|
Uitspraak
03/5431 WAMIL
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage
van 16 september 2003, nummer AWB 01/2827 WAMIL, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 september 2005,
waar appellant en zijn raadsman met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.G.M. Huis,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant heeft tijdens zijn militaire diensttijd in 1975 een
motorongeval gehad waaraan hij blijvend letsel heeft overgehouden. Sinds
27 december 1976 ontvangt hij een uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en sinds 2 januari 1978 tevens een
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen (Wamil), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%.
In juli 2000 heeft er in het kader van een 5e-jaars-Wamil-beoordeling
een medisch heronderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts
constateerde dat appellant sedert 1975 beperkingen had met betrekking
tot belasting van armen, nek, schouders, rug en benen, waarbij nooit
voldoende functies op de arbeidsmarkt gevonden konden worden en het
nooit gekomen is tot een aangepaste functie. De verzekeringsarts
concludeerde vervolgens dat er zich in de lichamelijke toestand ten
opzichte van de vorige beoordeling (in 1995) geen relevante wijzigingen
hadden voorgedaan. Aangezien hij thans toch duurzaam te benutten
mogelijkheden op de arbeidsmarkt aanwezig achtte, heeft de
verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld waarin hij in het
bijzonder aandacht heeft besteed aan de beperkingen ten aanzien van het
hand- en vingergebruik. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op basis
van het opgestelde belastbaarheidspatroon een aantal functies
geselecteerd waarvoor appellant geschikt werd geacht, te weten:
vertegenwoordiger, in het Functie Informatie Systeem (FIS) opgenomen
onder de functie bestandscode (fb-code) 4620, lokettist openbaar
vervoer, fb-code 3318, advertentieacquisiteur, fb-code 4722 en
telefonist centralist, fb-code 3802. Deze functies kenden
overschrijdingen op bepaalde aspecten van appellants belastbaarheid, met
name de items 8 (buigen of torderen), 9 (gebruik van de nek) en 12 (hand-
en vingergebruik). De verzekeringsarts heeft echter gemotiveerd
aangegeven waarom hij deze functies, ondanks het feit dat de belasting
in die functies afwijkt van de belastbaarheid van appellant zoals
verwoord in het belastbaarheidspatroon, desalniettemin voor appellant
geschikt achtte.
Na vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de
hoogste lonen met het voor appellant geldende maatmaninkomen, heeft de
arbeidsdeskundige vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen
aanleiding geeft tot een indeling in de klasse 0-15%
arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 14 september 2000 heeft gedaagde vervolgens meegedeeld
dat de Wamil-uitkering van appellant met ingang van 13 november 2000
wordt ingetrokken, aangezien de Wamil pas recht geeft op uitkering bij
een arbeidsongeschiktheid van 15% of meer.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluiten van 30 september 2000 en 31
oktober 2000 de datum waarop de uitkering zal worden ingetrokken,
gewijzigd in 1 oktober 2000 respectievelijk 12 december 2000 (lees: 13
november 2000). In een begeleidende brief bij het laatstgenoemde besluit
heeft gedaagde tenslotte meegedeeld dat bij nader inzien de beslissing
van 14 september 2000 toch correct was en deze alsnog door gedaagde is
bevestigd.
Naar aanleiding van het namens appellant tegen voornoemde besluiten
gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts een externe deskundige
ingeschakeld. De deskundige, de revalidatiearts G. Peusens, heeft op 11
mei 2001 gerapporteerd. Naar aanleiding van deze rapportage heeft de
bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 14 mei 2001 het
belastbaarheidspatroon met uitzondering van het aspect gebogen werken
conform het advies van de revalidatiearts aangepast en zijn de
beperkingen met name op het gebied van trappen lopen, klimmen en
klauteren, tillen en dragen aangescherpt. Ondanks deze wijziging in het
belastbaarheidpatroon was de bezwaarverzekeringsarts van mening dat de
geduide functies onveranderd als passend waren aan te merken.
Bij bestreden besluit van 14 juni 2001 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant ongegrond verklaard voor zover het gericht was tegen de
besluiten van 14 september en 31 oktober 2000. Voor het overige heeft
gedaagde het bezwaar gegrond verklaard.
Het namens appellant ingestelde beroep en de in verband daarmee
overgelegde rapportage van 19 juni 2002 van de revalidatiearts H.J.
Arwert - die concludeerde dat er sprake was van verdergaande beperkingen
van de belastbaarheid dan door de verzekeringsartsen vastgesteld - zijn
voor de rechtbank aanleiding geweest om na de behandeling ter
terechtzitting op 11 juli 2002, het onderzoek met toepassing van artikel
8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen en een
onafhankelijk deskundige te benoemen. In haar rapportage van 18 februari
2003 heeft de revalidatiearts M.C.C. de Beer weergegeven dat zij zich,
zij het met enige kanttekeningen, kan vinden in het door de
bezwaarverzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon. Zij is van
mening dat appellant fulltime kan werken, mits geleidelijk opgebouwd.
