|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 96/4377 WAMIL en 96/6821 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak wordt
onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank te Dordrecht onder dagtekening
22 maart 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 augustus 1997,
waar voor appellant is verschenen M.J.H. Steeghs, werkzaam bij Gak
Nederland B.V., terwijl gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij beslissing van 17 mei 1993 heeft appellant de uitkeringen van
gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), welke
laatstelijk
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%
respectievelijk 45 tot 55%, met ingang van 1 april 1993 herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij besluit van 20 april 1994 heeft appellant de uitkering van gedaagde
ingevolge de AAW ingaande 1 juli 1994 ingetrokken en gedaagdes uitkering
ingevolge de Wamil met ingang van dezelfde datum herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Gedaagde heeft zowel tegen de beslissing van 17 mei 1993 als tegen het
besluit van 20 april 1994 beroep ingesteld.
Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft appellant de rechtbank bij
brief van 12 december 1995 bericht dat hij beide hiervoor vermelde
beslissingen niet langer handhaaft.
Vervolgens heeft de rechtbank gedaagde verzocht aan te geven welk belang
hij nog heeft bij een vernietiging van de bestreden beslissingen, waarop
van de zijde van gedaagde is geantwoord.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder overweging dat
gedaagde desgevraagd niet een rechtens relevant belang bij vernietiging
van de bestreden beslissingen heeft gesteld, het tegen die beslissingen
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank bevolen
dat appellant het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt en
appellant veroordeeld in de proceskosten welke gedaagde in verband met
de behandeling van het beroep heeft moeten maken, welke kosten zijn
begroot op f 1.775,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand.
Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld uitsluitend
voor zover hij daarbij is veroordeeld in de proceskosten. In zijn
aanvullend beroepschrift heeft appellant - onder aanduiding van gedaagde
als verweerder - het volgende aangevoerd:
"Verweerder heeft zich laten bijstaan door de Stichting
Rechtsbijstand Dienstplichtigen. Deze stichting wordt gesubsidieerd door
het Ministerie van Defensie en verleent kostenloze rechtsbijstand.
Verweerder heeft dan ook terzake van de hem verleende rechtsbijstand
geen kosten behoeven te maken, zodat naar ondergetekendes oordeel voor
een proceskostenveroordeling geen plaats is. Ondergetekende verwijst
naar de bijgevoegde uitspraak van uw Raad van 11 mei 1995, AMP
1994/48+49."
De Raad, zich beperkend tot dit geschilpunt, kan zich geheel verenigen
met dit betoog, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten
dient te worden vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover appellant daarbij is
veroordeeld in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f
1.775,-.
Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van
Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 1997.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.W.M. van Bommel.
|
|