag is hierin gelegen dat als zou moeten worden
aangenomen dat appellant ook al voor zijn ziekmelding om welke reden dan
ook niet over de gewenste kwalificaties zou hebben beschikt om
promotieonderzoek te doen, de daaraan verbonden werkzaamheden niet als
maatstaf kunnen gelden waarnaar de arbeidsongeschiktheid in het kader
van de Wamil moet worden beoordeeld.
Aan het rapport van de deskundige Kok valt te ontlenen dat hij het voor
de hand liggend acht dat het persoonlijkheidsprofiel van appellant al
bepaald is in zijn jeugdjaren en derhalve dateert van voor 9 augustus
1994. De Raad stelt aan de hand van de zich onder de gedingstukken
bevindende gegevens over appellants schoolopleiding, studieresultaten en
de wijze waarop hij zijn dienstplicht heeft vervuld, alsmede de gegevens
van de huisarts over de gezondheidssituatie van appellant voordat hij in
militaire dienst ging, vast dat daarin geen enkele aanwijzing is gelegen
dat evenvermeld persoonlijkheidsprofiel toen op zijn functioneren een
negatieve invloed heeft gehad.
Aldus komt de Raad tot de conclusie dat er geen aanleiding is een andere
maatstaf te hanteren waarnaar de arbeidsongeschiktheid moet worden
beoordeeld dan de werkzaamheden van een promovendus scheikunde,
waarvoor, gelijk hiervoor overwogen, appellant wegens ziekte of gebrek
ten tijde hier in geding ongeschikt was.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit met de
aangevallen uitspraak waarbij deze in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komt.
De Raad overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat gedaagde nalatig is
gebleven uitkering betaalbaar te stellen over de periode vanaf 9
augustus 1994. Uit 's Raads uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314,
volgt dat de eerste dag waarop gedaagde in casu over het bedrag van de
niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd
is, gesteld moet worden op 1 september 1994, alsook dat deze rente
verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij
geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over
dat jaar verschuldigde rente.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze worden
begroot op € 322,- in eerste aanleg ter zake van verleende
rechtsbijstand en op € 805,- in hoger beroep ter zake van verleende
rechtsbijstand, alsmede op € 1066,38 (f 2350,-) ter zake van de door
de neuroloog-psychiater Herngreen uitgebrachte rapportages en € 99,37
aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit van 26 juni 1996;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is
aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 1970,75, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 95,29,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. Ch.J.G.
Olde Kalter en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid J.
Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2002.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J. Verrips.
|
|