|
Uitspraak
01/3956 WBIA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aan- gevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8
juni 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 juni 2003, waar
namens appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. I.F. Pardaan, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante bezit de Spaanse nationaliteit. Zij is vóór 15 augustus
1977 werkzaam geweest in Nederland en heeft vanaf 16 augustus 1978 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, welke uitkering vanaf
1 juni 1979 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15
tot 25%. Appellante is in 1979 teruggekeerd naar haar geboorteland
Spanje. Met ingang van 1 juni 1998 heeft gedaagde de aan appellante
toegekende WAO-uitkering ingetrokken, omdat de mate van haar
arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen.
Namens appellante is bij brief van 15 september 1998 aan gedaagde
verzocht een uitkering ingevolge de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria van 7 februari 1996
(Stb. 93, hierna: WBIA) aan haar toe te kennen. In het kader van deze
aanvraag heeft appellante ook een bewijs van inschrijving bij het
Spaanse orgaan voor de openbare arbeidsbemiddeling overgelegd. Gedaagde
heeft bij brief van 11 februari 1999 aan appellante medegedeeld dat haar
aanvraag niet in behandeling genomen kan worden, omdat nog een aantal
gegevens ontbreken. Tevens is er in die brief op gewezen dat appellante
niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in de WBIA om voor een uitkering
in aanmerking te komen, omdat zij niet in Nederland woont en zich niet
beschikbaar stelt voor de Nederlandse arbeidsmarkt.
Naar aanleiding van de namens appellante tegen dit besluit ingediende
bezwaren heeft gedaagde bij beslissing op bezwaar van 11 juni 1999
(hierna: het bestreden besluit) overwogen dat de aanvraag van appellante
wel in behandeling genomen had moeten worden. Voorts heeft gedaagde de
(impliciete) weigering een uitkering ingevolge de WBIA toe te kennen
gehandhaafd, overwegende dat deze uitkering aangemerkt moet worden als
een werkloosheidsuitkering, zodat deze ook op grond van EG Verordening
1408/71 (hierna: de Verordening) niet geëxporteerd mag worden naar
andere landen.
Namens appellante is in beroep aangevoerd dat een uitkering ingevolge de
WBIA aangemerkt moet worden als een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
zodat deze uitkering op grond van artikel 10 van de Verordening niet kan
worden verminderd, geschorst of geweigerd op de grond dat betrokkene
woont op het grondgebied van een andere lidstaat. Subsidiair is
aangevoerd dat sprake is van verkapte discriminatie naar nationaliteit,
omdat in Nederland woonachtige personen in overigens gelijke
omstandigheden wel een zodanige uitkering zullen ontvangen. Dit
onderscheid is volgens appellante tevens in strijd met artikel 26 van
het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met
artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard,
overwegende dat een uitkering ingevolge de WBIA aangemerkt moet worden
als een werkloosheidsuitkering, zodat het beroep van appellante op
artikel 10 van de Verordening niet kan slagen. Voorts heeft de rechtbank
overwogen dat voorzover sprake is van een onderscheid naar
nationaliteit, het doel van de werkloosheidsregelingen daarvoor een
voldoende rechtvaardiging vormt.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de WBIA betrekking
heeft op een heel specifieke groep personen, t.w. zij die (langdurig)
arbeidsongeschikt en op leeftijd zijn, wier kansen op de arbeidsmarkt
marginaal zijn en zullen blijven en die er op mochten vertrouwen een
uitkering te zullen ontvangen tot het bereiken van de leeftijd van 65
jaar. Gelet op deze doelstelling moet een uitkering ingevolge de WBIA
volgens appellante aangemerkt worden als een
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat
appellante niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in de WBIA om voor
een uitkering ingevolge die wet in aanmerking te komen, nu zij niet in
Nederland woont. Partijen verschillen allereerst van mening over de
vraag of appellante op grond van artikel 10 van de Verordening aanspraak
kan maken op een uitkering ingevolge de WBIA. In dit artikel is kort
samengevat bepaald dat uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom,
uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, renten bij arbeidsongevallen of
beroepsziekten en uitkeringen bij overlijden niet kunnen worden
verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op
de grond dat de rechthebbende woont op het grondgebied van een andere
lidstaat dan de lidstaat welke de uitkering is verschuldigd. Nu deze
bepaling geen betrekking heeft op werkloosheidsuitkeringen spitst het
geschil tussen partijen zich toe op de vraag of een uitkering ingevolge
de WBIA aangemerkt kan worden als een uitkering bij invaliditeit als
bedoeld in dit artikel.
Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat tussen partijen
niet in geschil is dat de WBIA kan worden beschouwd als een wettelijke
regeling betreffende de sociale zekerheid als bedoeld in artikel 4 van
de Verordening, nu sprake is van een uitkering welke wordt toegekend op
basis van een wettelijk omschreven positie. Op grond van vaste
rechtspraak van het Hof van Justitie EG is voor de kwalificatie van een
zodanige uitkering, als een prestatie of uitkering ingevolge één van
de in het eerste lid van dat artikel uitputtend opgesomde takken van
sociale zekerheid, van belang met welke van de in dat artikellid
genoemde eventualiteiten deze uitkering verband houdt.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat een uitkering ingevolge de WBIA
aangemerkt moet worden als een werkloosheidsuitkering. Daarbij acht de
Raad ten eerste van belang dat de WBIA door de wetgever in het leven is
geroepen om te voorkomen dat personen die hun
arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk zouden verliezen
als gevolg van de strengere criteria in de arbeidsongeschiktheidswetten,
aangewezen zouden raken op uitkeringen waarbij zij zich zouden moeten
onderwerpen aan inkomens- en vermogenstoetsen. Hieruit volgt reeds dat
deze uitkering bedoeld is als een tijdelijke compensatie voor een
specifieke groep personen die niet langer aanspraak hebben op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voorts is voor de aanspraak op een
uitkering ingevolge de WBIA bepalend of de betrokkene werkloos is en
wordt de uitkering verleend op de voet van de bepalingen in de
Werkloosheidswet (WW). Degene die aanspraak maakt op uitkering ingevolge
de WBIA dient zich reëel beschikbaar te stellen voor arbeid, te
solliciteren en zich ook overigens te houden aan allerlei voorschriften
die ook voor "gewone" werklozen gelden. Ten slotte wijst de
Raad er in dit verband nog op dat al eerder is overwogen, in de
uitspraak van 16 augustus 2000 (USZ 2000/254), dat de WBIA naar
nationaal recht duidelijke aanknopingspunten heeft met de WW, nu de in
de WBIA geregelde materie alleen om wetstechnische redenen niet in de WW
is opgenomen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van
appellante op artikel 10 van de Verordening niet kan slagen.
Ten aanzien van het beroep van appellante op diverse
non-discriminatiebepalingen, omdat sprake is van een onderscheid naar
woonplaats en daarmee van een indirect onderscheid naar nationaliteit,
onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat uitkeringen bij
werkloosheid in het algemeen gebonden zijn aan het grondgebied van het
land dat de uitkering verstrekt en dat voorzover hieruit een (indirect)
onderscheid naar nationaliteit voortvloeit, het doel van de
werkloosheidsregelingen daarvoor een voldoende rechtvaardiging vormt.
Daarbij wijst de Raad erop dat ook in internationaal verband algemeen
aanvaard is dat werkloosheidsuitkeringen alleen worden toegekend aan
personen die verblijven op het grondgebied van de betreffende staat en
zich aldaar beschikbaar stellen voor arbeid. In de diverse
internationale regelingen inzake sociale zekerheid, waaronder de
Verordening en de bilaterale verdragen, zijn werkloosheidsuitkeringen
dan ook uitgezonderd van de hierin opgenomen bepalingen betreffende de
export van uitkeringen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist
wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van
Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|