Ten aanzien van de geduide functies is zij van mening dat de functie van
vertegenwoordiger (fb-code 4620) niet passend is vanwege te frequent buigen of torderen en
het intensief gebruik van de nek bij autorijden. Ten aanzien van de
functie informant kaartverkoper (fb-code 3318) merkt zij op dat er ten
aanzien van aspect 12 (hand- en vingergebruik) reeds bijzondere eisen
aan het hand- en vingergebruik zijn gesteld en dat zij zich met dit item
kan verenigen. Voorts merkt zij op dat bij item 6 (knielen, kruipen,
hurken) rekening gehouden moet worden met het feit dat de handen niet
inzetbaar zijn. Zij acht de functie geschikt, mits er sprake is van een
goed ergonomische ingerichte werkplek.
De opmerkingen over item 6 zijn naar haar mening ook van toepassing op
de functie telefonist (fb-code 3802). In zijn reactie op de rapportage
stelt de bezwaarverzekeringsarts dat bij knielen en hurken geen
substantiële handondersteuning nodig is en dat dit argument alleen een
rol bij het aspect kruipen speelt, welk aspect in de geduide functies
nauwelijks zal voorkomen.
De rechtbank heeft de conclusie van de deskundige De Beer met betrekking
tot de belastbaarheid van appellant alsmede met betrekking tot het niet
geschikt zijn van de functie van vertegenwoordiger (fb-code 4620)
overgenomen.
De overige geduide functies achtte de rechtbank, gelet op de conclusie
van de deskundige in combinatie met de door de bezwaarverzekeringsarts
gegeven reactie, geschikt zodat appellant in staat moest worden geacht
per 13 november 2000 de voorgehouden functies van lokettist (fb-code
3318), advertentieacquisiteur (fb-code 4722) en telefonist centralist (fb-code
3802) te verrichten. Een vergelijking van het mediane loon van deze
functies met het maatmanloon leverde een verlies aan verdiencapaciteit
op van ongeveer 10 % zodat gedaagde naar het oordeel van de rechtbank de
Wamil-uitkering terecht heeft ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep
dan ook ongegrond verklaard.
In geding is thans de vraag of het bestreden besluit, strekkende tot
handhaving van het besluit tot intrekking van de uitkering van appellant
per 13 november 2000, in rechte stand kan houden.
Namens appellant is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft
geconcludeerd dat de deskundige De Beer appellant in staat acht tot het
verrichten van de functie lokettist openbaar vervoer (fb-code 3318).
Zijns inziens valt dat niet af te leiden uit haar rapportage en moet er
geconcludeerd worden dat deskundige De Beer in feite de mening is
toegedaan dat de functie niet geschikt is omdat bijzondere eisen aan het
hand- en vingergebruik worden gesteld. Daarnaast acht appellant het
onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts de functie geschikt acht vanwege
de beperkte mate waarin geld geteld en gewisseld dient te worden. Uit de
functieomschrijving blijkt immers dat voorraadbeheer en verkoop 70% van
de werkzaamheden uitmaken. Naar appellant stelt zijn er slechts twee
functies die tegemoetkomen aan de gestelde beperkingen zodat niet wordt
voldaan aan artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten.
De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling. Deze berust naar
zijn mening op een verkeerde lezing van het rapport van de deskundige De
Beer. Naar het oordeel van de Raad kan uit de zinsnede in dit rapport
“Met item 12 hand- en vingergebruik kan ik mij verenigen...”, niet
anders geconcludeerd worden dan dat deskundige De Beer de vastgestelde
belastbaarheid op het gebied van hand- en vingergebruik juist en
appellant in staat acht om de functie lokettist openbaar vervoer
(informant kaartverkoper) te vervullen. Uit de beschrijving van de hand-
en vingervaardigheid door de verzekeringsarts blijkt dat appellant
kennelijk een goede functie van de rechterhand en een redelijke functie
van de linkerhand heeft. Voorts blijkt uit de in hoger beroep
overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 6 januari
2004 dat expliciet aandacht is besteed aan de vraag of dat voldoende is
voor de uitoefening van de functie informant kaartverkoper (fb-code
3318) en dat er, mede gelet op de visie van deskundige De Beer, geen
redenen zijn om te twijfelen aan de bij de primaire beoordeling
getrokken conclusie dat de functie geschikt was.
Ten aanzien van de overige twee functies, advertentie acquisiteur (fb-code
4722) en telefonist centralist (fb-code 3802), heeft de Raad in de in
dit geding beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten
aangetroffen om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden
besluit ten grondslag gelegde medische oordeel inzake de geschiktheid
van appellant daarvoor. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat
appellant op de datum in geding geschikt was de hem door de
arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.
Nu, tenslotte in het licht van artikel 8:69 van de Awb ook overigens
geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in
rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak, waarbij het
beroep tegen dit besluit ongegrond is verklaard, voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas, als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober
2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|